Wat moet verlichten, moet branden: huwelijk en apostolisch celibaat (II)

Leven als Christus, zowel in het huwelijk als in het celibaat, leidt tot een nieuwe manier van leven die de Heilige Geest ons schenkt: een vruchtbare liefde, een zuiver hart en een voorkeur voor de rijkdommen van God en de zorg voor de meest behoeftigen, in de trant van het Evangelie.

In het midden van de jaren vijftig na Christus schrijft Suetonius dat keizer Claudius de Joden uit Rome verdreef omdat die, aangezet door Chresto, vaak onlusten veroorzaakten. In de ogen van het Romeinse gezag was er een groep die geleid werd door een zekere “Chresto”, van wie ze aannamen dat Hij nog leefde, hoewel de mensen in Jeruzalem volhielden dat Hij aan het kruis gestorven was: dit waren de Christenen uit Judea die misschien naar de hoofdstad van het rijk waren gereisd om het leven van de verrezen Jezus bekend te maken. Ze hadden begrepen dat niet alleen de twaalf apostelen tot die zending geroepen waren, maar alle leerlingen van Christus van alle tijden. Paulus herinnert een van de eerste gemeenschappen eraan: “Gij zelf zijt (…) een open brief van Christus, met onze hulp opgesteld, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God” (2 Kor 3,3). Ze waren allemaal geroepen om met hun leven een boodschap, geschreven door Christus zelf voor andere mensen te zijn.

Velen in die groep waren getrouwd, “zoals de honderdman Cornelius, die gehoorzaamde aan de wil van God en in wiens huis de Kerk toegankelijk werd voor de heidenen; Aquila en Priscilla, die het christendom verspreidden in Korinthe en Efese en meewerkten met het apostolaat van de heilige Paulus; Tabita, die vol overgave zorg droeg voor de noden van de christenen in Joppe”.[1] Vele anderen daarentegen omarmden het huwelijk niet om verschillende redenen, waaronder het ontvangen van de gave van het celibaat als een oproep om ook aan dat aspect van Jezus' leven deel te nemen. Zo vertelt Galeno ─ een beroemde heidense arts ─ rond het jaar 200 dat er onder hen ook vrouwen en mannen zijn die zich hun hele leven van seksuele gemeenschap hebben onthouden. Tegelijkertijd getuigt de heilige Justinus van hetzelfde: “Veel mannen en vrouwen, nu zeventigers, die vanaf hun jeugd christen zijn geweest, blijven maagd”.[2] Wat was er nieuw in de boodschap of in de levensstijl van deze christenen, gehuwd en ongehuwd, weduwe en celibatair, waardoor de keizer zelf bang werd?

Ze leefden onder een nieuwe wet

“Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest” (Mt 28,19): Bovendien voegde Jezus eraan toe dat ze, waar ze ook heengingen, moesten “leren onderhouden alles wat Ik u bevolen heb” (Mt 28,20). Als deze woorden de oren van keizer Claudius hadden bereikt, zou hij begrijpelijkerwijs zenuwachtig zijn geworden, want Jezus Christus was een nieuwe wet aan het instellen die, zo leek het, betrekking had op elk grondgebied, inclusief het zijne. Het gebod van Christus was echter heel anders dan hij zich misschien voorstelde: de wet van de leerlingen ─ die hen zou onderscheiden als ze die naleefden ─ was niets anders dan liefhebben zoals Hij liefhad.

Jezus definieerde die bijzondere wet als het “nieuwe gebod” (vgl. Joh 13,34) en voor een groot deel is deze altijd nieuw, want het is niet gemakkelijk om te leren op deze manier lief te hebben. Als we om ons heen kijken, zijn er veel sirenenzangen die ons uitnodigen om anders te leven, om innerlijke of uiterlijke afgoden te beminnen. En als we in ons eigen binnenste kijken, hebben we ook genoeg redenen om te beseffen hoe moeilijk het zelfs kan zijn om onszelf op deze manier lief te hebben: in de loop van de tijd stapelen we spanningen, mislukkingen en angsten op, die hun tol eisen van ons gevoel van eigenwaarde. Wie kan God, zichzelf en de naaste liefhebben zoals Jezus deed?

