Strijd, nabijheid, missie (23): Zaaiers van vrede (I); een logica die alles verandert

Wereldse logica en goddelijke logica strijden in elk hart, op elk moment. Vrede en oorlog worden beslist bij elke hartslag, bij elke ademhaling.

«Deze muren lijken van steen, maar zijn van liefde»[1], zei de heilige Jozefmaria vaak wanneer hij sprak over Villa Tevere. Wanneer we door de gangen van dit huis lopen, krijgen we haast het gevoel door zijn ziel te wandelen, tot we hem ontmoeten aan de voeten van Onze-Lieve-Vrouw van de Vrede. Alleen al dat zou ons, die Jezus volgen in de geest van het Opus Dei, heel ver kunnen brengen. Een pelgrimstocht naar de plaats waar het lichaam van onze stichter rust, brengt ons ertoe neer te knielen voor de Koningin van de Vrede. Aan weerszijden van het presbyterium houdt een engel een open boek vast. Op het ene staat Gaudium cum Pace; op het andere Pax – In aeternum, zoals wij elke dag bidden[2]. Dezelfde woorden sieren ook de achterwand van de Pinksterkapel, waar de heilige Jozefmaria elke ochtend bad, met zijn blik gericht op het tabernakel dat hij “het hart van het Werk” noemde.

Het zijn smeekbeden die scherp contrasteren met “het verontrustende gebrek aan vrede in onze tijd: er is gebrek aan vrede in de krantenkoppen en tussen de grootmachten, maar ook in de kleine dagelijkse omgang — tussen familieleden, buren, vrienden en collega’s. Zelfs in het geweten ontbreekt vaak de vrede, waar angst, twijfel, onrust en bezorgdheid de boventoon voeren”[3].

God zij dank zijn er veel mensen, ook niet-christenen, die zich inzetten voor de menselijke waarden van vrede, samenleven en eendracht tussen de volkeren. Vrede is, zoals de heilige Johannes Paulus II schreef, ook «de vrucht van solidariteit»[4], en daarom moeten mannen en vrouwen van alle geloofsovertuigingen de handen ineenslaan. Voor het christelijk geweten reikt de zending echter verder: het gaat om het “verkondigen van het evangelie van de vrede”, want «Christus Jezus is onze vrede»; Hij is het die door het kruis de vrede heeft hersteld (vgl. Ef. 2,14-16) [5].

Wanneer de heilige Jozefmaria dacht aan allen die door de eeuwen heen tot het Opus Dei zouden toetreden, zag hij hen reeds “de vrede van Christus verdedigen (...). Wij zullen ertoe bijdragen dat in de samenleving de rechten van de mens, van het gezin en van de Kerk worden erkend. Ons werk zal ertoe bijdragen dat de broedermoordende haat en het wantrouwen tussen de volkeren afnemen, en mijn dochters en zonen — fortes in fide, standvastig in het geloof — zullen alle wonden weten te zalven met de Liefde van Christus, die een uiterst zachte balsem is”[6].

Wanneer de heilige Jozefmaria spreekt over “zaaiers van vrede”, bedoelt hij dus meer dan louter menselijke hartelijkheid of humanitaire welwillendheid: hij nodigt ons uit getuigen van Christus te zijn. Vrede is een gave, maar ook een opdracht[7], die vraagt dat wij in de wereld getuigenis afleggen van het kruis van Jezus, ook al kan de prediking van de gekruisigde Christus voor velen een “aanstoot” en “dwaasheid” zijn (vgl. 1 Kor. 1,23).

