Heel menselijk, heel goddelijk (XVIII): Innerlijke vrijheid, of de vreugde om te zijn wie je bent

Ons middelpunt vinden in de liefde van God … dat is alles wat onze vrijheid nodig heeft om ons unieke, gelukkige personen te maken, die niemand anders zouden willen zijn.

Jezus’ faam verspreidde zich door heel Galilea. Hij was heel anders dan de overige leraren: Hij sprak met gezag en zijn woord maakte indruk… zelfs op de duivels. Nadat Hij op verschillende plaatsen had gepreekt, ‘ging Hij naar Nazareth, waar Hij was opgegroeid’ (Lc 4,16). De heilige Lucas plaatst deze scène aan het begin van zijn openbaar leven. Het verhaal is zo compact dat het kan worden gezien als een ‘evangelie binnen het evangelie’: in een paar regels luidt het niet alleen plechtig de zending van de Heer in, maar vat het in zekere zin zijn hele leven samen.[1] Jezus gaat naar de synagoge en staat op om voor te lezen. Ze geven Hem de boekrol van de profeet Jesaja. ‘Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond: “De geest des Heren is over Mij gekomen, omdat Hij Mij gezalfd heeft. Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer”.’ Dan rolt Hij het boek weer op en gaat zitten. ‘In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd. Toen begon Hij hen toe te spreken: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan”.’ (Lc 4,17-21). Jezus geeft in niet mis te verstane bewoordingen te kennen dat Hij de Messias is, en Hij doet dat met een tekst die de gave van de vrijheid centraal stelt. Dít is wat Hij ons is komen geven. Hij is gekomen om ons te bevrijden van de slavernij en de onderdrukking van de zonde.

De vrijheid: de eerste christenen waren zich ervan bewust dat deze gave de kern van hun geloof vormde, en daarom maakte de heilige Paulus er in zijn brieven een constant thema van. Jezus bevrijdt ons van de last van zonde en dood, van het blinde lot dat op de heidense godsdiensten drukte, van de ongeordende hartstochten en van alles wat het menselijk leven op aarde ellendig maakt. Vrijheid is echter niet alleen een geschenk, maar tegelijk ook een opdracht. Zoals de apostel van de heidenen schrijft, ‘voor de vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt. Houd dus stand en laat u niet opnieuw het slavenjuk opleggen’ (Gal 5,1). We moeten dus de vrijheid beschermen, dit geschenk waarmaken en onszelf niet opnieuw uitleveren aan het gemak van een slaafs leven. De eerste christenen waren hier vurig van overtuigd; maar hoe zit het met ons? Velen van ons zijn gedoopt toen we pasgeboren baby's waren. Wat kunnen de woorden van Jesaja die door de Heer in Nazareth werden geciteerd voor ons betekenen? En hoe zit het met de oproep om zonder onderwerping in vrijheid te leven, waar sint Paulus het over heeft?

Als het alleen om keuzevrijheid zou gaan

We denken vaak dat de vrijheid niet meer is dan een toestand, een eenvoudige kwaliteit van onze handelingen: ik handel vrij als ik kan doen wat ik wil, zonder dat iemand me dwingt of tegenhoudt. Het is de ervaring van vrijheid die we hebben als we zelf kunnen kiezen. Geconfronteerd met een vraag als bijvoorbeeld: ‘wil je chocoladetaart of fruit?’, lijkt iemand die kan kiezen wat hij wil en kiest wat hij het liefst heeft vrij. Een diabeet daarentegen is verplicht om fruit te vragen. In deze zin is degene die kan kiezen vrijer: hij heeft meer alternatieven en minder elementen die hem in één richting sturen. Daarom geeft het hebben van geld een groot gevoel van vrijheid: het opent veel mogelijkheden die iemand zonder geld niet heeft. Ook zonder verplichtingen krijg je een groot gevoel van vrijheid, omdat jouw beslissingen ogenschijnlijk door niets worden voorgeschreven of beperkt.

Natuurlijk maakt de afwezigheid van dwang deel uit van de voorwaarde om vrij te zijn, maar vrijheid houdt veel meer in. In feite hebben sommige figuren uit de geschiedenis die een voorbeeld van vrijheid zijn achter tralies geleefd. Het voorbeeld van Thomas More in de Tower of London is exemplarisch. Vanuit het oogpunt van keuzevrijheid was hij helemaal niet vrij; en toch... Hetzelfde geldt voor recentere figuren, of voor de eerste martelaren. Elke vorm van vervolging is een poging om de vrijheid te vernietigen. Daarom zegt Jezus: ‘Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden, maar niet de ziel’. (Mt 10,28). De vrijheid is niet alleen maar een toestand, keuzevrijheid in ons handelen, maar het vermogen om in ons binnenste beslissingen te nemen – of te bepalen hoe we willen handelen –, onafhankelijk van de omstandigheden waarin we ons bevinden.