De werkelijkheid aanvaarden als door God bemind, geen kwaad met kwaad vergelden, geen gerechtigheid zoeken omwille van onszelf, proberen te zien hoe ook wij die gerechtigheid kunnen liefhebben, maakt deel uit van “ons houden aan wat Hij heeft geleerd”. Bij een huwelijk verklaren de echtgenoten aan elkaar: “Ik ontvang je en geef mezelf aan jou, en beloof je trouw te zijn in voor- en tegenspoed, in ziekte en gezondheid, en je zo lief te hebben en te respecteren al de dagen van mijn leven”. In zekere zin doet God hetzelfde met ons; Hij belooft ons dat, samen met Hem, elke werkelijkheid leefbaar kan zijn. Zelfs in de donkerste omstandigheden ─ tegenslagen, ziekten, onrecht, ontrouw, mislukkingen ─ kunnen we een mysterieuze betekenis ontdekken, een zwak licht, en met zijn hulp kunnen we begrijpen hoe “God in alles het heil bevordert van die Hem liefhebben” (Rom 8,28).

Dezalige Guadalupe[3] zei dat ze, om het apostolaat volgens de geest van het Opus Dei te beleven, “gelukkig zou zijn waar men haar nodig had”, omdat ze wist dat elke omstandigheid geschikt was om dat nieuwe gebod van Jezus na te leven, die nieuwe wet van de liefde die iedereen uitnodigt om volgens een andere logica te leven. Daarom "werd haar levensproject verrijkt door zich binnen het plan van God te bewegen: Guadalupe liet zich met vreugde en spontaniteit door God leiden, van de ene plaats naar de andere, van de ene opdracht naar de andere. De Heer versterkte haar capaciteiten en talenten, ontwikkelde haar persoonlijkheid en vermenigvuldigde de vruchten van haar leven".[4] De levens van de heiligen herinneren ons eraan wat het betekent om te leven volgens dat nieuwe rijk dat het egoïsme overwint met de liefde van Christus die in de christenen belichaamd wordt.

De roeping tot het geestelijk vader- en moederschap

Daarom is het logisch dat de leerlingen op een andere manier naar de mensen gingen kijken; ze zagen geen nationale of andere verschillen meer, maar probeerden vanuit het barmhartig hart van God Joden, Samaritanen, Galileeërs, Romeinen, Grieken of Perzen lief te hebben. Door Jezus na te volgen, kregen ze beetje bij beetje een vaderlijk en moederlijk hart, want ze waren geroepen om een nieuw leven te verkondigen, om veel mensen tot het geloof te brengen. De heilige Gregorius van Nyssa wijst erop dat de reden waarom Jezus celibatair was, juist was dat Hij niet naar de wereld kwam om kinderen uit vlees en bloed te verwekken (vgl. Joh 1,13), maar om ons het bovennatuurlijk leven te schenken en ons tot kinderen van God te maken.[5] Alle christenen ─ volgelingen van Jezus Christus –, zowel ongehuwden als gehuwden, zijn geroepen tot dat geestelijk vader- of moederschap.

Het beleven van dit nieuwe soort vader- of moederschap is de hoogste roeping van elke mens. Net zoals Genesis de roeping tot het fysieke vader- en moederschap benadrukt (vgl. Gen 1,28), zou men kunnen zeggen dat de eerste leerlingen die sinds de verrijzenis van de Heer behoorden tot een nieuw menselijk geslacht, geroepen waren tot een nieuw vader- en moederschap in Christus. De zalige Guadalupe zelf kan in verschillende brieven aan de heilige Jozefmaria haar vreugde niet verbergen wanneer ze ziet hoe in de mensen om haar heen dit nieuwe leven groeit, vooral in de studenten van het studentenhuis waar ze woonde: “Soms, als we ze allemaal zo blij zien en goed zien werken, lijkt het alsof we alles al bereikt hebben, en vergeten we dat onze taak niets minder is dan hen te leren heilig te zijn door zelf heilig te zijn”.[6]

Echtgenoten ontvangen die vruchtbaarheid vooral door de genade van het huwelijk, maar niet alleen daardoor. Door de Heilige Geest en de andere sacramenten beschikken zij altijd over nieuw licht en nieuwe kracht om voor elkaar te zorgen en hun kinderen – wanneer die er komen – op te voeden en te voeden met het leven van God. Ook degenen die geen kinderen hebben, kunnen die vruchtbaarheid ontdekken door overal de liefde van God te doen ontbranden in andere mensen, iets wat ze zich misschien nooit hadden kunnen indenken. En het is dezelfde Heilige Geest die ook een bijzondere genade schenkt aan de ongehuwden of aan wie de gave van het celibaat hebben ontvangen: daarmee volgen zij het leven van Christus na in de bijzondere manier waarop zij voor zoveel mensen zorgen en hun het geestelijk leven geven.

