Thema 30: Het Vierde Gebod, het Gezin

Het vierde gebod vormt een verbindingspunt tussen de eerste drie en de daaropvolgende zes: gezinsrelaties openbaren de mysterieuze wederzijdse doordringing van goddelijke en menselijke liefde die aan de oorsprong van iedere persoon ligt. Ouders hebben de verantwoordelijkheid om een thuis te creëren, een gezinsruimte waarin liefde, vergeving, respect, trouw en belangeloze dienstbaarheid beleefd kunnen worden.

Plaats van het vierde gebod in de Decaloog

In de traditionele formulering van de Decaloog die wij gebruiken (vgl. Catechismus, 2066), verwijzen de eerste drie geboden meer rechtstreeks naar de liefde tot God en de andere zeven naar de liefde tot de naaste (vgl. Catechismus, 2067). In feite vatten het hoogste gebod om God lief te hebben en het tweede, daaraan gelijk, om de naaste lief te hebben omwille van God, alle geboden van de Decaloog samen (vgl. Mat. 22, 36-40; Catechismus, 2196).

Het is dan ook geen toeval dat het vierde gebod precies op deze plaats staat, als een punt van verbinding en overgang tussen de drie voorafgaande en de zes daaropvolgende geboden.

Gezinsrelaties (en op radicale wijze het vaderschap/moederschap/kind-zijn) openbaren de mysterieuze wederzijdse doordringing van goddelijke en menselijke liefde die aan de oorsprong van iedere persoon ligt. Daarom neemt de liefde voor de ouders – en de gezinsgemeenschap die daaruit voortkomt (vgl. Catechismus, 2205) – op een bijzondere wijze deel aan Gods liefde.

Op haar beurt heeft de liefde tot de naaste “als zichzelf” een bijzondere vanzelfsprekendheid binnen het gezin. Elk gezinslid deelt op een bepaalde manier in de identiteit van de anderen, in hun persoonlijk bestaan: de anderen in ons gezin zijn in een werkelijke zin “van onszelf”. Daarom is het gezin de oorspronkelijke plaats waar iedere persoon onvoorwaardelijk wordt ontvangen en bemind: niet om wat hij of zij heeft, kan geven of bereiken, maar om wie hij of zij is.

Persoonlijke en sociale betekenis van het gezin

Hoewel het vierde gebod gericht is tot kinderen in hun relatie met hun ouders, strekt het zich ook uit, in verschillende vormen, tot verwantschapsrelaties met andere leden van de familiekring en tot het gedrag tegenover ouderen en gezagsdragers op elk terrein. Ten slotte houdt het ook de plichten in en verwijst het naar de verantwoordelijkheden van ouders en van hen die gezag uitoefenen over anderen (vgl. Catechismus, 2199).

“Het vierde gebod werpt ook een licht op de andere verhoudingen in de samenleving. In onze broers en zussen zien wij de kinderen van onze ouders; in onze neven en nichten de afstammelingen van onze voorouders; in onze medeburgers de zonen en dochters van ons vaderland; in de gedoopten de kinderen van onze moeder de Kerk; in ieder mens een zoon of dochter van Hem die "Onze Vader" genoemd wil worden. Zo zien wij in dat onze relaties met onze medemens beleefd kunnen worden als persoonlijke relaties. Onze medemens is geen "individu" in de grote massa; hij is "iemand" die bijzondere aandacht en respect verdient, omdat we zijn oorsprong kennen.” (Catechismus, 2212).

Zoals het leergezag van de Kerk herhaaldelijk heeft benadrukt, is “het gezinsleven de inleiding in het sociale leven” (vgl. Catechismus, 2207). Als de natuurlijke omgeving voor de opvoeding van de persoon tot liefde is het gezin het meest doeltreffende instrument om de samenleving menselijker te maken en de wereld op te bouwen. [1] Gezinnen “moeten zo leven dat hun leden leren zorg te dragen en verantwoordelijkheid op te nemen voor jongeren en ouderen, voor zieken, gehandicapten en armen” (Catechismus, 2208).