Van de andere kant is de vrijheid die we in onze persoonlijke keuzes ervaren vaak behoorlijk beperkt. Als we denken aan mensen die de geschiedenis zijn ingegaan vanwege de manier waarop ze hun vrijheid hebben geleefd, dan zijn het niet hun keuzes die er het meest uitspringen. We kunnen aan drie of vier personen denken – voor iedereen bekend of gewoon alleen voor ons – die we als modellen van vrijheid zien. Wat valt er op in hun leven? Wat maakt hen tot voorbeelden voor ons? We bewonderen ze vast niet omdat ze altijd hun favoriete eten kunnen kiezen, of omdat ze nooit gaan trouwen om van partner te kunnen veranderen wanneer ze daar zin in hebben. Het zijn eerder mensen die zich hebben bevrijd van alles wat hen zou kunnen binden, om zich volledig te geven aan iets (een waardig doel) of iemand; om hun hele leven te geven. En ze zijn voorbeelden van vrijheid, juist omdat ze die toewijding tot het einde toe volhouden. Als Thomas More tegen zijn geweten in trouw had gezworen aan Hendrik VIII, zelfs als hij dat uit vrije wil had gedaan, zou hij niet op deze manier de geschiedenis in zijn gegaan. Als de heilige Paulus, in plaats van zich ervoor in te zetten Christus zo bekend te maken dat hij zijn leven voor Hem opofferde, had besloten zijn roeping op te geven en zich weer als tentenmaker te vestigen, zelfs als hij dat uit vrije wil had gedaan, zou hij ons niet als een model van vrijheid voorkomen. Om de vrijheid ten diepste te begrijpen, is het dus nodig om verder te kijken dan alleen naar het eenvoudige vermogen om te kiezen.

Een schat om ons leven voor te geven

Het Evangelie spreekt ons over een ervaring van vrijheid die er juist in bestaat af te zien van elke mogelijkheid om te kiezen: ‘Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat, verborgen in een akker. Toen iemand hem vond, verborg hij hem weer, en in zijn blijdschap ging hij alles te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker. Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een koopman, op zoek naar mooie parels. Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar’ (Mt 13,44-46). De personages in deze korte parabels geven alles op voor iets wat de moeite loont. Ze kiezen niet, maar zetten zich volledig voor iets in en ze vinden niet dat ze hun vrijheid vergooien, maar dat ze er het beste mee doen wat ze kunnen. In feite is dit de ervaring van iedereen die verliefd is. Een jongen die verliefd is vindt het niet erg om niet met andere meisjes uit te kunnen gaan: hij heeft alles gegeven voor degene van wie hij houdt; hij wil alleen maar van haar houden en elke dag verliefder op haar worden. En hij heeft niet het gevoel dat hij op deze manier zijn vrijheid vergooit: integendeel, hij begrijpt dat hij niets beters met zijn vrijheid kan doen dan van die persoon, die schat, die kostbare parel, te houden.

Deze overweging alleen al stelt ons in staat te beseffen dat de keuzevrijheid, hoewel het een dimensie van de vrijheid is, te maken heeft met een andere, diepere dimensie: die van het vermogen om van iets (of iemand) te houden. Deze andere dimensie zouden we de vrijheid om ons te binden – verbindingsvrijheid – kunnen noemen. Het is de vrijheid die we in praktijk brengen als we liefhebben en die ons in staat stelt te begrijpen dat ‘vrijheid en zelfgave elkaar niet tegenspreken; zij ondersteunen elkaar wederzijds’.[2] Door je hele leven te geven, verlies je je vrijheid niet, maar beleef je haar met een grotere intensiteit: ‘Als men zich vrijwillig geeft, zal op dat moment, in die dienstbaarheid, de liefde door de vrijheid vernieuwd worden. En zichzelf vernieuwen, dat is voortdurend jong en edelmoedig zijn, bereid tot grote idealen en grote offers’.[3] Als we na een drukke dag aan het eind van de dag nog maar weinig vrije tijd hebben en we ons realiseren dat we nog geen tijd aan ons gebed hebben besteed en als we dan besluiten te gaan bidden in plaats van uit te rusten en naar het journaal te kijken, gebruiken we onze vrijheid op een manier die onze overgave ondersteunt; de sleutel die deze keuze zonder tweestrijd oplost ligt, nogmaals, in de liefde. Net zo handelt een moeder helemaal uit vrije wil, wanneer ze uit liefde voor een ziek kind zorgt dat haar plannen verandert; en die overgave geeft haar een vreugde die ze niet zou krijgen als ze zou doen waar ze zin in heeft of wat haar op dat moment beter uitkomt.