In het leven van Marcelo Câmara[7], een surnumerair lid van het Opus Dei die op zeer jonge leeftijd overleed, zien we dat geestelijk vaderschap duidelijk terug. Een vriend van hem vertelt dat wanneer hij zich verdrietig voelde, hij altijd met Marcelo probeerde te praten: “Daar zat ik dan”, zegt die vriend als hij zich een van die momenten herinnert, “en opnieuw ervoer ik die sensatie, alsof ik Christus even heel dichtbij voelde, die voor me zorgde en me bemoedigde in mijn geloof. Een gevoel van onbeschrijfelijke vrede.”[8] Iets soortgelijks herinneren de studenten van Arturo Álvarez[9] zich, geassocieerd lid van het Opus Dei in Mexico, ingenieur en leraar. In een brief die ze hem schreven, zeiden ze: “Een leraar is iemand die niet alleen lesgeeft, maar zijn leerlingen ook een deel van zichzelf, zijn levensfilosofie en zijn geloofsovertuiging meegeeft. Elke dag zien we hoe hij tijdens zijn lessen bij alles wat hij doet de mogelijkheid zoekt om te groeien in de deugden, om zich te heiligen. (…) Hij is een leraar die een blijvende indruk op ons leven zal achterlaten.”[10]

Het is nodig dat wij een zuiver hart hebben

Jezus zegt tijdens de gevoelige momenten van het Laatste Avondmaal tegen de apostelen: “Jullie zijn rein”; maar hij voegt er meteen aan toe: “ofschoon niet allen”, verwijzend naar Judas (vgl. Joh 13,10). Dit is nog een andere aanwijzing voor het nieuwe leven waartoe hij de apostelen uitnodigt: een “rein” leven, dat wil zeggen een leven dat in harmonie is met Hem en dat in het hart van Jezus de beste manier vindt om de anderen lief te hebben. En deze oproep geldt voor iedereen, in welke situatie men zich ook bevindt. De heilige Jozefmaria begreep dit goed, en daarom schreef hij: “Als God me helpt, beloof ik jullie een boek dat ongeveer als volgt zal heten: “Celibaat, huwelijk en zuiverheid”.[11] Een zuiver hart is een bron van vruchtbaarheid voor iedereen. Hoewel de stichter van het Opus Dei dit boek nooit heeft geschreven, wilde hij hiermee duidelijk maken dat iedereen evenveel gezegend kan worden met vruchtbaarheid wanneer men de bron van zijn leven vindt in de liefde van God en in de liefde voor de anderen, in dat ‘nieuwe gebod’. Tegen de gehuwden zei hij: “Ik beschouw het huwelijksbed als een altaar”.[12] En tegen de ongehuwden: “Je verlangt naar kinderen? … Welnu, we zullen kinderen krijgen, veel kinderen, en een onuitwisbaar spoor van licht achterlaten”.[13]

Misschien kunnen we die ‘zuiverheid’ waarover de Heer spreekt beter begrijpen als we de geschiedenis van Judas met wat meer afstand bekijken. Zijn grootse plannen en ambities gingen gepaard met een wereldse instelling die hij niet wilde opgeven. Later voelde hij zich ook niet meer blij met de dertig zilverstukken die hij zelf had bedongen en uiteindelijk verafschuwde hij alles wat hij had: dat geld, het feit dat hij tot de apostelen behoorde, zelfs zijn eigen leven. Alles wat afwijkt van die zuiverheid van hart blijkt uiteindelijk een gemene misleiding te zijn die ons teleurstelt en ons verwijdert van ons ware geluk. De bekoringen van Jezus in de woestijn zijn in dit opzicht veelzeggend: ze laten zien hoe de duivel, door brood, glorie en eer te beloven, er in werkelijkheid op uit is om Jezus op een dwaalspoor te brengen en Hem ervan te weerhouden de goddelijke plannen uit te voeren. De duivel is in staat om iemand met iets goeds te verleiden, zolang hij maar afgeleid wordt van de missie die zin geeft aan zijn leven. De bekoring ligt niet zozeer in het verwerven van goederen, klein of groot, maar in het feit dat die goederen ons in hun greep houden en ons verhinderen onze beste krachten te wijden aan de dienst van God en van onze naasten.