Van haar kant heeft de samenleving de zware plicht het huwelijk en het daarop gegronde gezin te ondersteunen en te versterken, door de authentieke aard ervan te erkennen, het welslagen ervan te bevorderen en de openbare zedelijkheid te waarborgen (vgl. Catechismus, 2210). [2]

Plichten van kinderen en ouders

De Heilige Familie is een model dat met bijzondere helderheid de kenmerken laat zien die God voor elk gezin heeft gewild: liefde en dienstbaarheid; opvoeding en vrijheid; gehoorzaamheid en gezag; enzovoort.

a) Kinderen moeten hun ouders respecteren en eren, trachten hun vreugde te schenken, voor hen bidden en trouw beantwoorden aan hun liefde en zorg en aan de offers die zij voor hen brengen. Deze plichten behoren voor hen een “aller zoetst gebod” te zijn.

Het Goddelijk vaderschap, de bron van het menselijk vaderschap (vgl. Ef. 3, 14-15), vormt het fundament van de eer die aan ouders verschuldigd is (vgl. Catechismus, 2214). “Het respect voor de ouders (de kinderlijke piëteit) is gebaseerd op de erkentelijkheid voor hen die door de gave van het leven, door hun liefde en hun werk, de kinderen ter wereld gebracht hebben en hun de kans gegeven hebben om te groeien in gestalte, in wijsheid en genade. ‘Eer uw vader met heel uw hart en vergeet de barensweeën van uw moeder niet. Bedenk dat gij uw leven aan hen te danken hebt! En wat kunt gij teruggeven van wat zij u gegeven hebben?’ (Sir. 7, 27-28)” (Catechismus, 2215).

Kinderlijke eerbied komt tot uitdrukking in volgzaamheid en gehoorzaamheid. “Kinderen, weest uw ouders in alles gehoorzaam, want dit is de Heer welgevallig” (Kol. 3, 20). Zolang zij onder het gezag van hun ouders staan, moeten kinderen hun ouders gehoorzamen in alles wat zij aanwijzen voor hun eigen welzijn en dat van het gezin. Deze verplichting houdt op wanneer kinderen het ouderlijk huis verlaten, maar het respect dat zij hun ouders verschuldigd zijn, houdt nooit op (vgl. Catechismus, 2216-2217).

Natuurlijk geldt dat wanneer ouders iets zouden bevelen dat in strijd is met de wet van God, kinderen de wil van God boven de wensen van hun ouders moeten stellen: “men moet God meer gehoorzamen dan de mensen” (Hand. 5, 29).

“Het vierde gebod herinnert de volwassen geworden kinderen aan hun verantwoordelijkheid tegenover hun ouders. In de mate van het mogelijke moeten zij hen materiële en morele hulp bieden, wanneer ze op leeftijd gekomen zijn en in periodes van ziekte, eenzaamheid of moedeloosheid.” (Catechismus, 2218).

De gezinssituatie is niet altijd ideaal. Ook hier laat Gods voorzienigheid moeilijke, pijnlijke of op het eerste gezicht minder dan ideale gezinssituaties toe: eenoudergezinnen, scheidingen, geweld of een gebrek aan liefde, enzovoort. Het kan helpen te bedenken dat het vierde gebod “niet spreekt over de goedheid van de ouders; het vraagt niet dat vaders en moeders volmaakt zijn. Het spreekt over een daad van het kind, los van de verdiensten van de ouders, en zegt iets buitengewoons en bevrijdends: zelfs als niet alle ouders goed zijn en niet elke jeugd sereen is, kunnen alle kinderen gelukkig zijn, want het bereiken van een vol en gelukkig leven hangt af van de juiste erkenning van hen die ons in het leven hebben gebracht (…) Veel heiligen en talloze Christenen hebben na een pijnlijke jeugd een stralend leven geleid, omdat zij zich dankzij Christus met het leven hebben verzoend” (Paus Franciscus, Algemene Audiëntie, 19 september 2018).

