Thema 27: De Werking van de Heilige Geest: de Genade, de Goddelijke Deugden en de Geboden

Het christelijk leven is ons leven als kinderen van God in Christus door middel van de Heilige Geest. De werking van de Heilige Geest in de ziel van de Christen geeft niet alleen de heiligende genade en de goddelijke (theologale) deugden, maar schenkt ook inspiraties en actuele genaden. De Decaloog (Tien Geboden) bevat een reeks ernstige plichten, maar het is ook en bovenal een onderricht: een leer over hoe men moet leven.

De zending van de Heilige Geest en zijn werking in de Kerk zijn al eerder behandeld. Nu zullen we stilstaan bij de werking van de Heilige Geest in het leven van de Christen en diens weg naar heiligheid.

Heiligmakende genade

Het christelijk leven is ons leven als kinderen van God in Christus door middel van de Heilige Geest. Door het Doopsel worden we bevrijd van de zonde en ontvangen we een werkelijke deelname aan de goddelijke natuur. [1] Wat betekent deelname aan de goddelijke natuur? Dit kan – altijd binnen de grenzen van onze huidige kennis – begrepen worden door te bedenken dat de Vader zijn natuur volledig deelt met de Zoon en de Heilige Geest, maar dat Hij geen andere "goden" of andere personen kan scheppen aan wie Hij zijn eigen natuur volledig meedeelt. Desondanks kan Hij andere personen scheppen, en heeft Hij dit ook gewild, om hen "gedeeltelijk" deelgenoot te maken van de goddelijke natuur, zijn goedheid en zijn geluk. Daarom spreken we van "deelname" aan de goddelijke natuur. Deze deelname is de heiligmakende genade, die een persoon tot kind van God maakt.

De christelijke heiligheid is dus geworteld in de gave van de drie-ene God aan de mensheid. Wij worden door genade opgenomen in de intieme dynamiek van het goddelijke leven, waarin elke goddelijke Persoon dezelfde natuur bezit, maar op een verschillende wijze – een verschil dat de goddelijke Personen van elkaar onderscheidt. Daarom heeft de Christen een verschillende relatie met elk van de goddelijke Personen: de Vader adopteert ons als zijn kinderen. Hierdoor is de Zoon het model met wie wij ons identificeren en onze "toegangsdeur" tot de Drie-eenheid. De Heilige Geest daarentegen is de band van liefde tussen de Vader en de Zoon, het "licht en de kracht", die ons aanzet om ons met Christus te identificeren, om zo met Hem te leven tot eer van de Vader en zo zijn wil in alles te volbrengen. [2]

Heiligmakende genade is daarom veel meer dan een hulp van God om goede werken te verrichten. Het is een nieuw levensbeginsel, een verheffing van onze natuur, bijna als een tweede natuur, een radicaal begin van een nieuw soort leven: het leven van de kinderen van God in Christus door de Heilige Geest. Een andere vorm van genade, de actuele genade genoemd, is een specifieke goddelijke hulp om een goede daad te verrichten.

De theologale (goddelijke) deugden

Omdat de menselijke natuur vermogens bezit die ons in staat stellen als mens te leven – namelijk het verstand, de wil, de uitwendige en inwendige zintuigen en de zintuiglijke verlangens – vereist het goddelijke leven dat door de heiligmakende genade mogelijk wordt gemaakt, bepaalde vermogens. Meer precies: het vereist de verheffing van onze vermogens, zodat zij de beginselen kunnen zijn van de handelingen die eigen zijn aan het goddelijke leven waaraan wij deelnemen. De verheffing van onze menselijke vermogens gebeurt door gewoontes, die door de heiligmakende genade worden ingestort, namelijk de drie goddelijke (theologale) deugden: geloof, hoop en liefde.

