Van de centra een thuis maken (II)

Christelijke gezinnen vormen een plek waar gezinsleden samenleven en voor elkaar zorgen. Er zijn echter omstandigheden die deze sfeer van gemeenschap en zorg voor elkaar kunnen ondermijnen, en manieren om deze gezindheid nieuw leven in te blazen.

Hacer del centro un hogar (II). Las familias cristianas son lugares donde todos viven y se desviven por los demás. Algunas derivas que pueden adormecer esta lógica, y líneas de acción para despertarla.

In een van zijn laatste brieven aan zijn ‘kinderen’ in het Opus Dei, dacht de heilige Jozefmaria na over een nieuwe betekenis van de Familie van God op aarde. Al tijdens de dagen van hun wachten in Nazareth had God Maria en Jozef kennis laten maken met de manier van denken en leven van het Kind dat zichzelf zou opofferen en alles zou geven, want Hij was niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen.[1] God wil dat in ieder christelijk gezin eenzelfde gezindheid heerst.

Als we kijken naar de omstandigheden waarin Christus werd geboren, ademen deze allemaal een sfeer van onvoorwaardelijke zelfgave. Het leven van Jozef is een aaneenschakeling van ontberingen, maar hij ervaart ook de vreugde om de beschermer van Jezus te mogen zijn. Hiermee zet hij zijn eer, de rustige continuïteit van zijn werk en een zekere toekomst op het spel. Zijn hele bestaan is gericht op wat God van hem vraagt. Maria is bereid de dienstmaagd van de Heer te zijn (Lc 1,38), en met haar fiat verandert haar hele bestaan in een aanvaarding van het goddelijke verlossingsplan. En Jezus? Het volstaat te zeggen dat onze God zich aan ons openbaart als een kind. De Schepper van het universum komt tot ons als een in doeken gewikkelde zuigeling, zodat we er nooit aan mogen twijfelen dat Hij waarlijk God en waarlijk mens is. We zouden doordrongen moeten raken van deze nieuwe manier van denken die God in de wereld heeft gebracht. In Bethlehem houdt niemand iets voor zichzelf. Daar horen we niemand over mijn reputatie, mijn tijd, mijn werk, mijn ideeën, mijn voorkeuren of mijn geld. Daar wordt alles in dienst gesteld van Gods wonderbaarlijke avontuur met de mensheid, namelijk de Verlossing.[2]

Het gezinsleven krijgt zo een nieuwe impuls en groeit in een ‘wonderbaarlijk avontuur’ van dienstbaarheid, die moet niet worden gezien als slaafsheid of een louter zoveel mogelijk diensten verlenen, maar als een voortdurende bereidheid om voor anderen te leven, als werktuigen van Gods dagelijkse zorg. Deze manier van leven, die de heilige Jozefmaria ook wel ‘het gezonde psychologische voornemen om aan anderen te denken’[3] noemde, is bedoeld als een te hanteren richtlijn voor het leven in de centra van het Werk. Veel mensen die de centra bezoeken ervaren dit op verschillende manieren. In de vele dagelijkse omstandigheden die een leven in gemeenschapsverband met zich meebrengt, zien zij een grote bereidheid om het leven voor anderen aangenaam te willen maken, wordt er tijd vrijgemaakt voor anderen en is er een oprecht luisterend oor, zelfs als andere zaken aandacht vragen, wordt te hulp geschoten om problemen op te lossen, worden er indien nodig excuses aangeboden, is er voor iedereen een glimlach en worden anderen geholpen als ze moe zijn of te laat komen.

Maar in elk gezin kan het dagelijks leven soms een eroderend effect hebben en na verloop van tijd kunnen er in huis of in ons karakter andere dynamieken wortel schieten. Zonder te pretenderen volledig te zijn, kunnen we deze samenvatten in vier tekortkomingen, waarbij een te grote focus kan ontstaan op het functioneren van het huishouden ten koste van de mensen die er leven, of er is sprake van zogenoemde relationele misverstanden, conflicten die voortkomen uit een verkeerde benadering van het met elkaar samenleven. Uiteraard zijn de beschrijvingen hieronder geen exacte chemische formules, maar neigingen die er geleidelijk aan insluipen, misschien zelfs meerdere tegelijkertijd, en die laten zien hoe menselijke zwakheid de meest waardevolle en gekoesterde aspecten van ons leven regelmatig in de weg kan staan. Een korte reflectie over deze neigingen zal ons helpen om de geniepige vossen te identificeren die een wijngaard kunnen vernielen (vgl. Hoogl. 2,15). We zullen ook een richtlijn geven voor een sfeer en gezindheid die God wenst in alle gezinnen en specifiek in de centra van het Werk.

