​Iets groots dat Liefde is (III): Onze ware naam

Als wij beantwoorden aan Gods plan voor ons leven, wordt onze ware naam onthuld. Een nieuw artikel in de serie over roeping.

Opus Dei - ​Iets groots dat Liefde is (III): Onze ware naam


Het eerste Bijbelboek begint met een verslag van God de Schepper die schepselen tot leven wekt met niet meer dan zijn woord: En God zei: ‘Er moet licht zijn! Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren… ‘Het land moet zich tooien met jong gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen… Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.’ (Gen 1, 1-25) Maar wanneer het moment komt om de mens te scheppen, gebeurt er iets anders. In plaats van eenvoudigweg een nieuwe soort te creëren, schept God een wezen naar zijn eigen beeld, een wezen dat persoonlijk in het leven wordt geroepen en een persoonlijke naam krijgt en dan door God persoonlijk wordt aangesproken.

Als we van dit scheppingsverslag naar het laatste Bijbelboek gaan, ontdekken we iets verrassends. Naast de naam die we van God ontvangen wanneer Hij ons schept, moeten we aan het eind van ons leven een nieuwe naam krijgen. ‘Wie overwint, hem zal Ik wat van het verborgen manna geven; en ik zal hem een witte steen geven met daarin gegrift een nieuwe naam die niemand kent dan hij die hem ontvangt.’ (Apok 2, 17) Hoe moeten we deze nieuwe naam begrijpen die ons aan het einde van ons leven zal worden gegeven? We worden hier geconfronteerd met het mysterie van de roeping – een persoonlijk mysterie dat zich ontvouwt als we verder gaan op onze weg naar het Ware leven.

Vrij en nog niet af

Een roos, een eik of een paard hoeven geen beslissing te nemen om te worden wat ze zijn: ze bestaan gewoon. Ze groeien en bereiken hun volheid en verdwijnen uiteindelijk. Met de mens is dat anders. Naarmate we groeien, en vooral tijdens de adolescentie, komen we tot het besef dat we niet zomaar 'één meer' kunnen zijn. Iets spoort ons aan om iemand te worden die uniek is, met een voor- en achternaam, een aparte en onherhaalbare persoon. We voelen dat we in de wereld zijn om iets te bereiken, en dat we met ons leven deze wereld tot een betere plek kunnen maken. Te weten wat we zijn of hoe de dingen zijn, is niet genoeg; we voelen ons veeleer aangespoord te dromen over wie we willen zijn en hoe we willen dat onze wereld is.

Hij wilde rekenen op ons werk om deze wereld in stand te houden en in al haar schoonheid te laten schitteren

Sommige mensen zullen dit naïef vinden, een gebrek aan realiteitszin die vroeg of laat moet worden overwonnen. Niettemin heeft deze drang om te dromen echt betrekking op ons diepste zelf. Voor een christen is het verlangen om iemand te zijn, met een voor- en achternaam, een uiting van hoe God ons heeft willen scheppen: als een wezen dat onherhaalbaar is. Hij heeft de wereld geschapen en in de handen van onze eerste ouders gelegd, om haar te bewerken en te beheren. (Gen 2, 15) Hij wilde rekenen op ons werk om deze wereld in stand te houden en in al haar schoonheid te laten schitteren, zodat we er 'hartstochtelijk' van kunnen houden, zoals de heilige Jozefmaria graag zei.[1]

God doet hetzelfde wanneer Hij ons de gave van het leven schenkt. Hij nodigt ons uit om onze persoonlijkheid te ontwikkelen en laat deze inspanning aan ons over. Daarom wil Hij dat we onze persoonlijke vrijheid, ons initiatief en al onze vaardigheden activeren. ‘God wil iets van je. God hoopt op je’, zei paus Franciscus in een toespraak op een Wereldjongerendag. “Hij moedigt je aan om te dromen. Hij wil je laten inzien dat met jou de wereld anders kan zijn. Want het is een feit dat de wereld nooit anders zal zijn, tenzij je het beste van jezelf geeft. Dit is een uitdaging voor jou.”[2]