Het Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk stelt: "Het zijn de deugden die God zelf als hun oorsprong, motief en onmiddellijk doel hebben. Ingestort in de mens door de heiligmakende genade, stellen zij hem in staat te leven in verbondenheid met de Drie-eenheid, en vormen de grondslag en de bezieling van het morele handelen van de christen, door de menselijke deugden tot leven te brengen. Ze zijn het onderpand van de tegenwoordigheid en van het handelen van de heilige Geest in de vermogens van het menselijk wezen."[3]

Deze korte beschrijving bevat de belangrijkste elementen. Het zijn deugden die door God gegeven zijn, samen met de heiligmakende genade; ze hebben God zelf als voorwerp, waardoor we Hem kunnen kennen als de Drie-Ene God, naar Hem kunnen verlangen en Hem kunnen liefhebben; en zij bezielen de menselijke morele deugden, waardoor deze het gebruik van menselijke goederen kunnen regelen op een wijze die past bij het leven en de staat van kinderen van God, en niet alleen met het oog op het louter menselijke goede.

De deugd van het geloof

"Het geloof is de goddelijke deugd waardoor we in God geloven, en in alles wat Hij ons geopenbaard heeft en wat de Kerk ons te geloven voorhoudt, omdat God de waarheid zelf is. Door het geloof vertrouwt de mens zich in vrijheid geheel aan God toe. Daarom probeert de gelovige de wil van God te kennen en te doen, want het geloof ‘uit zich door de liefde’ (Gal. 5,6)."[4]

Het geloof is de kennis die het hele leven van de kinderen van God leidt. Zonder geloof is het niet mogelijk om als Gods kinderen te leven, zoals men zonder verstandelijke kennis geen menselijk leven zou kunnen leiden. Het geloof bestaat uit een door de genade mogelijk gemaakte, vaste instemming met alle waarheden die God ons geopenbaard heeft; met alles wat God ons verteld heeft over Zichzelf en over zijn heilsplan voor de mensheid en de wereld. Niet omdat deze waarheden vanzelfsprekend zijn of volledig begrijpelijk voor ons, maar omdat ze geopenbaard zijn door God, de hoogste Wijsheid en de hoogste Waarheid. Door het geloof nemen wij deel aan Gods kennis van Zichzelf en van de wereld, en die gedeelde kennis is de hoogste regel voor het Christelijk leven.

Maar geloof is niet alleen een geheel van kennis die voor waar gehouden wordt. Aangezien we geloven dat God onze Schepper en Redder is, veronderstelt het geloof een volledige openheid van onze ziel voor Gods reddende werking in Christus, een daad van vertrouwen en overgave aan Gods werking in ons. Omdat geloof de aanvaarding is van de verlossing die God in ons bewerkt, leert de heilige Paulus dat wij gerechtvaardigd worden door het geloof. Dat wil zeggen, dat er geen andere redding is dan die welke God ons in Christus geeft, en dat er na de erfzonde geen andere weg is om rechtvaardig te zijn voor God dan ons open te stellen voor de werking waarmee God ons door Christus rechtvaardig maakt. Geen mens kan zichzelf rechtvaardigen. Daarom leert de Kerk dat "het geloof het begin is van de menselijke redding, de grondslag en wortel van alle rechtvaardiging; zonder geloof is het onmogelijk God te behagen en deel te krijgen aan de gemeenschap van zijn kinderen. Wij worden om niet (gratis) gerechtvaardigd, omdat niets van wat aan de rechtvaardiging voorafgaat, of het nu geloof of werken zijn, de genade van de rechtvaardiging zelf verdient; want als het genade is, is het niet langer op basis van werken; anders (zoals de Apostel zelf zegt) zou de genade geen genade meer zijn."[5]

Genade en geloof worden niet voortgebracht door onze goede werken, maar zodra genade en geloof zijn ontvangen, moeten we als kinderen van God leven en daden vermijden die onverenigbaar zijn met het leven van genade om gered te worden.