In deze situaties, en altijd, dienen kinderen het oordeel over hun ouders en het veroordelen van hen te vermijden. Integendeel, naarmate zij volwassen worden, zouden zij moeten leren vergeven en begrip opbrengen, zonder de werkelijkheid van wat zij hebben meegemaakt te ontkennen, maar door te proberen die te beschouwen en te beoordelen vanuit Gods perspectief, zowel met betrekking tot hun ouders als tot hun eigen leven.

b) Van hun kant dienen ouders de kinderen die God hun toevertrouwt met dankbaarheid te ontvangen, als een grote zegen en een teken van vertrouwen. Naast de zorg voor hun materiële behoeften dragen zij een ernstige verantwoordelijkheid om hun een rechte menselijke en christelijke opvoeding te geven. De rol van ouders in de vorming van hun kinderen is zo belangrijk dat, wanneer zij ontbreekt, dit nauwelijks te compenseren is. [3] Het recht en de plicht om hun kinderen op te voeden zijn voor ouders primair en onvervreemdbaar. [4]

Ouders hebben de verantwoordelijkheid een thuis te creëren, een gezinsruimte waarin liefde, vergeving, respect, trouw en belangeloze dienstbaarheid kunnen worden beleefd. Zo’n thuis is de meest geschikte en natuurlijke omgeving voor de vorming van kinderen – en van allen die er deel van uitmaken – in deugden en waarden.

Daar moeten zij, door voorbeeld en woord, de kinderen leren zichzelf te kennen; vrij en edelmoedig te leven, met vreugde en oprechtheid; eerlijk te zijn; open te staan voor dialoog met iedereen; met een diepgang die past bij hun leeftijd de waarheden van het geloof te aanvaarden; binnen te treden in een eenvoudig en persoonlijk leven van vroomheid; op een natuurlijke wijze, en telkens opnieuw wanneer dat nodig is, te streven naar een dagelijks handelen dat overeenstemt met hun staat als kinderen van God; te leven met een besef van persoonlijke roeping; enzovoort.

Bij hun inzet voor hun opvoedkundige zending moeten ouders ervan overtuigd zijn dat zij, aangezien zij hun eigen roeping vervullen, kunnen rekenen op Gods genade. Gezien de objectieve moeilijkheid van deze taak zal het voor hen een grote steun zijn om in geloof te weten dat, hoe belangrijk en noodzakelijk de verschillende menselijke middelen ook zijn, de bovennatuurlijke middelen altijd voorrang moeten krijgen.

Ouders moeten ernaar streven een groot respect en een diepe liefde te hebben voor de eigenheid van hun kinderen en voor hun vrijheid, en hen te leren die vrijheid goed en verantwoordelijk te gebruiken. [5] Ook hier, zoals in zovele andere aspecten van de gezinsopvoeding, is het voorbeeld van hun eigen gedrag van fundamenteel belang en bijzonder vruchtbaar.

In de omgang met hun kinderen moeten zij leren genegenheid en standvastigheid, waakzaamheid en geduld te combineren. Het is belangrijk dat zij goede vrienden van hun kinderen worden en hun vertrouwen winnen, wat essentieel is om hen doeltreffend op te voeden. Daarvoor is het nodig tijd met hen door te brengen: samen plezier te maken, te luisteren, belangstelling te tonen voor hun zorgen, enzovoort.

Als onderdeel van de standvastigheid in de liefde die hun taak vereist, moeten zij ook weten hoe zij, wanneer dat nodig is, kunnen corrigeren, want: “Ieder kind wordt wel eens door zijn vader gestraft.” (Hebr. 12,7). Maar dit dient te gebeuren met de nodige matiging, rekening houdend met het advies van de apostel: “Vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij de moed niet verliezen.” (Kol. 3,21)

Ouders mogen hier nooit afstand doen van hun verantwoordelijkheid door de opvoeding van hun kinderen over te laten aan andere personen of instellingen, ook al kunnen zij – en moeten zij soms – rekenen op de hulp van hen die hun vertrouwen waardig zijn (vgl. Catechismus, 2222–2226).