Twee logica’s

De hemel boven Jeruzalem is in duisternis gehuld. De verlossing staat op het punt zich te voltrekken. Jezus hangt al bijna drie uur aan het kruis, en pas nu begint de volle betekenis zichtbaar te worden van de woorden die de Heer lang tevoren had uitgesproken: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.” (Mt. 16,24). Op dit beslissende moment — het middelpunt van de geschiedenis, waarop de logica van God de logica van de wereld overwint — wordt Jezus geconfronteerd met een laatste verleiding: «Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven.» (Mt. 27,42). Toon uw macht, en wij zullen geloven. Hoe vaak is ook onze logica die van de macht: men overwint door te heersen, door kracht te tonen. Het is dezelfde logica die de duivel voortdurend uitstraalt en waarmee hij Jezus reeds in de woestijn probeerde te verleiden: “Heel dat machtsgebied zal ik U geven, want het is mij in handen gesteld en ik geef het aan wie ik wil.” (Lc. 4,6). Ook de leerlingen van Jezus bleven niet vrij van deze mentaliteit. Meermaals maakten zij ruzie over de plaatsen van macht in het aardse koninkrijk dat zij zich voorstelden (vgl. Lc. 22,24-26).

Jezus daarentegen opent voor ons een nieuwe manier van kijken en denken, een logica die alles omkeert: “Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vervloeken en bid voor hen die u mishandelen.” (Lc. 6,27-28). Misschien lezen wij deze woorden zo vaak dat ons geweten afgestompt raakt en wij niet langer verbaasd zijn over de verrassende grammatica die heel het leven — en vooral het lijden — van de Heer doordringt. Wanneer de heilige Petrus Hem met het zwaard wil verdedigen, spreekt Jezus over ‘meer dan twaalf legioenen engelen’ die Hem te hulp zouden kunnen komen als Hij zijn Vader daarom zou vragen (vgl. Mt. 26,53). En wanneer Pontius Pilatus Hem ondervraagt over zijn macht, antwoordt Jezus: “Mijn koningschap is niet van deze wereld” (Joh. 18,36); als dat wel zo was, zouden zijn ‘bewakers’ zijn tussengekomen om te voorkomen dat Hij werd uitgeleverd.

Bij het horen van deze verwijzingen naar de hemelse engelenmachten kan onze verbeelding gemakkelijk op hol slaan: we zouden kunnen denken dat die hemelse legers eindelijk orde en gerechtigheid in onze wereld zouden kunnen brengen. Ook vandaag wordt de weg van de macht nog altijd voorgesteld als een aantrekkelijke kortere weg naar het goede — een middel om gerechtigheid te bevorderen en zelfs vrede in de wereld tot stand te brengen. Maar Jezus is niet gekomen om de vrede van de wereld te brengen maar Zijn vrede (Joh. 14,27). En de vrede van Jezus is de vrucht van het kruis: zij komt voort uit “de kracht van de liefde”, “de troon van zijn koningschap”[8].

Eens stond Benedictus XVI stil bij de macht van Christus. Hij is immers de Koning van het universum… Zijn macht is nochtans niet «de macht van de koningen en machthebbers van deze wereld; het is de goddelijke macht om het eeuwige leven te schenken, om van het kwaad te bevrijden, om de heerschappij van de dood te overwinnen. Het is de macht van de Liefde, die het goede uit het kwade weet te halen, een verhard hart weet te verzachten, vrede brengt in het hevigste conflict en hoop ontsteekt in de diepste duisternis. Dit rijk van genade dringt zich nooit op en respecteert altijd onze vrijheid. (...) Kiezen voor Christus garandeert geen succes volgens de maatstaven van de wereld, maar verzekert de vrede en de vreugde die alleen Hij kan geven.»[9].

Jezus neemt onze zonden op zijn onschuldige schouders. Met een barmhartige blik kijkt Hij naar degenen die Hem kwaad doen. Hij smeekt de Vader om vergeving voor zijn beulen. Er bestaat geen grotere misdaad dan een rechtvaardige te folteren en te doden — en deze Rechtvaardige is God zelf. Jezus bevestigt zijn onschuld, maar reageert op dit ultieme onrecht door te bemiddelen voor de gewelddadigen, de meedogenlozen, de spotters: “Vader, vergeef hun” (Lc. 23,34).