Hoewel die ‘zuiverheid van hart’ in het diepst van de ziel wordt gevormd, uit ze zich ook naar buiten toe, vaak in kleine gebaren. In het huwelijksleven kan het van vitaal belang zijn om attent te zijn in de omgang met elkaar, verjaardagen te onthouden, de ander te verrassen door zijn of haar voorkeuren te kennen, enz. In het huwelijk van Tomás en Paquita Alvira[14] zien we bijvoorbeeld hoe “Paquita bij het kopen van kleding vaak kleuren koos die haar man mooi vond”; en omgekeerd “als ze naar de bioscoop gingen, zorgde Tomás ervoor dat hij met veel plezier naar films ging... waarvan hij wist dat zij die het leukst zou vinden”.[15] Ook iemand die het apostolisch celibaat beleeft geeft met woorden en houdingen te kennen dat hij geroepen is om bovennatuurlijk leven te geven en dat de liefde van zijn leven een naam heeft; hij leert begripvol te zijn voor iedereen, gevoelig voor de behoeften van de naasten; hij leert ook geen misleidende boodschappen uit te zenden, die een verkeerde indruk kunnen geven van zijn levensverbintenis en zijn intimiteit. “Omdat het apostolisch celibaat – zegt de Prelaat van het Opus Dei – (…) een onverdeelde overgave van het hart aan God met zich meebrengt, moet het merkbaar zijn in een manier van leven, vergelijkbaar met die van een getrouwd persoon, die zich ook niet gedraagt alsof hij geen enkele verplichting van trouw heeft tegenover zijn partner.”[16]

Christus is onze ware rijkdom

Die ‘zuiverheid’ waar Jezus tijdens het Laatste Avondmaal over spreekt, biedt ons nog een andere les. We weten dat het feit dat Judas niet rein was ten minste gedeeltelijk te wijten was aan het feit dat hij in zijn hart een ongeordende begeerte naar rijkdom had laten groeien (vgl. Joh 12,6). We weten niet hoeveel geld de twaalf apostelen hadden. Het zal geen groot fortuin zijn geweest, maar ze hadden wel genoeg om in hun eigen onderhoud te voorzien en voor de meest behoeftigen te zorgen. Toen Jezus tegen Judas zei: ‘Wat je gaat doen, doe dat snel’, dachten de anderen dat Hij hem, omdat hij de geldbuidel had, vroeg om het nodige voor het feest te kopen of iets aan de armen te geven (vgl. Joh 13,27-29).

Die ‘zuiverheid’ waartoe de Heer zijn apostelen uitnodigt, omvat ook een ordening van onze relatie tot het materiële; het is een veelzeggende herinnering eraan hoe belangrijk het is om op God te vertrouwen en dus te leven in de overtuiging dat materiële goederen er zijn om onze geestelijke missie te ondersteunen. Wanneer Jezus tweeënzeventig leerlingen uitzendt om het Koninkrijk te verkondigen, en ook op vele andere momenten, benadrukt Hij dat we ons niet moeten belasten met overbodige zaken, dat we niet zinloos moeten hamsteren en dat we ons niet op een ongeordende manier zorgen moeten maken om aardse goederen. Want het is gemakkelijk dat ons hart gehecht raakt aan die zekerheden, dat het zwakke licht van de Heilige Geest dan niet meer schijnt en plaats maakt voor de valse schittering van de hebzucht. Daarom is het niet vreemd dat we in het begin van de Kerk zien hoe de apostelen met grootmoedigheid goederen uitdeelden aan de meest behoeftigen (vgl. Hand. 4,34; 24,17; 1 Kor 16,1-4; Gal 2,10; e.a.) en altijd, of de Kerk nu rijk was of niet, heeft ze laten zien wat de essentiële bron van haar zending is: “zilver of goud heb ik niet”, zei Petrus tegen een lamme, “maar wat ik heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus de Nazoreeër: gebruik uw voeten!” (Hand 3,6).