Effectief, maar kil

De eerste twee tekortkomingen die een houding van dienstbaar zijn kunnen overschaduwen, zijn functioneel van aard. Als we denken in termen die de heilige Jozefmaria vaak gebruikte om het Werk te karakteriseren, namelijk een ‘familie en tegelijkertijd een militie’[4], bestaat het risico van een zekere onevenwichtigheid, waarbij het aspect ‘militie’ het gezinsleven overschaduwt, wat resulteert in efficiënte huishoudens waar echter weinig onderlinge warmte is of misschien onderliggende spanningen of wonden zijn.

De eerste tekortkoming in dit verband kan worden aangeduid als een logica van de synergie. Deze manier van redeneren heeft te maken met de ontwikkelingen in de maatschappij in de afgelopen decennia, die samen met veel vooruitgang en mogelijkheden heeft geleid tot een eindeloze lijst van activiteiten en dingen die geregeld moeten worden: rekeningen betalen, de administratie bijhouden, boodschappen doen, etc. We kunnen heel makkelijk al onze tijd besteden aan het opstellen en afvinken van to-do lijstjes. Zoals in elk gezin waar de beslommeringen in verband met werk, het huis, de kinderen en alle taken die moeten worden gedaan, ertoe kunnen leiden dat echtgenoten hun echtelijke vriendschap (intimiteit, wederzijdse genegenheid, etc.) gaan verwaarlozen, kunnen huisgenoten in een centrum waar diverse apostolische werken worden verricht, elkaar functioneel gaan benaderen en zich beperken tot de ‘dingen waarvoor moet worden gezorgd’.[5]

Een centrum zou dan de neiging kunnen hebben om synergetisch te werk te gaan (synergon, vereniging van actie), maar het ontbreekt er aanzienlijk aan sympathie (synpathos, vereniging van gevoel). Iedereen zou zijn of haar taken, verantwoordelijkheden en levensplan uitvoeren, het huishouden zou functioneren als een geoliede machine (alles heeft zijn plaats, iedereen zijn eigen taken...), maar het vermogen om met anderen mee te leven zou ontbreken. Bijvoorbeeld samen tijd doorbrengen, samen van het leven genieten en met anderen meeleven in moeilijke omstandigheden. De heilige Jozefmaria gebruikte harde woorden om ons voor dit risico te waarschuwen: de dag dat we als vreemden met elkaar of onverschillig tegenover elkaar leven, bestaat het Opus Dei niet meer.[6] Bovendien zal door een gebrek aan sympathie voor elkaar, zoals op puur menselijk niveau in elke organisatie, uiteindelijk ook de synergie verminderen of zelfs verdwijnen.

De tweede tekortkoming kan worden aangeduid als een logica van controle willen houden. Zoals al aangegeven kan dit in ieder gezin voorkomen. Een van de echtgenoten kan zich buitensporig druk maken om alles goed te doen, door een schema op te stellen, materiële orde te willen houden of alle klusjes uit te voeren. Elk huishouden heeft natuurlijk enige structuur nodig om niet te verdrinken in chaos, maar soms hebben we onrealistische verwachtingen over het hebben van een ideaal huishouden, waarbij we de dingen doen op een manier die één persoon als ‘juist’ beschouwt, zelfs wanneer dit tot andere problemen leidt en de rust in het gezin niet ten goede komt. De ervaring leert dat een te grote nadruk op regels en een verwaarlozing van de ouder-kindrelatie kan leiden tot frustratie en zelfs rebellie. Dit is waar Paulus op doelde toen hij schreef: ‘Vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij de moed niet verliezen’ (Kol 3,21).

