“Tot ieder een roep tot heiligheid”

Het gebed is geen voorrecht van kloosterlingen. Het is de christenplicht van mannen en vrouwen van de wereld, die weten dat ze kinderen van God zijn. (De Voor, 451)

Wij zijn geraakt, ons hart slaat over bij het aandachtig beluisteren van de uitroep van de heilige Paulus: Want dit is Gods wil, uw heiliging (1 Tess 4, 3). Ik haal het me vandaag opnieuw voor de geest, en ook u en de hele mensheid herinner ik er aan: dit is de Wil van God, dat wij heilig mogen worden.

Om de zielen te vervullen van de rust van echte vrede, om de aarde te veranderen, om in deze wereld en door de dingen van de wereld God te zoeken, is uiteindelijk de persoonlijke heiligheid een conditio sine qua non. In mijn gesprekken met mensen uit tal van landen en uit allerlei sociale milieus wordt mij vaak gevraagd: ‹En wat hebt u ons, gehuwden, te zeggen, aan ons die op het land werken? Wat hebt u de weduwen te zeggen, wat de jongeren?›

Ik geef consequent als antwoord, dat ik maar 'één kookpot heb'. En ik onderstreep gewoonlijk, dat onze Heer Jezus Christus het goede nieuws aan allen, zonder enig onderscheid, verkondigd heeft. Eén enkele kookpot en één enkele spijs: Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen (Joh 4, 34). Hij roept ieder individueel tot heiligheid en vraagt iedereen liefde: jongeren en grijsaards, alleenstaanden en gehuwden, gezonden en zieken, ontwikkelden en onwetenden, waar ze ook maar werken, waar ze ook maar wonen. Er is maar één manier om te groeien in vertrouwdheid en vertrouwen jegens God: met Hem omgaan in het gebed, met Hem spreken, Hem —van hart tot hart— onze genegenheid tonen.

Als gij mij aanroept en tot Mij bidt, zal Ik u verhoren. Wij roepen Hem aan en bidden al pratend, door ons tot Hem te richten. Dat is de reden waarom wij gehoor geven aan de aansporing van de Apostel: sine intermissione orate, bidt zonder ophouden (1 Tess 5, 17), wat er ook gebeurt. “Niet alleen van harte, maar van ganser harte”

Vrienden van God, nr. 294-295