Heel menselijk, heel goddelijk (V): Om vrienden te kunnen zijn

Iedere echte vriendschap veronderstelt inzet om binnen te treden in het leven van de ander, alsook om deze toe te laten in ons eigen leven. In dit vijfde artikel bespreken we enkele deugden die het ons gemakkelijker maken om dat te doen.

Bronnen voor een christelijke vorming
Opus Dei - Heel menselijk, heel goddelijk (V): Om vrienden te kunnen zijn

Wanneer iemand zijn laatste ogenblikken beleeft, wanneer hij op het punt staat om “uit deze wereld over te gaan naar de Vader” (Joh 13,1), wil hij meestal aan het wezenlijke denken. Hij is dan vooral geïnteresseerd in het oplossen van dingen die hij niet onafgemaakt wil laten: een paar zinnen vol genegenheid tot zijn naasten richten, een snelle balans van zijn leven opmaken, proberen zich met iemand te verzoenen... Dit is ook het geval in het leven van Jezus. De voorbereiding op zijn laatste uren is een ceremonieel avondmaal met degenen die Hem het naast staan. De Evangelies geven ons een inkijk van deze momenten door een paar ontroerende bladzijden vol vriendschap, waarin de Heer ons als erfenis de getuigenis van zijn liefde nalaat. “In de intimiteit van de bovenzaal zegt Jezus tot de apostelen: ‘u heb Ik vrienden genoemd’ (Joh 15,15). En in hen zei hij het aan ons allemaal. God bemint ons niet alleen als schepselen, maar als kinderen aan wie Hij in Christus een echte vriendschap schenkt”.[1]

Een uitwisseling van intimiteiten

Vriendschap is een relatie in twee richtingen, die groeit door te geven en te ontvangen. Jezus Christus biedt zijn vrienden het grootste geschenk aan dat er is: “Dan zal de Vader u op mijn gebed een andere Helper geven” (Joh 14,16). Maar Hij vraagt ook wederkerigheid; Hij vraagt ons zijn gaven aan te nemen: “Blijft in mijn liefde” (Joh 15,9). Er bestaat niet zoiets als een vriendschap waarbij slechts één partij betrokken is. Alle echte vriendschap houdt een inspanning in om binnen te treden in het leven van de ander en om ruimte voor hem te maken in ons eigen leven.

Deze stap om toenadering tot de ander te zoeken is niet altijd gemakkelijk; en nog minder als de sociale omgeving of onze eigen passiviteit ons ertoe brengen weinig op anderen te vertrouwen, onze innerlijke wereld af te schermen voor mogelijke indringers of alleen naar anderen te kijken voor zover zij voor ons tijdelijk van nut kunnen zijn. Om vriendschap mogelijk te maken, moeten wij bereid zijn de deuren van ons hart te openen. Dit maakt ons zeker kwetsbaar, maar het maakt ons ook menselijker. Wie heeft niet die momenten van verbondenheid met een ander beleefd, wanneer de ontmoeting van twee innerlijke werelden zichtbaar wordt? We zouden kunnen denken dat dergelijke situaties, vol openhartigheid en intensiteit, typisch zijn voor de jeugd. Wie echter zijn angst verliest om zijn innerlijk te openen en anderen in zijn hart te sluiten, is op elke leeftijd in staat diepe vriendschappen aan te gaan: met zijn ouders, broers en zussen, kinderen, man of vrouw, met degenen die in hetzelfde huis wonen of met collega’s op het werk.

Welwillendheid en tederheid

Van oudsher heeft men de opvatting gehad dat “vriendschap een deugd is of in ieder geval iets dat met een deugd gepaard gaat”. Bovendien is vriendschap het meest noodzakelijke voor het leven.[2] Om een vriendschap te beginnen en te laten groeien, moeten die vrienden bepaalde gesteltenissen ontwikkelen die het uitwisselen van hun intimiteit bevorderen. Vriendschap bestaat in wezen uit het “streven naar het welzijn van de ander, wederkerigheid, intimiteit, tederheid, stabiliteit, en een zekere gelijkvormigheid die wordt opgebouwd doordat vrienden hun leven met elkaar delen”.[3]