Hij roept je bij je naam

Simon vergezelde zijn broer Andreas om naar de Doper te luisteren. De reis van Galilea naar Judea was lang, maar het was de moeite waard. Daar leek iets geweldigs te gebeuren. Eeuwen waren voorbijgegaan sinds God een profeet naar zijn volk had gezonden en nu leek er in Johannes echt een nieuwe profeet onder hen te zijn verschenen. Andreas ontmoet Jezus aan de oevers van de Jordaan en brengt een hele middag met Hem door. Wanneer hij terugkeert naar zijn broer Simon, vertelt hij hem: “We hebben de Messias gevonden. En hij bracht hem bij Jezus”. (vgl. Joh 1, 41-42) Wat moet Simon onderweg gedacht hebben? Is het mogelijk dat de Messias, degene die door God is gezonden, eindelijk is gekomen? Zou de wereld waarin ze leefden op het punt staan te veranderen, zoals de Schrift had voorspeld? Toen ze de Leraar naderden, keek Jezus naar hem en zei: "Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; Gij zult Kefas – dat betekent: Rots – genoemd worden”. Voordat de wereld kon veranderen, moest het leven van Simon veranderen.

De Evangelies tonen ons het leven van Simon Petrus als een voortdurende ontdekking van de ware identiteit van Jezus, van de zending die hem is toevertrouwd. Kort na zijn terugkeer in Galilea, na die dagen die hij met de Doper doorgebracht had, komt Jezus opnieuw naar Simon Petrus en vraagt hem om een eindje van wal te steken zodat hij vanuit de boot kan prediken. Simon moet een beetje terughoudend geweest zijn om dat te doen, aangezien ze juist de hele nacht gevist hadden zonder iets te vangen. Toen Jezus zijn toespraak had geëindigd, zei Hij tot Simon: ‘Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.’ (Lc 5, 4) Het moet Simon absurd zijn voorgekomen, omdat ze die nacht vele uren vruchteloos hadden gezwoegd, en iedereen weet dat vissen in het heldere daglicht de netten niet inzwemmen. Maar Simon gehoorzaamt en hij ziet zijn netten vollopen met vis. Wie is deze man in zijn boot echt? En bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: ‘Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.’ (Lc 5, 8) Jezus echter sprak tot Simon: ‘Wees niet bevreesd, voortaan zal je mensen vangen.’ (Lc 5, 10)

Petrus was edelmoedig; hij erkende zijn grenzen, maar geloofde in degene die hem riep en volgde de droom van zijn hart. Hij zei ‘ja’, een moedig en genereus ‘ja’ en werd een volgeling van Jezus

Wie is Simon? Een visser uit Galilea, zoals de mannen uit zijn familie altijd al waren geweest? Hij had dit werk jaren gedaan en was er heel goed in geworden. Hij dacht dat dit zijn identiteit was. Maar Jezus werpt een onverwacht licht op zijn leven. De nabijheid van onze Heer openbaart zijn ware zelf: een zondaar, maar een zondaar die God heeft uitgekozen, en op wie God wil vertrouwen. Toen Petrus en zijn broer deze goddelijke oproep hoorden, brachten ze de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen. (Lc 5, 11) Benedictus XVI heeft over deze evangeliescène nagedacht: “Petrus kon zich nog niet voorstellen dat hij op een dag in Rome zou aankomen en dat hij daar voor de Heer een ‘visser van mensen’ zou zijn. Hij nam deze verrassende oproep aan, hij liet zich bij dit grote avontuur betrekken: hij was edelmoedig; hij erkende zijn grenzen, maar geloofde in degene die hem riep en volgde de droom van zijn hart. Hij zei ‘ja’, een moedig en genereus ‘ja’ en werd een volgeling van Jezus.”[3]

Later is onze Heer specifieker over de zending die zijn leven zal hervormen: “Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.” (Mt 16, 18) Gods reddingsplan voor ons, zijn oproep om ons leven met Hem te delen, heeft dezelfde omvormende kracht als Zijn scheppingsplan. Net zoals de schepping van de mens een persoonlijke roeping inhoudt, zo heeft ook elke persoonlijke oproep van God een scheppende kracht, die in staat is de realiteit te veranderen. Dit is zo radicaal dat het betekent dat we een nieuwe naam krijgen, een nieuw leven. Wie herinnert zich vandaag de dag een visser die tweeduizend jaar geleden aan de oevers van een meer in het Midden-Oosten leefde? En toch, hoeveel mensen vereren Petrus, een door Christus geroepen apostel en 'het zichtbare fundament van zijn kerk'?[4]