Deze manieren om de dingen te benaderen kunnen net zo problematisch zijn in de centra. Enerzijds omdat de volwassenen die er wonen allemaal vrij en persoonlijk verantwoordelijk zijn, anderzijds omdat een centrum een functioneel en apostolisch initiatief is, bedoeld als een thuis voor iedereen maar tegelijkertijd ook het thuis is van de mensen die er wonen. Zij zouden het gevoel moeten hebben dat het hun thuis is en niet slechts een verlengstuk van hun professionele leven. In tegenstelling tot een gewoon gezin heeft een centrum van het Werk de bijzonderheid dat thuis en werk er permanent naast elkaar bestaan, en ook dat degenen die in deze ‘apostolische onderneming’[7] werken dat vrijwillig doen, ze leven er omdat ze dat willen. Omdat er sprake is van een bovennatuurlijke[8] en daardoor een zeer radicale beweegreden, moet er ook een gevoelscomponent zijn. Om spiritueel en bovennatuurlijk te zijn, aldus de heilige Jozefmaria, moeten we zeer menselijk zijn en streven naar een intens menselijk gevoel van leven.[9]

Deze elementen laten zien dat het problematisch kan zijn om te veel nadruk te leggen op criteria, richtlijnen, doelstellingen, enz. De nadelen van deze manier van controle willen houden, worden duidelijk naarmate de tijd verstrijkt. Wanneer we ons uitsluitend of hoofdzakelijk richten op een plan, kunnen we het belang van de manier waarop gaan verwarren met wat we willen bereiken, en zo uiteindelijk ook de vrijheid van anderen beperken in zaken die ook op een andere manier zouden kunnen worden benaderd.[10] Een ander nadeel is dat als we er niet in slagen om wat we zien als een plicht in overeenstemming te brengen met de spontaniteit die het gezinsleven zou moeten kenmerken, er een gespannen sfeer kan ontstaan. En er is het gegeven dat degenen die de situatie altijd onder controle willen houden slechts fragiele overwinningen behalen. In hun gerichtheid op efficiëntie is het mogelijk dat ze niet echt verbonden zijn met anderen of anderen proberen te overtuigen, met andere woorden ze slagen er niet in anderen voor zich te winnen, hun hart te veroveren en hen in vrijheid te helpen groeien.[11] Degenen die er in de eerste plaats naar streven om situaties te beheersen, putten zichzelf snel uit, en ook anderen kunnen erdoor vermoeid raken omdat zij het gevoel krijgen een minimale rol te hebben in het gezinsleven of in het samenlevingsverband in een centrum.

Relationele misverstanden

Twee andere tekortkomingen die kunnen voorkomen in een gezin, zijn zogenoemde relationele misverstanden. Dergelijke situaties worden gekenmerkt door een onderliggende ontevredenheid bij de personen die erin verstrikt zijn geraakt. Een van de personages in Jezus' gelijkenissen verpersoonlijkt dit soort situaties, namelijk de oudste zoon die zijn vader een reeks grieven verwijt die voortkomen uit een vergelijken van zichzelf met zijn broer. Uiteindelijk zegt de vader tegen hem: ‘Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou’ (Lc 15,31).

De eerste van deze tekortkomingen is een zogenoemde logica van verdienste. Iemand die heel attent lijkt voor anderen en een groot vermogen toont om offers te brengen voor zijn of haar naasten en in het huishouden, kan echter, en meestal is dat onbewust, handelen met de verwachting dat deze inspanningen hem of haar de genegenheid van anderen zal opleveren. Deze wijze van handelen kan redelijkerwijs op veel aspecten van het leven worden toegepast, maar werkt niet in een gezin. Verdiensten proberen te vergaren om geliefd te zijn heeft weinig nut in een gezin, omdat er al onvoorwaardelijke liefde is.