De heilige Johannes Paulus II zei ooit, met diep profetisch inzicht, dat “er geen vrede is zonder vergeving”[10]. En die vergeving die vrede brengt, is niet langer een onbereikbare droom. Door zijn overgave en barmhartigheid heeft Jezus van binnenuit de logica doorbroken van de door afgunst ingegeven broedermoord van Kaïn — die eindeloze keten van geweld en wraak waardoor de mensheid gevangen werd gehouden. Haat en geweld zullen niet het laatste woord hebben. Juist op het donkerste moment van de geschiedenis is, vanuit de vergeving van het onvergeeflijke, op onomkeerbare wijze een nieuwe wereld geboren: een vrede zonder einde (vgl. Jes. 9,6-7).

Om erkend te worden als kinderen van God

De eerste vrucht van Christus’ dood aan het kruis is het geloof van een heiden: de centurio Longinus, die uitroept: “Waarlijk, Hij was een Zoon van God.” (Mt. 27,54). De Sint-Pietersbasiliek eert hem: zijn standbeeld, vervaardigd door Bernini, staat nabij het graf van de prins der apostelen, en volgens de overlevering wordt in een van de pijlers van de koepel een relikwie van zijn lans bewaard. De belijdenis van de Romeinse soldaat sluit aan bij die waardoor Simon tot Petrus gemaakt werd, de hoeksteen van de Kerk: «Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.» (Mt. 16,16). Samen laten deze twee geloofsbelijdenissen de belofte van Jezus weerklinken: «Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.» (Mt. 5,9). Wie als kind van God erkend wil worden, moet vrede rondom zich zaaien.

In een van zijn laatste brieven herinnerde don Javier zich een gelegenheid waarbij aan de heilige Jozefmaria werd gevraagd naar de betekenis van de begroeting die de eerste christenen onderling gebruikten en die wij ook in het Werk nog steeds gebruiken. Dit was zijn antwoord: “Pax! We roepen het niet uit, maar we proberen de vrede met ons mee te dragen, waar we ook zijn. Zodat wij onze hartstochten en die van de anderen, wanneer de golven woelig worden, met een beetje begrip, een beetje verdraagzaamheid bedekken; in een woord: met wat liefde. Wij brengen vrede en wij laten vrede achter.”[11].

De eerste christenen volgden hierin het voorbeeld van de verrezen Christus. “Vrede zij u”, zegt Jezus volgens het verslag van Johannes driemaal tot zijn leerlingen (Joh. 20,19-26). Het is diezelfde vrede waarvoor wij elke dag in de heilige Mis bidden, na het Onze Vader: “Verlos ons, Heer, van alle kwaad, geef genadig vrede in onze dagen.” De vrede van Christus is de vrucht van het kruis en van het gebed. Daarom leert men, door naar het kruisbeeld te kijken, de wereld met barmhartigheid te bezien.

Zij die getuige waren geweest van de kruisiging keren huiswaarts terwijl zij zich op de borst slaan (vgl. Lc. 23,48). Zij houden op te beschuldigen — “Kruisig Hem!” — en beginnen zichzelf te beschuldigen: de genade van het kruis opent de weg naar nederigheid en bekering[12]. Zo begint de logica van God het rijk van Satan te ondermijnen. En dat gebeurt ook vandaag nog. De wereldse logica en de goddelijke logica strijden in elk hart, op elk moment. Vrede en oorlog worden beslist bij elke hartslag, bij elke ademhaling.


[1] Heilige Jozefmaria, In dialoog met de Heer, n. 3.

[2] Cfr. «De Preces van het Opus Dei» op opusdei.org.

[3] F. Ocáriz, «Zaaiers van vrede en vreugde», El Mundo, 26-06-2025.