Maar we kunnen nog een stap verder gaan. Wanneer we iets (of iemand) met ons hele leven omarmen, dan verandert die liefde ons in de zin dat we steeds meer ‘onszelf’ worden: een unieke persoon, met een naam en achternaam. Neem bijvoorbeeld Moeder Teresa van Calcutta. Stel je eens voor dat ze een vakantiehuis aangeboden had gekregen om haar laatste levensjaren in alle rust door te brengen, en een NGO om te zorgen voor de armen om wie ze zich bekommerde. Wat zou ze geantwoord hebben? De vrijheid waarmee ze haar leven leefde bestond er niet in dat ze alles kon achterlaten en vredig kon gaan uitrusten, maar juist dat ze een groot goed – Christus, aanwezig in de allerarmsten – met heel haar leven omarmde en zich op haar beurt ontdeed van alles wat dat ideaal in de weg stond.

In feite zouden we gemakkelijk soortgelijke voorbeelden kunnen vinden in het leven van veel andere heiligen. Wat hen bewoog was het verlangen om trouw te zijn aan de Liefde waaraan ze alles hadden gegeven; om gehoor te geven aan de oproep die hen midden in de wereld had gezonden, met een missie die hun leven vorm gaf. We kunnen ons bijvoorbeeld herinneren wat onze Vader in 1932 schreef: ‘Twee wegen dienen zich aan: dat ik ga studeren, hoogleraar en geleerd word. Dit alles zou ik graag willen en ik zie het als haalbaar. Ten tweede: dat ik mijn ambitie, en zelfs het nobele verlangen naar kennis, opgeef en er tevreden mee ben onopvallend te zijn, niet onwetend. Mijn weg is het tweede: God wil dat ik heilig ben en Hij wil mij voor zijn Werk.’[4] Dit is wat we innerlijke vrijheid kunnen noemen: de bron die maakt dat mijn daden niet beantwoorden aan de grillen van een moment, noch aan externe voorschriften, zelfs niet aan de nuchtere objectieve waarde van de dingen, maar aan die verborgen schat waarvoor ik alles heb gegeven: de Liefde die mij is komen zoeken en mij oproept Hem te volgen. Vanuit die oproep, veel beter dan vanuit een reeks uiterlijke verplichtingen, kunnen de dwaasheden van de heiligen begrepen worden.

Natuurlijk betekent met innerlijke vrijheid handelen niet dat er geen dingen zijn die ons moeite kosten. Op het niveau van ons gewone leven heeft de Vader ons vaak herinnerd aan iets wat de heilige Jozefmaria geregeld zei: ‘het is verkeerd om te denken dat alleen het werk dat we graag doen met vreugde gedaan kan worden’.[5] Om deze zin te verduidelijken heeft hij geschreven: ‘Als we de dingen waar we niet van houden en die ons moeite kosten uit liefde en met liefde doen, en daarom uit vrije wil, dan kunnen we ze met vreugde en zonder tegenzin doen.’[6] We doen het in volle vrijheid, omdat we begrijpen dat het een antwoord is op de liefde die we in ons hart dragen. Met andere woorden, misschien heb ik er vandaag niet veel zin in, misschien begrijp ik niet helemaal waarom ik juist dit moet doen... maar ik doe het omdat ik weet dat het deel uitmaakt van de liefde die ik met mijn leven heb omarmd, en in die mate ben ik in staat om ervan te houden. Als ik op deze manier handel, doe ik het niet automatisch of gewoon omdat ‘het gedaan moet worden’, maar ‘uit en met liefde’, met echte vrijwilligheid. Op den duur zal wat ik nu met tegenzin doe, maar bewogen door de liefde voor degene aan wie ik mijn leven heb gegeven, zijn diepste betekenis krijgen. ‘De eigen roeping opvatten als een geschenk van God – en niet alleen als een geheel van verplichtingen – zelfs wanneer wij lijden, is ook een uiting van vrijheid van geest.’[7]