Uiteraard zal iemand voor wie zijn of haar gezin alles is, er heel veel voor over hebben, maar zonder daarvoor een emotionele compensatie te verwachten. Ouders vragen geen beloning voor het feit dat zij van hun kinderen houden, zij vinden hierin juist hun geluk. Soms kunnen we het gevoel hebben dat onze inspanningen niet de waardering krijgen die ze verdienen, maar als we steeds beloond willen worden voor wat we doen, kan ons perspectief te veel op onszelf gericht raken, zoals de oudste zoon in de gelijkenis. Hij woont in het huis van zijn vader maar beschouwt het niet als het zijne. Deze zoon spreekt alleen maar in enkelvoud (ik, jij, hij...), hij verwijt, vergelijkt en klaagt. Hij vergeet het meervoud ‘wij’, waar zijn vader hem naar terug probeert te brengen. Na verloop van tijd brengt zijn redenering een diepe ontevredenheid aan het licht. Hij vergelijkt en controleert de vrijheid van anderen (die van zijn vader en broer), en veroordeelt hen omdat ze geven of ontvangen, wat ze volgens hem niet zouden moeten doen (vgl. Lc 15,29-32). Wat hij beschouwt als een eerlijk aanspraak maken op, is eigenlijk bittere jaloezie en gekrenkte trots.

Tot slot is er een tekortkoming van de zogenoemde logica van gevoel, waarbij het criterium voor een analyse van het gezinsleven zich richt op de eigen gewaarwordingen. Hoe voel ik me bij het gezinsleven? Voel ik me goed? We moeten ongetwijfeld aandacht besteden aan deze vragen. Iedereen moet proberen te ontdekken wat de sfeer in een gezin verbetert en wat onbehagen veroorzaakt. Maar ook al is emotioneel welzijn een belangrijke graadmeter, het mag niet het belangrijkste criterium of de eerste motivatie worden om bij te dragen aan het gezinsleven.

Wanneer deze beweegreden iemand in zijn greep krijgt, worden goede gevoelens voor hem of haar een voorwaarde om zich in te zetten voor de zorg voor het gezin. Er zijn echter momenten in het gezinsleven waar we onze persoonlijke voorkeuren opzij moeten zetten. Onze Vader heeft ons daar vaak aan herinnerd. We handelen ook in vrijheid als we ergens geen zin in hebben of iets bijzonder moeilijk vinden, als we het maar uit liefde doen.[12] Zo kunnen we denken niet in staat te zijn een bepaalde moeilijkheid te overwinnen, omdat we menen ‘recht’ te hebben op genegenheid, en we eisen dit als een stukje onvoorwaardelijke familieliefde, maar houden geen rekening met wat onze eigen bijdrage zou kunnen zijn. Dit is wat er gebeurde met de oudere broer in de gelijkenis, die er niet bij stilstaat of zijn vader iets extra's van hem nodig heeft, hij denkt alleen aan het feest dat hij heeft gemist (vgl. Lc 15,29).

Een te grote focus op het verkrijgen van genegenheid kan leiden tot een soort vriendjespolitiek. De oprechte en open vriendschap die kenmerkend is voor relaties tussen broers en zussen[13] maakt plaats voor een dynamiek van bijzondere en exclusieve vriendschappen,[14] die een karikatuur zijn van goede familiebanden. In een dergelijke situatie zou iemand huisgenoten kunnen gaan verdelen in ‘vrienden’ en ‘anderen’. Natuurlijk kan zo'n houding de sfeer in huis schaden, maar ook degene die deze houding aanneemt, omdat hij of zij gemakkelijk verbitterd en harteloos zou kunnen worden. De genade van het celibaat, gericht op een groot vermogen om van iedereen te houden[15], zou in een dergelijke context helaas teniet worden gedaan.

Dienstbaar zijn betekent geven

De hierboven beschreven tekortkomingen hebben een gemeenschappelijk kenmerk, namelijk een impliciet ‘tot hier en niet verder’ en een beperking van onze inspanningen en zelfgave. Soms, en dit gebeurt in alle sectoren van de samenleving, ligt de oorzaak van bepaalde crises of fysieke en psychologische inzinkingen in een mentaliteit en manier van handelen die gebaseerd is op een kil streven naar efficiëntie, controle, het vergaren van schouderklopjes of een hang naar genegenheid. Of in een mengeling van verschillende van deze elementen, naast andere mogelijkheden.[16]

Dit soort crises, die in het leven voorkomen en ons terugbrengen naar de realiteit, kunnen een aanleiding zijn voor reflectie en verandering. Ze vormen een kans om ons te realiseren dat we de weg kwijt zijn of nog niet de juiste weg hebben gevonden. Als een dergelijke crisis echter niet onder ogen wordt gezien, zou dit kunnen leiden tot angstig vluchtgedrag of een behoefte aan buitengewone gebeurtenissen om frustratie te compenseren. Maar omdat het probleem hiermee niet bij de wortel wordt aangepakt, zal de frustratie niet verdwijnen. Het kan zijn dat iemand tijdens feestelijke momenten in het gezinsleven, momenten die afwijken van de routine, niet echt kan genieten en er nooit met een voldoende bevredigend gevoel op terug kan kijken. Hij of zij zou gelukkig en dankbaar kunnen leven met wat hij of zij heeft, maar verlangt voortdurend naar wat hij of zij niet heeft.