De verborgen schat

De missie die Jezus ons aanbiedt, kan ons leven veranderen en met licht vullen (...) de enig mogelijke weg is de weg die Hij voor mij wil

De missie die Jezus ons aanbiedt, kan ons leven veranderen en met licht vullen. Daarom is het besef dat God me zou kunnen roepen heel aantrekkelijk. Tegelijkertijd is het diep verontrustend. Want het kan ons toeschijnen dat als we geroepen worden, als God op ons rekent, we onze vrijheid kwijt zijn. Nu kunnen we geen andere weg in het leven meer kiezen! De enig mogelijke weg is de weg die Hij voor mij wil.

Nadenken over de geschiedenis van Petrus’ leven kan ons hier helpen. Verloor hij zijn vrijheid toen hij besloot om alles achter te laten om Jezus te volgen? Was dit niet de meest vrije en ‘bevrijdende’ beslissing van zijn leven? Soms kunnen we de vrijheid vooral zien als het vermogen om te kiezen zonder door iets beperkt te worden. In dit licht bezien wordt de vrijheid echter gereduceerd tot specifieke keuzes die ons slechts kort raken: of we een hamburger of kip eten, of we voetbal of basketbal spelen, of we naar dit of dat lied willen luisteren.

Er zijn echter andere soorten keuzes die ons leven een geheel nieuwe richting geven, waardoor het vrijer en vreugdevoller wordt. Dit gebeurt wanneer we ons hele leven op het spel zetten en beslissen wie we willen zijn. De vrijheid wordt dan gezien in haar ware licht, in haar ‘bevrijdend’ vermogen. Dit zijn niet langer tijdelijke beslissingen, maar beslissingen die ons hele leven beïnvloeden. Bijvoorbeeld wanneer iemand besluit te trouwen met iemand die wordt gezien als de grootste schat die de wereld te bieden heeft. Of, vergelijkbaar, wanneer een jongere besluit arts te worden, wetende dat deze keuze grote inspanning en opoffering zal vragen. Zichzelf aan een ander geven of een missie op zich nemen, houdt in dat men afstand doet van al het andere. Dit beïnvloedt beslist toekomstige keuzes. Niettemin wordt deze stap niet gezien als een verzaking, maar eerder als een op het spel zetten van je leven voor een liefde of doel, vervuld van betekenis. En dus is de naam van die persoon na verloop van tijd niet langer slechts de naam die men bij de doop ontving; het is nu ook ‘de echtgenoot of de vrouw van ...’ of ‘dokter ...’. Hun naam, hun identiteit neemt een duidelijkere vorm aan; hun leven krijgt een duidelijkere betekenis en richting.

Later, in de loop van ons leven, stelt Hij ons een 'schat' voor, een missie die 'verborgen' is in onze ziel

Jezus biedt ons een keuze van precies dit type. Hij heeft ons geschapen met bepaalde gaven en kwaliteiten die onze manier van zijn vormgeven. Later, in de loop van ons leven, stelt Hij ons een 'schat' voor, een missie die 'verborgen' is in onze ziel. “Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat, verborgen in een akker. Toen iemand hem vond, verborg hij hem weer, en in zijn blijdschap ging hij alles te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker.” (Mt 13, 44) In werkelijkheid is Hijzelf de schat – zijn onvoorwaardelijke liefde; en de missie is dezelfde die Hij van zijn Vader ontving. Als ik die schat heb ontdekt, hoef ik niet verder te zoeken. Ik kan hem met mijn hele leven omarmen en elk facet ervan door Hem laten vormgeven. Zoals Petrus, apostel, de Rots waarop de Kerk is gegrondvest; zoals Paulus, apostel van de heidenen; zoals Maria, de dienstmaagd van de Heer, de Moeder van de Verlosser.