De vrijheid als antwoord

Een belangrijk deel van de huidige cultuur kan in haar opvatting van wat vrijheid is vaak niet méér zien dan de mogelijkheid om op elk moment zonder dwang of verplichting te kunnen kiezen: als men niet kan kiezen, lijkt het dat men niet meer vrij is. Het is echter een feit dat kiezen voor het ene vaak betekent dat je afstand doet van het andere; dat iets willen niet noodzakelijkerwijs betekent iets kunnen, en dat wat ons een solide plan lijkt gemakkelijk schipbreuk kan lijden. De christelijke antropologie heeft een veel harmonieuzere en serenere relatie met de vrijheid, omdat zij vrijheid als een gave en een roeping ziet. We zijn ‘geroepen tot vrijheid’ (Gal 5,13); en niet tot een vage of betekenisloze vrijheid, maar tot ‘de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods’ (Rom 8, 1). Het is de waarheid van ons goddelijk kindschap die ons vrij maakt (vgl. Joh 8, 1-32). Daarom is onze vrijheid geen spontane activiteit, die opkomt zonder dat we weten waar ze vandaan komt en waar ze heen voert. Onze vrijheid is in haar diepste dimensie een antwoord op de Liefde die ons voorafgaat. Daarom kon de heilige Jozefmaria het innerlijk leven, in wat het aan strijd kent, beschrijven als handelen ‘omdat we er zin in hebben (...) aan de genade van de Heer te beantwoorden’.[8] We omarmen uit vrije wil degene die ‘ons het eerst heeft liefgehad’ (vgl. 1 Joh 4,19) en we proberen met al onze krachten aan die liefde te beantwoorden. Dit lijkt misschien wat abstract, maar het heeft in werkelijkheid heel concrete gevolgen. Als we bijvoorbeeld geconfronteerd worden met de verschillende keuzes die we elke dag maken, kunnen we ons afvragen: ‘waarvoor is dit wat ik nu ga doen goed?’ Is het in overeenstemming met de liefde van God, met mijn conditie als zijn kind?

Aan de andere kant, als we de vrijheid beleven als een antwoord, ontdekken we dat er geen krachtiger motor in ons leven is dan het levend houden van de herinnering aan de Liefde die ons roept. Dit geldt ook op menselijk niveau: er is geen grotere kracht, voor geen enkele persoon, dan het besef geliefd te zijn. Zoals de bruid die weet dat haar beminde op haar rekent: ‘Hoor, daar is mijn lief! Kijk, daar komt hij aan: springend komt hij over de bergen, over de heuvels komt hij aangesneld. (…) Daar staat hij achter de muur van ons huis. Hij ziet door het venster, en kijkt door de tralies naar binnen. (…) Sta op, mijn liefste, kom toch, mijn schoonste. Kijk maar, de winter is heen, de regentijd voorgoed voorbij.’ (Hoogl 2,8-11). Wie zich zo door God bemind weet, en geroepen om de hele wereld met zijn Liefde in vuur en vlam te zetten, is bereid tot alles wat nodig is. Alles lijkt hem weinig in vergelijking met wat hij heeft ontvangen; het is overduidelijk voor hem: ‘Wat is een leven weinig, om het God aan te bieden!’.[9] ‘Te weten dat God ons verwacht in iedere persoon (vgl. Mt 25,40) en dat Hij ook door ons in het leven van ieder van hen wil komen, zet ons ertoe aan met gulle hand te willen geven wat wij hebben ontvangen. Mijn dochters en zonen, wij hebben in ons leven veel liefde ontvangen en die blijven we ontvangen! De daad die het meest eigen is aan de vrijheid is deze liefde aan God en aan de anderen te geven.’[10]

Er bestaat geen vrees of extern gebod dat een hart zo kan bewegen als de kracht van de vrijheid die zich identificeert met Gods Liefde, tot in de kleinste details. Sint Paulus zei het met de overtuiging van iemand die het ten diepste heeft beleefd: ‘Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer’. (Rom8,38-39). Opdat de Liefde van God deze kracht in ons kan bewerken, moeten we natuurlijk een steeds diepere intimiteit met Hem verwerven, op de eerste plaats in ons gebed. Daar leren we door de beschouwing van de Heer de weg van de vrijheid en daar openen we ook ons hart voor de omvormende werking van de Heilige Geest.