De christen leert lief te hebben “in voorspoed en tegenspoed, in gezondheid en ziekte”: sommigen moeten passen en meten om rond te komen, anderen zoeken creatief naar manieren om hun bezittingen ten dienste van anderen te stellen. Het echtpaar Alvira zegt dat zij een waar ‘economisch wonder’ hebben verricht door al hun kinderen een opleiding te laten volgen. Toni Zweifel[17], een Zwitserse numerair van het Opus Dei, wordt ook herinnerd als iemand die een vrijgevig en sober leven leidde. Maar dat was de rijpe vrucht van een weg die begon toen hij nog een jonge professional was. Er wordt verteld dat hij, voordat hij zijn roeping als numerair ontdekte, een sportwagen had, een cadeau van zijn vader als beloning voor zijn goede studieresultaten. Toen hij het apostolisch celibaat omarmde, “maakte hij zijn vader al snel duidelijk dat hij een auto nodig had die beter bij zijn levensomstandigheden paste, en hij kreeg hem zover dat hij deze verruilde voor een auto die geschikter was voor het studentenhuis, waar hij woonde: een Saab met zeven zitplaatsen”[18], die onmisbaar bleek in het leven van iedereen daar. Kortom, hij leerde de goederen zo te gebruiken dat ze bijdroegen aan het versterken van zijn missie als apostel.

Als je moet kiezen, kies dan de zwakste

Er is een bijzonder kenmerk van de levensstijl van een apostel dat voortvloeit uit het bovenstaande. Als je weet dat je een apostel bent, leert om altijd en van iedereen te houden zoals Christus, leeft met een zuiver hart en verankerd in de goederen van God, dan kun je – net als Christus – een voorliefde voelen voor de zwaksten en meest behoeftigen. Jezus geneest immers de zieken, prijst de eenvoudigen van hart, zorgt voor de kinderen, heeft medelijden met de zondaars. Je zou kunnen zeggen dat Jezus, als Hij moet kiezen, de voorkeur geeft aan de zwaksten en de meest behoeftigen, aan degenen die zich verloren, achtergesteld en onbeschermd voelen. Wanneer de leerlingen van Johannes de Doper willen weten of hij de Messias is, laat Hij hun zeggen: “Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet: blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt” (Mt 11,4-5).

Waarom waarschuwt Jezus ons voor de mogelijkheid dat we aanstoot aan Hem nemen? Misschien omdat wij mensen vaak andere prioriteiten hebben. Het menselijk hart wordt wel eens omschreven als een ‘voorkeur- en afkeurmachine’, en dat is grotendeels waar, want we hebben de neiging om te willen wat we leuk vinden en af te wijzen wat ons stoort. Misschien trekken we van nature naar wie ons goeddoet en mijden we wie ons hindert. We willen vooraan staan en passeren daarvoor desnoods een ander. De leerlingen van de Heer daarentegen zijn geroepen om, nadat zij hun hart, hun gevoelens en hun zintuigen hebben gezuiverd, voorrang te geven aan de mensen en milieus die het meest verlangen naar het leven van Christus. Als leerling van de Heer moeten wij ons laten raken door wat voor Hem een schat is.

Pedro Ballester bijvoorbeeld merkte op dat er een achtjarig jongetje in de buurt woonde dat niemand had om mee te spelen. Hoewel hij een aantal jaren ouder was, nodigde Pedro hem uit om bij hem thuis te komen spelen. Sindsdien klopte dat jongetje regelmatig bij de familie Ballester aan. Ook wij kunnen onder de mensen om ons heen degenen ontdekken die het meest behoefte hebben aan Gods liefde, dat wil zeggen degenen die verdrietig, moe, ongewenst of afgedankt zijn vanwege hun leeftijd of ziekte. “Kind. – Zieke. – Komen jullie niet in de verleiding deze woorden met hoofdletters te schrijven? Immers, een op Hem verliefd mens ziet Hem in een kind en in een zieke.”[19]

De heilige Jozefmaria wilde dat er ook in het Werk speciale aandacht werd besteed aan de meest behoeftigen. Daarom leerde hij de jongeren om voor de armen te zorgen, kinderen catechese te geven en sociale initiatieven in zeer uiteenlopende kringen te stimuleren. Met vaderlijke zorg vroeg hij alle leden van het Opus Dei om elke dag voor de persoon van het Werk die dat het meest nodig had het Memorare-gebed van de heilige Bernardus tot de heilige Maagd Maria te bidden. Isidoro Zorzano, een van de eerste leden van het Werk, laat zien hoe zij dat tijdens de Spaanse burgeroorlog in praktijk brachten. Isidoro, die vanwege zijn Argentijnse nationaliteit vrij kon reizen, kon de leden van het Opus Dei die zich in Madrid schuilhielden bezoeken. Hij maakte er geen geheim van dat hij onder hen een favoriet had: Vicente Rodríguez Casado. Isidoro zei gewoon: “Ik zie hem vaak en hij is degene die het meest eenzaam is”.[20]