Het omarmen van deze zending – Jezus in ons leven verwelkomen en Hem volgen – brengt ons ertoe al het andere opzij te schuiven. Want niets kan ons zozeer bevrijden als de waarheid over onszelf: veritas liberabit vos (Joh 8, 32). Zo kunnen we met de heilige Paulus zeggen: “Maar wat winst voor mij was ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies, want mijn heer Jezus Christus kennen gaat alles te boven. Om Hem heb ik alles prijsgegeven. Om Christus houd ik zelfs alles voor vuilnis, als het erom gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem.“ (Fil 3, 7-9)

Misschien kan de ontdekking hoe dicht Jezus bij ons is en dat Hij op ons wil rekenen, ons in het begin wat verontrusten. Maar als we erbij stilstaan, zien we hoe dat, wat Hij van ons vraagt, perfect past bij wie we zijn, bij onze aanleg en ervaring. Het lijkt alsof we hiervoor in de wieg gelegd zijn. De nieuwe naam wordt dan gezien als iets dat er al was vanaf de schepping van de wereld. Hiervoor heeft God ons gemaakt. En toch kan het ons wellicht te veel lijken. “Deze schat, deze zending ... voor mij? Heeft God zijn ogen echt op mij gericht?”

Al mijn gaven en talenten aanspreken

Sinds je ‘ja’ tegen Hem hebt gezegd, verandert in verloop van tijd je horizon van kleur: iedere dag wordt hij mooier, wijder en stralender. Maar je moet doorgaan met ‘ja’ te zeggen.

God roept ons niet slechts op één specifiek moment in ons leven; Hij doet dat voortdurend. Op dezelfde manier duurt ons antwoord ons hele leven lang, waarbij we elke dag met een steeds hernieuwde liefde reageren op Zijn roep om meer liefde.

“Sinds je ‘ja’ tegen Hem hebt gezegd, verandert in verloop van tijd je horizon van kleur: iedere dag wordt hij mooier, wijder en stralender. Maar je moet doorgaan met ‘ja’ te zeggen.”[5]

De heilige Petrus heeft vele malen ‘ja’ tegen God gezegd: zoals die gelegenheid waarbij vele volgelingen verontwaardigd weg gingen, toen ze Hem hoorden spreken over het Brood des Levens (vgl. Joh 6, 60-71); of toen Jezus erop stond Petrus’ voeten te wassen, wat absurd leek (vgl. Joh 13: 6-10). Petrus bleef bij Jezus en beleed steeds opnieuw zijn geloof. Desondanks was er veel dat hij niet begreep van Jezus. Hij bleef dromen over een glorievolle manifestatie van onze Heer aan de wereld, als Hij zichzelf zou tonen in zijn zegevierende kracht en over de hele wereld beroemd zou worden. Het kostte hem jaren om te beseffen dat dit niet Gods manier van doen was. Hij ervoer het verdriet dat hij Jezus drie keer had verloochend. Hij moest zijn eigen zwakheid onder ogen zien. Tenslotte begreep hij het, omdat hij zijn ogen nooit van Jezus had afgewend “De Heer heeft Petrus bekeerd, die Hem driemaal heeft verloochend, zonder maar één verwijt: door een blik vol liefde.”[6] Want de roeping is uiteindelijk een uitnodiging om naar Jezus te kijken, om zich door Hem te laten bekijken, zijn leven te delen en ernaar te streven Hem na te volgen. En dit leidt tot een zelfgave, vervuld van liefde, een leven lang.

De roeping van Petrus kreeg zijn definitieve vorm die dag aan de oever van het Meer van Galilea, toen hij de verrezen Jezus ontmoette. Hij kreeg de gelegenheid om vergeving te vragen en hij besefte hoeveel hij met zijn arme hart van Hem hield en dat zei hij Hem opnieuw. De Goddelijke Meester antwoordde: ‘Weid mijn schapen’ (Joh 21, 17); en toen zei Hij tegen Petrus: ‘Volg Mij’ (Joh 21, 19). Dit vatte alles samen, want Petrus had al ontdekt dat het volgen van onze Heer betekende Hem tot het einde toe lief te hebben, op een prachtige weg van zelfgave en dienstbaarheid aan iedereen: een weg, geen doel. Dezelfde weg die we elke dag van ons leven moeten afleggen, naast Jezus.