[4] Cfr. Heilige Johannes Paulus II, Sollicitudo Rei Socialis, nn. 39-40: “Het motto van het pontificaat van mijn vereerde voorganger Pius XII was Opus iustitiae pax, de vrede als vrucht van de rechtvaardigheid. Nu zou men met dezelfde juistheid en dezelfde kracht van Bijbelse inspiratie kunnen zeggen (vgl Jesaja 32, 17): Opus solidarietatis pax, de vrede als vrucht van de solidariteit. Het door allen zo verlangde einddoel van de vrede zal zeker bereikt worden door de verwerkelijking van de maatschappelijke en internationale rechtvaardigheid, maar ook door de praktijk van de deugden die de samenleving bevorderen en ons leren te leven om door geven en ontvangen samen een nieuwe maatschappij en een betere wereld op te bouwen. De solidariteit is ongetwijfeld een christelijke deugd. Het was mogelijk reeds in de voorafgaande uiteenzetting talrijke contactpunten te onderscheiden tussen de deugd en de liefde die het distinctief van de leerling van Christus is. (cfr Joh 13,35)”

[5] Cfr. Heilige Johannes Paulus II, «Een blijvende opdracht: opvoeden tot vrede», Boodschap voor de 37ste Werelddag voor de Vrede 2004 (8-12-2003): «Wij christenen kennen de opdracht om onszelf en anderen te onderwijzen in de vrede als iets wat tot de kern van ons geloof behoort. Voor christenen is het verkondigen van vrede in feite hetzelfde als het verkondigen van Christus, die “onze vrede” is (Ef 2,14); het is het verkondigen van zijn evangelie, dat een “evangelie van vrede” is (Ef 6,15); het is het oproepen van alle mensen tot de zaligmakende staat van ‘vredestichters’ (vgl. Mt 5,9).”

[6] Heilige Jozefmaria, Brief 4, n. 26.

[7] Benedictus XVI, «De mens, het hart van de vrede», Boodschap voor de 40ste Werelddag voor de Vrede 2007 (8-12-2006).

[8] Heilige Jozefmaria, De Kruisweg, 2de statie.

[9] Benedictus XVI, Angelus, 22-11-2009.

[10] Heilige Johannes Paulus II, «Een blijvende opdracht: opvoeden tot vrede», Boodschap voor de 37ste Werelddag voor de Vrede 2004 (8-12-2003): «Tot besluit van deze overwegingen denk ik dat het nodig is nog eens te herhalen dat voor de totstandbrenging van ware vrede in de wereld rechtvaardigheid haar vervulling moet krijgen in naastenliefde. (…). Rechtvaardigheid en liefde lijken soms tegengestelde krachten. In feite zijn het slechts twee gezichten van een en dezelfde realiteit, twee dimensies van het menselijk leven die met elkaar geïntegreerd moeten worden. De geschiedenis leert ons dat dit waar is. Daaruit blijkt hoe de rechtvaardigheid vaak niet in staat is om zich los te maken van rancune, haat en zelfs wreedheid. Rechtvaardigheid op zichzelf is niet voldoende. Zij kan zelfs zichzelf verraden, wanneer zij niet openstaat voor de diepere kracht van de liefde. Om deze reden heb ik christenen en alle mensen van goede wil vaak voorgehouden dat vergeving nodig is om problemen tussen mensen onderling en tussen volken op te lossen. Zonder vergeving kan er geen vrede zijn! (…) Christenen weten dat God juist uit liefde een relatie met de mens is aangegaan. En liefde is de reactie die Hij van de mens verwacht. Liefde is dan ook de meest verheven en edele relatievorm die tussen mensen mogelijk is. Liefde moet daarom alle sectoren van het menselijk leven inspireren en zich ook uitstrekken tot de internationale orde. ».

(zie: https://www.rkkerk.nl/publicaties/serie-kerkelijke-documentatie-overzicht/downloads/#1478700124121-a6f80044-1afc)

[11] J. Echevarría, Pastorale brief, 1-03-2016.

[12] « Als ieder van ons – op alle niveaus – in plaats van anderen te beschuldigen, eerst zijn eigen tekortkomingen zou erkennen en God om vergeving zou vragen, en zich tegelijkertijd zou verplaatsen in degenen die lijden, zich solidair zou tonen met de zwakkeren en onderdrukten, dan zou de wereld veranderen.» (Leo XIV, Boodschap Urbi et orbi, 25-12-2025).

Juan Pablo Cannata – Carlos Ayxelà