“Wat licht wil geven, moet verdragen dat het brandt”[21], zegt een hedendaagse dichter. Het innerlijke vuur van de christelijke roeping is inderdaad wat we moeten koesteren en voeden om, zoals de heilige Paulus tegen de Korintiërs zei, “een open brief van Christus” te zijn die “niet met inkt [is] geschreven, maar met de Geest van de levende God; niet op stenen tafelen, maar in de harten van levende mensen” (2 Kor 3,3). Dat vuur, zowel bij ongehuwden als bij gehuwden, en bij hen die de gave van het celibaat hebben ontvangen, wordt aangestoken door de liefde voor Christus, breidt zich uit tot andere vuurhaarden, zuivert het hart en tracht warmte te geven aan hen die dat het meest nodig hebben.


[1] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 30.

[2] Heilige Justinus, Apologie I, 15, 6-7.

[3]Guadalupe Ortiz de Landázuri (1916-1975) was een Spaanse chemicus en docent, een van de eerste vrouwen van het Opus Dei, waar ze numerair lid van was. Ze onderscheidde zich door haar toewijding aan het onderwijs en haar evangelisatiewerk in Spanje en Latijns-Amerika. Ze werd in 2019 zalig verklaard.

[4] Mgr Fernando Ocáriz, bericht van 9 april 2019.

[5] Vgl. hl. Gregorius van Nyssa, De Virginitate 2, 1, 1-11.

[6] Guadalupe Ortiz de Landázuri.

[7] Marcelo Henrique Câmara (1979-2008) was een Braziliaanse leek, advocaat en docent, bekend om zijn diepe geloof en apostolaat in het Opus Dei. Hij onderscheidde zich door zijn vreugde, zijn dienstbaarheid en zijn christelijk getuigenis in het dagelijks leven. Zijn zaligverklaring is in behandeling.

[8] Maria Zoê Bellani, Lyra Espindola, Op weg naar de heiligheid. Het leven van Marcelo Câmara. De vertaling is van ons.

[9] Arturo Álvarez Ramírez (1935-1992) was een Mexicaanse chemisch ingenieur en docent, bekend om zijn toewijding aan het onderwijs aan de Universiteit van Guadalajara gedurende meer dan dertig jaar. Hij stond bekend om zijn vriendelijkheid en beschikbaarheid voor iedereen. Zijn proces van zaligverklaring begon in 2021 in Guadalajara.

[10] Javier Galindo Michel, Het vervulde leven van Arturo Álvarez Ramírez, Mexico-Stad 2018, 71.

[11] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 120.

[12] Hl. Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst (1967).

[13] Hl. Jozefmaria, De Weg, nr. 28.

[14] Het huwelijk van Tomás Alvira (1906-1992) en Paquita Dominguez (1912-1994) was een voorbeeld van christelijk leven in huwelijk en gezin. Ze waren lid van het Opus Dei en beleefden hun geloof met vreugde, eenvoud en dienstgeest. Hun proces van zaligverklaring is geopend.

[15] Hilario Mendo, Het geheim van de Alvira’s. Een voorbeeld van huwelijksliefde. Palabra, Madrid 2023, 29.

[16] Mgr. Fernando Ocáriz, pastorale Brief van 28 oktober 2020, nr. 22.

[17] Toni Zweifel (1938-1989) was een Zwitserse ingenieur, bekend om zijn werk bij de Limmat Foundation, die zich inzet voor ontwikkelings- en onderwijsprojecten over de hele wereld. Hij stond bekend om zijn diepe geloof, zijn dienstbaarheid en zijn vertrouwen in God, ook toen hij ziek was. Zijn zaligverklaring is in gang gezet.

[18] Augustin L. Kindler. Toni Zweifel. Geheiligter Alltag. Adamas Verlag, Köln 2017

[19] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 419.

[20] José Miguel Pero-Sanz, Isidoro Zorzano, Palabra, Madrid 1996, 203.

[21] Anton Wildgans (1881–1932), Oostenrijks dichter,

Gerard Jiménez Clopés y Andrés Cárdenas Matute