Het welzijn van de ander nastreven, ook wel welwillendheid genoemd, is misschien wel de belangrijkste van deze gesteltenissen. Het betekent niet zozeer dat ik voor mijzelf iets goeds in de ander zoek – zelfs niet iets goeds voor die ander zelf –, maar dat die ander ertoe doet om hemzelf: zijn geluk gaat mij aan. Deze welwillendheid duidt erop dat we echt van onze vrienden houden, wat veronderstelt “dat je hen erkent en bevestigt zoals ze zijn, met hun problemen, hun gebreken, hun persoonlijke geschiedenis, hun omgeving en de tijd die ze nodig hebben om tot Jezus te naderen. Daarom moeten we, om een echte vriendschap op te bouwen, het vermogen ontwikkelen om liefdevol naar andere mensen te kijken, totdat we hen zien met de ogen van Christus.[4]

Het verbeteren van ons vermogen om ons open te stellen voor anderen vereist ook dat we groeien in tederheid. In tegenstelling tot wat soms wordt gedacht, is tederheid “niet de deugd van de zwakken, maar veeleer het tegendeel: zij duidt op een sterke geest en het vermogen tot aandacht, mededogen, ware openheid voor anderen”.[5] Tederheid is een vruchtbare bodem, de vrucht van dagelijkse inzet: daarin kunnen verbondenheid en vertrouwen groeien. “Ieder van jullie heeft een hart vol tederheid, zoals ik dat heb”[6], heeft de heilige Jozefmaria gezegd. Deze tederheid kan worden gevonden bij mensen die hun gevoelens gemakkelijk uiten of bij meer introverte karakters; en zij weet zich aan te passen aan beide manieren van zijn. In die intieme momenten van het Laatste Avondmaal heeft Jezus moeite met Petrus die zijn voeten niet wil laten wassen, (vgl. Joh 13,6-11), maar laat Hij ook toe dat Johannes zijn hoofd op zijn borst legt (vgl. Joh 13,23). De tederheid van de Vriend begrijpt wat de ander nodig heeft, respecteert zijn intimiteit, zijn manier van zijn; Hij vermijdt zich op te dringen en biedt in plaats daarvan zijn rustige aanwezigheid aan.

Continuïteit en harmonie

Een ander noodzakelijk bestanddeel van de vriendschap is de continuïteit van de relatie, want twee innerlijke werelden gaan niet ineens open. Belangrijke dingen hebben tijd nodig om in het menselijk hart wortel te schieten en te groeien. Soms lijkt het alsof we een nieuwe beste vriend hebben gevonden, maar in werkelijkheid heeft die relatie nog een lange weg te gaan om te groeien. “Het kost veel tijd om te praten, om samen te zijn, om elkaar te leren kennen..., maar zo worden vriendschappen gesmeed. Alleen met geduld kan een vriendschap reëel worden.”[7]

Vrienden willen elkaar zien, willen samen zijn, willen kunnen uitwisselen wat voor de ander waardevol is. De apostelen waren graag bij Jezus, niet alleen omdat zij Hem beschouwden als de Messias van Israël, maar ook omdat zij goede vrienden waren. Zij volgden Hem niet alleen vanwege historische of intellectuele overtuigingen, maar omdat Jezus deel was gaan uitmaken van hun leven: “Wanneer Ik u zal weerzien, zal uw hart zich verheugen en uw vreugde zal niemand u kunnen ontnemen” (Joh 16,22).

De contacten en gesprekken versterken in de loop der tijd de vriendschap zodanig dat ze hecht wordt, zelfs wanneer er sprake is van afstand. Er ontstaat dan een bijzondere harmonie tussen de vrienden, omdat ieder spontaan aan de ander de dingen meedeelt die zijn of haar leven vullen. Zo gaat men waarderen wat de ander waardeert en fijn vinden wat de ander fijn vindt. En ook, zoals logisch is, verdriet hebben om waar de ander over treurt. De een voelt oprecht mee met de ander, maar hij hoeft hem niet te overtuigen of te bedriegen door andere belangen te vermommen als vriendschap.

Deugden om met elkaar gelukkig te zijn

De heilige Thomas van Aquino zegt dat “onder de dingen van de wereld er geen is dat de voorkeur verdient boven de vriendschap, want dat is wat de deugdzamen samenbrengt en de deugd in stand houdt en versterkt”.[8] De weg van de deugd is een bondgenoot in vriendschapsrelaties: degenen die het beeld van God in hun leven willen laten groeien, herkennen elkaar gemakkelijk en ze willen die innerlijke schoonheid delen.