Dat de ware vrijheid de vorm aanneemt van een antwoord, van een overtuigd ‘ja’, heeft ook te maken met een deel van de menselijke erfenis die de heilige Jozefmaria zijn kinderen wilde nalaten: het goede humeur.[11] Het is niet zomaar een persoonlijkheidskenmerk, maar een authentieke kracht – virtus – van de vrijheid. Als het leven van de christenen gebaseerd zou zijn op een ethische beslissing, op de strijd om een hoogstaand idee te verwezenlijken, zouden ze bijna allemaal eindigen met een vorm van vermoeidheid, ontmoediging of frustratie. Niet allemaal, want er zijn sterkere temperamenten, die zelfs gestimuleerd worden door tegen de stroom in te moeten zwemmen, maar wel bijna allemaal. De situatie is echter heel anders als het christelijk leven zijn oorsprong vindt in de ontmoeting met een Persoon die is gekomen om ons te zoeken.[12] Deze oorsprong is de bron die ons steunt wanneer we het doel nastreven met al onze krachten, hoe gering ze ons ook lijken: ‘Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt! Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus’ (Fil 3,12). Hij is het die ons heeft gegrepen, die ons gezocht heeft, die in ons geloofd heeft. Als we onze kleinheid, onze ellende, de leem waarvan we gemaakt zijn voelen, zal ons antwoord dus nederig maar ook met humor zijn: we zien ‘vooral ook de positieve en dikwijls grappige kant van de dingen en situaties’.[13] Natuurlijk zijn we van leem gemaakt; en als we ooit geprobeerd hebben te vliegen, dan is dat niet omdat we dat uit het oog verloren hebben, maar omdat er Iemand is die ons beter kent dan wijzelf en die ons uitnodigt om die stap te zetten.

De dialoog tussen de profeet Jeremia en de Heer (Jer 1,5-8) is erg mooi, en erg grappig. Weinig profeten hebben zoveel geleden als hij om het woord van God aan zijn volk te verkondigen. Het initiatief lag bij God: ‘Voordat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit; voordat ge geboren werd, bestemde Ik u voor Mij; als profeet voor de volken heb Ik u aangewezen.’ Jeremia van zijn kant lijkt alleen zijn eigen ontoereikendheid te zien: ‘Ik zei: ach Jahweh, mijn Heer, ik kan niet spreken; ik ben veel te jong!’ Maar God geeft niet op: ‘Zeg niet: ik ben veel te jong! Naar iedereen tot wie Ik u zend, moet gij gaan en alles wat Ik u opdraag, moet ge hun zeggen’. Hoe zal de profeet dat kunnen doen? Waarop steunt zijn zekerheid? De opdracht die hij heeft ontvangen? Veel meer dan dat: ‘Wees niet bang voor hen, want Ik ben bij u om u te redden’. De grootste vijand van onze vrijheid zijn wij soms zelf, vooral als we het ware fundament van ons bestaan uit het oog verliezen.

Uiteindelijk is het verbazingwekkende niet dat we van leem en dus zwak zijn en vallen, maar dat we, terwijl we zwak zijn, steeds weer opstaan; dat er nog steeds ruimte in ons hart is om Gods dromen te dromen. Hij weet dat we vrij zijn en dat we van leem zijn. Het is een kwestie van meer naar Hem kijken en minder naar ons onvermogen. Intimiteit met God, vertrouwen in Hem: dat is de bron van onze kracht en de lichtheid van het bestaan die nodig zijn om midden in de wereld te leven als kinderen van God. ’Er is een schrijver die gezegd heeft dat engelen kunnen vliegen omdat ze zichzelf niet al te serieus nemen. En misschien zouden wij ook wat meer kunnen vliegen als we onszelf niet zo serieus zouden nemen.’[14]


[1] Vgl. J.M. Casciaro, ‘De Heilige Geest in de synoptische evangelies’, in: De Heilige Geest en de Kerk, Eunsa, Pamplona 1999.

[2] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 31.

[3] Ibid.

[4] Heilige Jozefmaria, kritisch-historische uitgave van De Weg, nr. 678.

[5] Heilige Jozefmaria, Brief 13, nr. 106.

[6] Mgr. F. Ocáriz, Pastorale brief, 9-1-2018, nr. 6.

[7] Ibid., nr. 7.

[8] Heilige Jozefmaria, Brief 2, nr. 45.

[9] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 420.

[10] Mgr. F. Ocáriz, pastorale Brief, 9-1-2018, nr. 4.

[11] Vgl. Heilige Jozefmaria, Brief 24, nr. 22.

[12] Vgl. Benedictus XVI, Encycliek Deus caritas est, nr. 1.

[13] Mgr. F. Ocáriz, Pastorale Brief, 9-1-2018, nr. 6.

[14] Benedictus XVI, interview in Castelgandolfo¸5-8-2006.

Lucas Buch – Carlos Ayxelà