“Maria zoekt haar Zoon”

Drie dagen en nachten zoekt Maria haar Zoon, die zoek is. Ik hoop dat jij en ik kunnen zeggen dat onze wil om Jezus te vinden ook geen rust kent. (De Voor, 794)

De smart van zijn Moeder en die van de heilige Jozef is groot, want op de terugweg van Jeruzalem bevond Hij zich noch bij de zijnen, noch bij zijn vrienden. En wat een vreugde voor hen toen ze Hem vanuit de verte ontwaarden, terwijl Hij bezig was de schriftgeleerden te onderrichten. Maar let eens op de schijnbare hardheid van de woorden die in het antwoord aan zijn Moeder uit de mond van de Zoon kwamen: Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? (Luc 2, 49).

Was het niet logisch, dat ze Hem zochten? De zielen die weten wat het betekent Christus te verliezen en weer terug te vinden, kunnen dat begrijpen! Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet dat ik in de zaken van mijn Vader moest zijn? (Ibidem). Weet ge niet, dat Ik al mijn tijd moet wijden aan de Vader in de hemel?

Dat is de vrucht van ons gebed van vandaag. We moeten ervan overtuigd raken dat ons leven op aarde voor God is, onder alle omstandigheden, in alle seizoenen. Het is een schat van heerlijkheid, een afschaduwing van de hemel. Het is een wondere rijkdom in onze handen die we met verantwoordelijkheidsgevoel jegens de mensen en jegens God moeten beheren. We hoeven daarvoor geen andere levensstaat te kiezen. Juist midden in de wereld kunnen wij het eigen beroep, het gezinsleven, relaties en kennissen, en alle bezigheden die zuiver aards lijken te zijn, heiligen.

Vrienden van God, 53-54