“Omdat de ouders de eerste verantwoordelijken zijn voor de opvoeding van hun kinderen hebben ze ook het recht, voor hen een school te kiezen die beantwoordt aan hun eigen overtuiging. Dit is een fundamenteel recht. De ouders hebben als plicht – voor zover mogelijk – díe scholen te kiezen die hen optimaal bijstaan in hun taak als Christelijke opvoeders (vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Gravissimum Educationes, 6). De overheid heeft de plicht dit recht van de ouders te waarborgen en de nodige voorwaarden voor de uitoefening ervan te verzekeren.” (Catechismus, 2229)

Anderzijds is het vanzelfsprekend dat het Christelijke opvoedingsklimaat van een gezin zeer gunstige voorwaarden biedt voor het ontstaan van roepingen tot zelfgave aan God in de Kerk, ook als een voortzetting en vrucht van al het zaaien dat de ouders, met Gods genade, gedurende zoveel jaren hebben verricht.

In deze en alle andere gevallen mogen zij niet vergeten: “Ook al zijn de familiebanden belangrijk, ze zijn niet absoluut. Zoals het kind opgroeit tot volwassenheid en tot menselijke en geestelijke zelfstandigheid, zo wordt ook zijn persoonlijke roeping, die haar oorsprong vindt in God, steeds duidelijker en krachtiger. De ouders zullen deze roeping eerbiedigen en hun kinderen aansporen om er positief op in te gaan. Men moet ervan overtuigd zijn dat de eerste roeping van de Christen erin bestaat om Jezus te volgen (vgl. Mat. 16,25): ‘Wie zijn vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij is Mij niet waardig’ (Mat. 10, 37)” (Catechismus, 2232).

De goddelijke roeping van een zoon of dochter is een grote gave van God aan een gezin. Ouders moeten proberen het mysterie van deze roep te respecteren en te ondersteunen, ook wanneer zij die niet volledig begrijpen of het moeilijk vinden de gevolgen te aanvaarden die zij kennen of aanvoelen. De juiste houding ten aanzien van de roeping van de kinderen wordt vóór alles gekweekt en versterkt in het gebed. Daar rijpt het vertrouwen in God, dat het mogelijk maakt de neiging tot bescherming te matigen en haar excessen te vermijden, en worden de realistische houdingen van geloof en hoop versterkt die het best kunnen helpen om de kinderen te begeleiden in hun onderscheiding of in hun beslissingen.

Andere plichten van het vierde gebod

a)Ten opzichte van hen die de Kerk besturen. De gelovigen moeten een “echte eerbiedige geest jegens de Kerk” hebben (Catechismus, 2040). Deze gezindheid moet tot uitdrukking komen tegenover hen die de Kerk besturen.

“Gelijk alle gelovigen, moeten de leken de bepalingen die de herders, de vertegenwoordigers van Christus, geven als leraars en bestuurders in de Kerk, bereidwillig en in Christelijke gehoorzaamheid aanvaarden, daarbij het voorbeeld volgend van Christus, die, door zijn gehoorzaamheid tot de dood, de gelukkige weg van de vrijheid der kinderen Gods voor alle mensen heeft geopend. Zij mogen niet nalaten, hun leiders aan God aan te bevelen in hun gebed, want zij zijn het, die over ons waken, wetend, dat zij rekenschap moeten afleggen; dan zullen zij dit met vreugde doen en niet onder zuchten. (Vgl. Heb. 13,17).” [7]

Deze kinderlijke gezindheid komt vooral tot uiting in een trouwe gehechtheid en eenheid met de Paus, het zichtbare hoofd van de Kerk en plaatsvervanger van Christus op aarde, en met de bisschoppen die in gemeenschap staan met de Heilige Stoel: “De liefde tot de romeinse opperherder moet een zoete hartstocht in ons zijn, omdat wij in hem Christus zien. Als wij met de Heer omgaan in het gebed, zullen wij met onbelemmerde blik onze weg gaan, waardoor wij, ook in gebeurtenissen die wij soms niet begrijpen of die ons verdriet of smart berokkenen, in staat zijn de inwerking van de Heilige Geest te onderscheiden.” [8]

b) Met betrekking tot het burgerlijk gezag. “Het vierde gebod gebiedt ons ook om al diegenen te eerbiedigen die door God, tot ons welzijn in de samenleving, met gezag bekleed zijn. Het verduidelijkt de plichten van degenen die gezag uitoefenen en van degenen aan wie dit ten goede komt.” (Catechismus, 2234), [9] steeds met het oog op het algemeen welzijn.