Er zijn deugden die heel geschikt zijn om die weg voor te bereiden of te doen groeien: het zijn de deugden van het samenzijn. De “sfeer van vriendschap, die iedereen om zich heen moet verspreiden, is het resultaat van de som van vele inspanningen om het leven voor de anderen aangenaam te maken. Groeien in vriendelijkheid, vreugde, geduld, optimisme, fijngevoeligheid en in alle deugden die het samenleven met anderen beminnelijk maken, is belangrijk opdat mensen zich welkom voelen en gelukkig zijn: minzame taal maakt overal vrienden, en een hoffelijke tong krijgt overal welwillend antwoord (Sir 6,5). De strijd om je karakter te verbeteren is een noodzakelijke voorwaarde opdat er gemakkelijker relaties van vriendschap ontstaan.”[9]

Het is niet altijd gemakkelijk te onderscheiden welke aspecten van de eigen persoonlijkheid moeten worden ontwikkeld om een goede vriend te zijn, of welke door die vriend moeten worden geaccepteerd – en zelfs gewaardeerd –. Misschien is het niet nodig hierin al te veel te willen onderscheiden, maar moeten we gewoon proberen aan onszelf te werken in wat we kunnen: als ik verlegen ben, zal ik proberen assertiever te zijn; als ik sterke reacties heb, zal ik proberen ze af te zwakken; als ik de neiging heb om weinig expressief te zijn, zal ik proberen meer te laten zien van wat ik voel; enzovoort. Wat in ieder geval niet helpt, is star blijven vasthouden aan ons eigen ik. De heilige Jozefmaria heeft iedereen aangemoedigd deze valstrik te vermijden: “Soms wil je jezelf rechtvaardigen en beweer je, dat je snel afgeleid bent, verstrooid, of dat je van nature droog en gereserveerd bent. En daar voeg je dan aan toe dat je daarom niet eens de mensen met wie je dagelijks omgaat echt goed kent. Luister eens: klopt het dat je je niet gerust voelt met dat excuus?”[10]

Elke vriendschap is een geschenk dat je krijgt en als je het aanneemt wordt het ook een geschenk voor de gever. Dat is eigen aan de liefde: die kan alleen gegeven worden door wie deze eerst heeft gekregen. Zelfs de liefde die Jezus Christus aan zijn apostelen schenkt, wordt voorafgegaan door de liefde die Hem is geschonken: “Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb Ik u liefgehad” (Joh 15,9). Dus behalve te groeien in alle deugden die ons helpen ons voor de anderen open te stellen, is het om echte vrienden te zijn belangrijk om deze liefde van God voor ons steeds dieper te beleven. Naarmate die relatie van intimiteit groeit, groeit het vermogen om anderen lief te hebben. “Liefde voor God en liefde voor de naaste zijn niet te scheiden: er is slechts één gebod. De liefde tot God en tot de naaste leven echter beide van de liefde van God, die ons het eerst heeft liefgehad. (…) De liefde is ‘goddelijk’ omdat ze van God komt en ons met God verenigt, en in dit proces van eenwording maakt ze ons tot een ‘wij’, dat al onze verdeeldheid overwint en ons één laat worden, zodat uiteindelijk ‘God alles in allen’ is (vgl. 1 Kor 15,28).[11]

Jorge Mario Jaramillo


[1] Mgr. Fernando Ocáriz, pastorale Brief, 1 november 2019, nr. 2.

[2] Aristoteles, Etica a Nicomacho, 1155a.

[3] Paus Franciscus, apostolische exhortatie Amoris Laetitia, nr. 123.

[4] Mgr. Fernando Ocáriz, pastorale Brief, 1 november 2019, nr. 8.

[5] Paus Franciscus, Homilie, 19 maart 2013.

[6] Heilige Jozefmaria, Aantekeningen van een familiebijeenkomst, 15-9-1971.

[7] Paus Franciscus, Interview, 13 september 2015.

[8] Heilige Thomas van Aquino

[9] Mgr. Fernando Ocáriz, pastorale Brief, 1 november 2019, nr. 9.

[10] Heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 755.

[11] Benedictus XVI, Enc. Deus caritas est, nr. 18.