In tegenstelling tot deze tekortkomingen die het leven en een roeping laten verflauwen, is er het wonderbaarlijke avontuur van God met de mensheid, namelijk de Verlossing.[17] Leven vanuit een houding van dienstbaarheid brengt ons ertoe te geven, maar niet omdat we iets verwachten te ontvangen, maar omdat we weten en geloven dat God van ons houdt (1 Joh 4,16). God staat centraal in ons leven, Hij houdt van ons en schenkt ons zijn genade, zodat we vrij kunnen geven. ‘Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven’ (Mt 10,8). We werken niet langer uit berekening aan een mooier gezinsleven en een thuisgevoel. Dienstbaar zijn brengt ons beetje bij beetje tot de eenvoud die kenmerkend is voor ouders. Zij hoeven zich niet voor te nemen om lief te hebben of dienstbaar te zijn.[18] Ze geven gewoon vanuit zichzelf en zijn er als een bescheiden steunpilaar[19] om het familiegevoel te versterken en de warme sfeer van een thuis bestendiger te maken. Als ze nadenken over hun mooie gezin, zijn ze vervuld van vreugde en dankbaarheid.

Jezus is de Zoon die werkelijk tegen zijn Vader kan zeggen: ‘Al het mijne is van U en het uwe is van Mij’ (Joh 17,10). Het mooiste wat we mogen ontvangen is de liefde van God, die ons altijd voorgaat, Hij heeft ons altijd als eerste lief (vgl. 1 Joh 4,10). Het hart is vervuld van deze liefde wanneer het verbonden is met anderen. Een liefde die geen rust nodig heeft of vermoeid raakt.[20] Waar we moe van worden is in kringetjes om onszelf heen draaien.[21] Dienstbaar zijn en er voor anderen zijn, daarentegen, is soms best een uitdaging maar put nooit uit.

Verschillende nuances

‘Als de Heer het huis niet wil bouwen, vergeefs zwoegen daaraan de bouwers; wil de Heer de stad niet bewaken, vergeefs staat de wachter op wacht’ (Ps 127,1). Deze woorden uit de heilige Schrift krijgen een bijzondere betekenis als we denken aan de werkelijke aanwezigheid van de Heer in de kappellen van de centra van het Opus Dei. Hij bouwt het huis en Hij waakt over de stad, als we Hem maar toelaten. De heilige Jozefmaria schrijft: ‘Als al jouw gedachten en verlangens op het tabernakel gericht zijn, zullen de vruchten van heiligheid en apostolaat overvloedig zijn!’[22] En het is waar, iemand die leeft vanuit God en voor anderen wordt een dynamische kracht die anderen inspireert en het ook voor anderen makkelijker maakt om te gaan streven naar heiligheid. Dit vormt een zeer stevig fundament voor de centra.

De manier waarop de dynamiek van dienstbaar zijn, ‘de gezonde psychologische instelling jezelf te vergeten en te bedenken hoe je anderen dichter bij God kunt brengen’[23] tot uitdrukking komt, hangt af van de mensen die erbij betrokken zijn. Elk centrum zou een uniek mozaïek moeten zijn, dat gevormd wordt door alle huisgenoten die met hun verschillende talenten een bijdrage leveren aan een warm thuisgevoel. Iedereen heeft andere ideeën of verwachtingen over wat een thuis betekent, dus is het belangrijk om niet alleen maar uit te gaan van een eenvoudige lijst van toepassingscriteria.