Tot de plichten van burgers behoren (vgl. Catechismus, 2238-2243):

- het respecteren van rechtvaardige wetten en het opvolgen van de legitieme bevelen van degenen die gezag uitoefenen (vgl. 1 Petr. 2,13);

- het uitoefenen van iemands rechten en het vervullen van zijn of haar plichten als burger;

- het verantwoord deelnemen aan het sociale en politieke leven.

“De burger is in geweten verplicht om de voorschriften van de burgerlijke overheid niet te volgen, wanneer deze zouden ingaan tegen de eisen van de zedelijke orde, tegen de fundamentele rechten van de menselijke persoon of tegen de leer van het Evangelie. Het weigeren van gehoorzaamheid aan de burgerlijke overheid, wanneer haar eisen ingaan tegen de voorschriften van het juiste geweten, wordt gerechtvaardigd door het onderscheid tussen de dienst aan God en het dienen van de politieke gemeenschap. "Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat aan God toekomt" (Mat. 22, 21). "Men moet aan God meer gehoorzamen dan aan de mensen" (Hand. 5, 29).” (Catechismus, 2242).

c) Plichten van de burgerlijke overheid. Zij die enig gezag uitoefenen, moeten dit doen als een dienst en zich ervan bewust zijn dat elke uitoefening van macht moreel bepaald is. Niemand mag doen, bevelen of instellen wat in strijd is met de waardigheid van de persoon (in de eerste plaats van degene die handelt), met de natuurwet en met het algemeen welzijn (vgl. Catechismus, 2235).

De uitoefening van het gezag moet een rechtvaardige hiërarchie van waarden tot uitdrukking brengen, zodat zij de uitoefening van vrijheid en verantwoordelijkheid voor alle mannen en vrouwen bevordert. Wie regeert, moet met wijsheid streven naar verdelende rechtvaardigheid, rekening houdend met de noden en de bijdrage van ieder, en eensgezindheid en sociale vrede bevorderen; zij moeten er bovendien over waken geen maatregelen te nemen die leiden tot de verleiding om persoonlijke belangen tegenover die van de gemeenschap te stellen (vgl. Catechismus, 2236).

“De politieke overheid moet de fundamentele rechten van de menselijke persoon eerbiedigen. Zij moet humaan rechtspreken met eerbiediging van ieders rechten, met name van de gezinnen en de behoeftigen. De politieke rechten die verbonden zijn aan het staatsburgerschap, kunnen en moeten toegekend worden volgens de eisen van het algemeen welzijn. Ze mogen door de publieke overheid niet opgeschort worden zonder een wettige reden, die in verhouding staat tot de maatregel. De uitoefening van de politieke rechten is gericht op het algemeen welzijn van de natie en van de hele menselijke gemeenschap.” (Catechismus, 2237).


Basisbibliografie

Catechismus van de Katholieke Kerk, 2196-2257.

Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 209-214; 221-254; 377-383; 393-411.

Paus Franciscus, Amoris laetitia, 19 maart 2016.


[1] Vgl. Familiaris consortio, 43.

[2] Vgl. ibid., 252-254.

[3] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Gravissimum educationis, 3.

[4] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Familiaris consortio, 22 november 1981, 36; Catechismus, 2221 en Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 239.

[5] En: “Wanneer de kinderen volwassen worden, hebben ze het recht en de plicht om zelf hun beroep en levensstaat te kiezen.” (Catechismus, 2230).

[6] “En als wij dan getroost worden door de vreugde Jezus - na drie dagen! - terug te vinden in een discussie met de leraren van Israël (Luc. 2, 46), zal in jouw en mijn ziel heel diep de plicht gegrift staan ons huis en onze familie te verlaten om de Hemelse Vader te dienen.” (Heilige Jozefmaria, De heilige Rozenkrans, vijfde blijde geheim).

[7] Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, 37.

[8] Heilige Jozefmaria, De liefde tot de Kerk, 13.

[9] Vgl. Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 377-383; 393-398; 410-411.

Antonio Porras -Jorge Miras