Wie bewust en opzettelijk de openbaring van God niet aanvaardt, begaat de zonde van ontrouw. De Christen die het geloof verlaat, pleegt afval (apostasie), en degene die de geopenbaarde waarheden verandert of verdraait, begaat de zonde van ketterij (heresie).

De deugd van de hoop

"De hoop is de goddelijke deugd waardoor wij van God het eeuwig leven verlangen en verwachten als ons geluk, door ons vertrouwen te stellen in de beloften van Christus hierbij steunend op de hulp van de genade van de heilige Geest, om dit eeuwig leven te verdienen en tot aan het einde van ons aardse leven te volharden."[6]

De deugd van de hoop transformeert en verheft onze diepste verlangens, waardoor de door God beloofde zaligheid het uiteindelijke voorwerp van onze verlangens wordt: het Hoogste Goed dat om zichzelf gezocht wordt en omwille waarvan al het andere gewild wordt. De hoop stelt ons in staat om aan alle menselijke goederen en activiteiten hun ware waarde toe te kennen: de waarde die zij hebben om de zaligheid te bereiken.

Aangezien de zaligheid alleen verkregen kan worden door Gods genade en hulp, omvat de deugd van de hoop het vertrouwen dat God ons altijd de nodige hulp zal geven om ons te redden: door onze zonden te vergeven wanneer wij om vergeving vragen, door ons kracht te geven om beproevingen en gevaren te overwinnen, en door ons altijd bij te staan met zijn barmhartige almacht.

Wie ontmoedigd raakt bij het zien van zijn zonden of de moeilijkheden in het leven, en daarbij wantrouwen koestert tegenover Gods goedheid, barmhartigheid en reddende kracht — alsof alles afhing van onze eigen menselijke kracht — zondigt door wanhoop. Aan de andere kant zijn degenen die denken dat hun menselijke kracht en verdiensten genoeg zijn om hen te redden, of die denken dat hun redding verzekerd is door hun nationaliteit, door het feit dat ze katholiek of gedoopt zijn, of om andere redenen, schuldig aan vermetelheid (overmoed). Zij verwaarlozen daardoor de door God ingestelde en door de Kerk aangeboden heilsmiddelen.

De deugd van de liefde

"De liefde is de goddelijke deugd waardoor wij God boven alles beminnen, en onze naaste als onszelf uit liefde tot God. Jezus maakt van de liefde het nieuwe gebod, de vervulling van de wet. Zij is de ‘band der volmaaktheid.’ (Kol. 3, 14) en het fundament van de andere deugden, die zij bezielt, inspireert en ordent: zonder haar ‘ben ik niets’ en ‘baat het mij niets’ (1 Kor. 13, 2-3)."[7]

De liefde bestaat er allereerst uit God te beminnen als het Hoogste Goed, boven alles. Het is een liefde van vriendschap die ons met Hem verenigt. Als vriendschapsliefde houdt het een zekere wederkerigheid in: wij hebben God lief en we weten dat we door Hem bemind worden, ofwel hebben we Hem lief als antwoord op de liefde waarmee Hij ons bemint. De Heilige Geest wordt de 'Ongeschapen Liefde' genoemd, en de geschapen liefde die wij bezitten is het voornaamste effect van zijn werking in onze ziel. Op de een of andere manier beminnen wij God via de deugd van de liefde met een goddelijke liefde, met de liefde die de Heilige Geest in onze ziel stort. De liefde zet ons aan om God te kennen, om te streven naar het doen van zijn wil met volledige beschikbaarheid, zoals Christus deed, [8] om onze naaste lief te hebben omwille van God. Dat wil zeggen: de anderen liefhebben zoals God hen liefheeft en met de dingen omgaan volgens Gods’ plan.