Elk centrum brengt unieke nuances aan in de manier waarop feestdagen worden gevierd, hoe iedereen elkaar helpt bij het materiële onderhoud van het huis, hoe apostolische projecten worden aangestuurd of hoe wordt omgegaan met gezinnen. Maar er zijn altijd een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Zo streven de huisgenoten naar respect voor elkaar, is er gevoel voor humor, een gerichtheid op het bovennatuurlijke, worden er bijeenkomsten voor families georganiseerd, delen zij nieuws over de Vader en de familie van het Werk, is er sprake van een vreugdevolle soberheid en sereniteit waardoor zij tot rust kunnen komen... Overal eenzelfde sfeer die in elk centrum concreet tot uitdrukking wordt gebracht. Daarom voelen we ons altijd thuis als we een andere regio of een ander centrum bezoeken, omdat we de eenheid en diversiteit, met andere woorden de rijkdom, van het Werk voelen.

Dienstbaar zijn betekent niet dat we niet meer geconfronteerd worden met onze eigen tekortkomingen of die van anderen. We zullen ons niet meer of minder op ons gemak voelen bij degenen met wie we samenleven, of het huishouden en de activiteiten niet beter of slechter organiseren, of ons niet meer hoeven inspannen om de mensen om ons heen te begrijpen[24] en om vergeving te vragen of te vergeven wanneer dat nodig is.[25] Maar het belangrijkste is dat een houding van dienstbaarheid ons altijd in staat stelt om manieren te vinden om verder te gaan en dichter bij God te komen.

Als we aan een thuis bouwen met een focus op dienstbaar zijn, komt alles tot leven. Tijdens samenkomsten en in gesprekken tijdens maaltijden is er meer aandacht om een discussie op gang te brengen, zodat anderen zich kunnen ontspannen. Een broederlijke vermaning wordt gegeven met respect voor de ander, niet vanuit ergernis over de beperkingen van de ander. En zo kan met een glimlach of een schouderophalen zonder irritatie achter veel dingen een punt worden gezet.[26] Hoewel het inspanning vraagt om los te komen van ons kleine egoïsme, creëert oprechte dienstbaarheid altijd een win-win situatie. Dienstbaar zijn is altijd waardevol voor de betrokkenen, zowel voor degene die geeft als voor degene die ontvangt. En omdat het vaak heel natuurlijk verloopt, kan het soms zelfs een beetje gênant zijn om over dienstbaarheid te spreken. Het gaat gewoon om naastenliefde.

Iedereen een onvervangbare rol

In zijn brief over de soorten van roeping tot het Werk herinnerde de Vader ons aan de beslissende invloed van de directeuren bij het creëren van een familiesfeer in de centra. Zij dragen met hun zorg en dienstbare houding bij aan het samenlevingsverband in de centra, waar iedere persoon even belangrijk is. Dit is een zeer concrete uitdrukking van het feit dat het Werk een familie vormt, een echte familie, niet alleen in overdrachtelijke zin.[27] In feite is het een voortdurend proces, in die zin dat gewerkt wordt aan een inspirerende omgeving waar iedereen kan nadenken over zijn of haar bijdrage aan een familiesfeer. Maar om deze tot leven te laten komen, vereist dit fundament de onvervangbare rol van alle huisgenoten.

Voor de directeuren van een centrum bestaat de dienstbare taak die God hen door het Werk toevertrouwt er in de eerste plaats in ervoor te zorgen dat iedere persoon de juiste vorming en geestelijke begeleiding krijgt, en voldoende materieel welzijn. De heilige Jozefmaria is van mening dat zij met vaderlijke en moederlijke zorg geestelijk en lichamelijk moeten zorgen voor degenen die aan hen zijn toevertrouwd.[28] Deze taak is een grote verantwoordelijkheid voor de directeuren, maar vraagt ook veel geduld en een overgave aan God. Ze zien de noodzaak om begrip te hebben voor ieders persoonlijkheid en sterke punten. Op basis daarvan wordt een groeipad bepaald waar zij hen ondersteunen, zowel individueel als voor een centrum als geheel. Ze hebben een duidelijk beeld van wat echt belangrijk is, namelijk iedereen dichter bij God te laten komen, in plaats van er alleen maar voor zorgen dat dingen op een bepaalde manier gebeuren. Ze zijn ook bereid om vergeving te vragen, niet alleen om niet in diskrediet te raken, het brengt hen ook nader tot anderen. Wanneer de organisatie van een centrum op deze manier wordt benaderd, blijft de sfeer een inherent streven naar heiligheid behouden, en wordt deze tegelijkertijd meer doordrongen van de vreugde en sereniteit die dit streven authentiek maken.[29] Alle huisgenoten van een centrum kunnen zich dan vinden in de missie om in harmonie samen te leven, met elkaar verenigd door gemeenschappelijke en individuele doelen.