Een vervuld leven

Petrus stierf als martelaar in Rome. De traditie plaatst de plek van zijn martelaarschap door kruisiging, op de heuvel van het Vaticaan. Toen hij het vonnis hoorde, zou hij zeker op zijn hele leven hebben teruggekeken. Zijn dagen als jongeman, met zijn sterke en vastberaden temperament, zijn werk als visser in Galilea. Dan zijn ontmoeting met Jezus en alle geweldige gebeurtenissen vanaf dat moment! Zoveel vreugde en lijden. Zoveel mensen die in zijn leven waren gekomen. Zoveel liefde. Ja, zijn leven was beslist enorm veranderd. En het was het allemaal waard geweest.

Bij de ontmoeting met Simon aan de oevers van de Jordaan zag onze Heer niet alleen een volwassen man met bepaalde kenmerken. Hij zag in hem Petrus: de rots waarop Hij zijn Kerk zou bouwen. En als Hij naar óns kijkt, ziet Hij al het goede dat we in ons eigen leven zullen doen. Hij ziet onze talenten, onze wereld, onze geschiedenis en Hij biedt ons de mogelijkheid Hem te helpen, ondanks onze kleinheid. Hij vraagt ons niet om onmogelijke dingen te doen, maar gewoon dat we Hem volgen.

Onze kwaliteiten zijn wat ze zijn, niet meer en niet minder, en deze manier van zijn maakt ons geschikt om onze Heer te volgen en Hem in de Kerk te dienen. Met zijn hulp zijn we geroepen om de beste manier te vinden om dit te doen. Ieder van ons met de gaven die God ons heeft gegeven: de gaven die wij bezitten verschillen naargelang de bijzondere genade die ieder van ons is geschonken. Laten we ze gebruiken: “Hebt gij de gave van de profetie ontvangen, gebruik die in overeenstemming met het geloof. Hebt gij de gave van dienst of van lering ontvangen, legt u dan toe op dienstbetoon of onderricht. Wie een opwekkend woord heeft, moet anderen bemoedigen. Wie iets heeft uit te delen, schenke het weg met mildheid. Als ge leiding geeft, doet het met ijver, als ge barmhartigheid bewijst, doe het met blijmoedigheid.” (Rom 12, 6-8).

Droom en je zult zien dat je dromen nog tekortschieten

Petrus liet die visser uit Bethsaida, die zo zeker was van zichzelf, achter. En God maakte van hem een middelaar – met Christus – tussen hemel en aarde. Zijn levensverhaal heeft zich de afgelopen eeuwen vele malen herhaald, tot op de dag van vandaag. De eerste jonge mensen die van het Opus Dei werden, legden hun talenten in Gods handen en brachten een overvloed aan vruchten voort die ze zich nooit hadden kunnen voorstellen. Zoals de heilige Jozefmaria hen verzekerde: "Droom en je zult zien dat je dromen nog tekortschieten." Of zoals de Paus vertelde aan de jongeren die deelnamen aan een gebedswake: "Moge de Heer jullie dromen zegenen."[7]

Door Jezus' roep wordt het beste uit ons gehaald en ingezet ten dienste van anderen. We zien dit bij Petrus en wij willen net als hij gericht zijn op de roepstem van de Heer, vandaag en elke dag van ons leven. Ook wij hebben ontdekt hoeveel Hij van ons houdt en op ons rekent. En zo zal Hij ons, wanneer we oog in oog met Hem komen te staan, een witte steen geven, met daarop gegrift “een nieuwe naam, die niemand kent dan hij die hem ontvangt.” (Apk 2, 17) En dan ... zullen we onze ware naam herkennen.

Lucas Buch


[1] Vgl. De Voor, nr. 290; Vrienden van God, nr. 206; “De wereld hartstochtelijk liefhebben,” in Gesprekken met Mgr. Escrivá, nrs. 113 e.v.

[2] Franciscus, Toespraak op de Wereldjongerendagen, Gebedswake, Krakau, 30 juli 2016.

[3] Benedictus XVI, Algemene Audiëntie, 17 mei 2006.

[4] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 936.

[5] Heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 32.

[6] Ibid., nr. 964.

[7] Franciscus, Toespraak op de Wereldjongerendagen, Gebedswake, Krakau, 30 juli 2016.