Zij is ook de vorm, de drijvende kracht en de wortel van alle morele deugden, omdat de liefde deze deugden betrekt op God als het Hoogste Goed en hun uiteindelijke motivatie vormt (rechtvaardigheid, vrijgevigheid, kuisheid, enzovoorts worden beoefend uit liefde tot God). Zij verenigt ons met God door de beoefening van de morele deugden. Daarom zegt de heilige Augustinus dat de Christelijke morele deugden in zekere zin vormen van de liefde tot God zijn. [9]

De liefde is de essentie van de Christelijke heiligheid, de band van de volmaaktheid, en zij bepaalt de graad van heiligheid van iedere persoon: men is heilig in de mate dat men liefde bezit.

Elke zware zonde brengt het verlies van de liefde met zich mee, van de vriendschapsband met God. Specifieke zonden tegen de liefde tot God zijn godshaat en lauwheid; zonden tegen de liefde tot zichzelf zijn verwaarlozing van het eigen geestelijk leven, het blootstellen van ziel of lichaam aan ernstige gevaren, zelfmoord en egoïsme als ongeordende zelfliefde; zonden tegen de liefde tot de naaste zijn haat en tweedracht, ergernis geven, het onthouden van geestelijke of materiële hulp die men aan de naaste kan geven, en vrijwillige medewerking aan de zonden van de naaste.

De gaven van de Heilige Geest

De werking van de Heilige Geest in de ziel van de Christen schenkt niet alleen heiligmakende genade en de theologale deugden, maar communiceert ook inspiraties en actuele genaden. Deze werking heeft een specifieke uiting in wat de Kerk de gaven van de Heilige Geest noemt: "permanente gesteldheden die de mens gehoorzaam maken om de ingevingen van de Heilige Geest te volgen."[10] De Kerk leert dat er zeven gaven zijn: “wijsheid, inzicht, raad, sterkte, kennis, vroomheid en ontzag voor God. Zij behoren in volheid toe aan Christus, de Zoon van David (vlg. Jes. 11,1-2). Zij voltooien de deugden van hen die ze ontvangen en brengen die tot volmaaktheid. Ze maken de gelovigen volgzaam om onverwijld te gehoorzamen aan de goddelijke ingevingen"[11], hoewel het uiteraard niet de bedoeling is om de zeer brede en veelvormige werking van de Heilige Geest in de zielen tot deze zeven gaven te beperken. De Kerk spreekt ook over de vruchten die door de werking van de Geest in de ziel worden voortgebracht: "De vruchten van de Geest zijn volmaaktheden die de Heilige Geest in ons bewerkt als eerste vruchten van de eeuwige heerlijkheid. De kerkelijke traditie noemt er twaalf: “liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid, bescheidenheid, matigheid, kuisheid” (Gal. 5,22-23 vulg.)"[12].

De geboden van de wet van God

Onze Heer zei: "Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden"[13]. Toen de rijke jongeling Hem vroeg: "Welke geboden?", antwoordde Jezus: "Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, eer uw vader en uw moeder en gij zult uw naaste beminnen als uzelf"[14]. Onze Heer verwijst hier naar de Decaloog, de tien "Woorden" van het Oude Testament[15], die een samenvatting bevatten van de belangrijkste elementen van de morele natuurwet. Onze Heer zelf kent aan deze tien Woorden een goddelijke oorsprong toe en onderscheidt ze van louter menselijke voorschriften [16]. De Kerk volgt de volgorde van deze tien geboden om de Christelijke moraal in de catechese uiteen te zetten, waarbij zij uiteraard specifieke leringen uit het Nieuwe Testament toevoegt.

De Decaloog bevat een reeks ernstige plichten [17], maar het is ook en bovenal een onderrichting, een leer over de levenswijze die in overeenstemming is met het Verbond tussen God en het uitverkoren volk. De uiteenzetting van de Decaloog door de Kerk is een leer over de levensstijl die consistent is met de liefde en de vriendschap tussen God en de mens. Dit onderricht vormt een waardevol instrument voor de morele vorming van jongeren of minder ontwikkelde personen. Voor iedereen is het een noodzakelijke uitwendige gids om momenten van innerlijke duisternis te overwinnen die we allemaal wel eens meemaken, omdat het innerlijke licht van de genade ons doorgaans al in staat stelt het goede van het kwade te onderscheiden. De Decaloog, gezien in het licht van het Nieuwe Testament en in zijn verbondenheid met de liefde, is als een reeks wegwijzers die de weg naar het heil aangeven.


Basisbibliografie

Catechismus van de Katholieke Kerk, nrs 1996-2005, 1810-1832, 2052-2074.
Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk, nrs 422-425, 384-390, 434-441.
Paus Franciscus, Catechese over de Tien Geboden.


[1] Zie 2 Petr. 1,4.

[2] Joh. 6,38: "Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft." Zie ook Joh. 4,34; 5,30.

[3] Compendium, nr 384.

[4] Compendium, nr 386.

[5] Concilie van Trente, Decreet over de Rechtvaardiging, hfst. 8: Dz-Sh 1532.

[6] Compendium, nr 387.

[7] Compendium, nr 388.

[8] "Daarop zei Jezus hun: Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen" (Joh. 4,34).

[9] “Aangezien de deugd ons tot het ware geluk leidt, zou ik bevestigen dat de deugd niets anders is dan de hoogste liefde tot God. En dat men zegt dat de deugd viervoudig is, wordt, naar ik meen, gezegd met het oog op de verscheidenheid van houdingen die de liefde zelf aanneemt. Deze vier beroemde deugden, waarvan de hemel wil dat zij in alle zielen even krachtig aanwezig zijn als hun namen in de mond liggen, zou ik dan ook zonder aarzelen als volgt definiëren: matigheid is de liefde die zich geheel geeft aan wat zij bemint; moed is de liefde die alles verdraagt omwille van wat zij bemint; gerechtigheid is de liefde die uitsluitend dient wat zij bemint en die daarom met rechtschapenheid heerst; ten slotte is voorzichtigheid de liefde die met wijs inzicht onderscheid maakt tussen wat nuttig is en wat schadelijk is.

Deze liefde, zo hebben wij gezegd, is niet de liefde tot om het even welk object, maar de liefde tot God, dat wil zeggen tot het hoogste Goed, de hoogste Wijsheid en de hoogste Vrede. Daarom kunnen wij, als wij de definities iets nauwkeuriger formuleren, zeggen dat matigheid de liefde is die zich geheel en ongeschonden voor God bewaart; moed is de liefde die alles zonder droefheid verdraagt, met de ogen op God gericht; gerechtigheid is de liefde die alleen God dient en daarom, overeenkomstig de rede, heerschappij uitoefent over alles wat lager is dan de mens; en tenslotte is voorzichtigheid de liefde die weet te onderscheiden wat behulpzaam is om tot God te gaan van wat van Hem kan verwijderen.” (Heilige Augustinus, De Moribus Ecclesiae Catholicae, I, 15, 25)

[10] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr 1830.
[11] Ibid., 1831.

[12] Ibid., 1832.

[13] Joh. 14,15.

[14] Mat. 19,18-19.

[15] Vgl. Ex. 20,2-17 en Deut. 5,6-21.

[16] “Daarmee hebt gij het woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw eigen overlevering. Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, toen hij zei: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren.’” (Mat. 15,6-9).

[17] "Omdat de Tien Geboden de fundamentele plichten van de mens tegenover God en tegenover zijn naaste uitdrukken, brengen ze, in hun oorspronkelijke inhoud, zware verplichtingen aan het licht. Zij zijn fundamenteel onveranderlijk en gelden dus altijd en overal. Niemand kan ervan ontslaan. De Tien Geboden zijn door God in het hart van de mens gegrift." (Catechismus, nr 2072).

Ángel Rodríguez Luño