De priester daarentegen is vaak een luisteraar die rust uitstraalt, perspectief probeert te bieden met een scherp inzicht in de verschillende aspecten van het dagelijks leven en hoop geeft. Priesters, aldus de heilige Jozefmaria, moeten eenzelfde instelling hebben als ieder ander, maar vooral een geest van begrip en naastenliefde, ervoor zorgen met iedereen goed om te gaan, een goed voorbeeld geven, anderen bemoedigen en helpen, zoals een moeder.[30] Meer dan wie ook moet de priester een instrument van eenheid en hoop zijn, ‘zonder angstvalligheid of complexen die meestal een bewijs zijn van een gebrek aan menselijke rijpheid, en zonder een gevoel van klerikale superioriteit dat van een gebrek aan bovennatuurlijke visie getuigt’.[31] Terwijl voor directeuren een gevaar kan schuilen in de vele eisen, kan deze voor de priester liggen in het dienstbaar zijn. Hij staat namelijk altijd op een concrete, onderscheiden en onvervangbare manier ten dienste van anderen en zou onbedoeld een slachtoffergevoel kunnen krijgen als hij het gevoel heeft dat zijn inspanningen niet worden gewaardeerd. Don Álvaro was echter van mening dat een echte priesterlijke ziel kan worden herkend aan een ‘nooit genoeg’. Een nooit genoeg liefde en een nooit terugdeinzen voor opoffering, net als Christus.[32]

In veel families is het normaal dat mensen van verschillende generaties (grootouders, ouders, kinderen) en met verschillende karakters samenwonen. Hoewel dit er soms toe kan leiden dat eenheid in de familie een uitdaging wordt, kunnen deze en andere moeilijkheden er vaak ook voor zorgen dat de familieband hechter wordt, zeker wanneer er sprake is van oprechte naastenliefde.[33] Daarom hebben alle huisgenoten die in een centrum wonen, van de meest ervaren personen tot nieuwkomers, de opdracht om een thuis te creëren, met ieders unieke persoonlijkheid en de talenten die God hen heeft gegeven, zodat het centrum voor iedereen een plek van geborgenheid, naastenliefde en vredige rust wordt. Alle huisgenoten hebben een onvervangbare rol in deze missie want zij weten allemaal welke talenten God ieder van hen heeft gegeven om anderen creatief en genereus te dienen. Naastenliefde die op deze wijze in de centra wordt ervaren, kan ook een oase van vrede en bron van inspiratie worden voor geassocieerden en surnumerairs, en voor iedereen die naar de warme sfeer van het Werk komt.

Last but not least moet worden genoemd dat zieken een bijzondere plaats innemen in de centra. ‘Immers, een op Hem verliefd mens ziet Hem in een kind en in een zieke’.[34] Maar ook omdat zieken de meest directe en praktische uitdaging vormen voor de tekortkomingen waar we het eerder over hadden. Door zich te laten verzorgen, bij te dragen wat ze kunnen in hun toestand en niet toe te geven aan een gevoel niet geliefd te zijn, kunnen ze een verbindende kracht vormen in de centra en ervoor zorgen dat inspanningen worden gebundeld om degenen die het het meest nodig hebben te helpen en te verzorgen. Het gezamenlijke leven in een centrum dat gebouwd is op deze fundamenten, zal de liefde van God uitstralen naar de mensen eromheen en geleidelijk de deuren openen naar het thuis dat Hij heeft bereid voor hen die Hem liefhebben. Als alle huisgenoten elkaar liefhebben, aldus de heilige Jozefmaria, zullen alle centra het thuis vormen dat hij voor ‘zijn’ kinderen wenste. Iedereen zal dan een heilige honger voelen om thuis te komen na een dag werken, en staan te popelen om de straat op te gaan [...] om te strijden voor vrede.[35]


[1] Vgl. Fil. 2,7; Mt 20,28.

[2] Vgl. heilige Jozefmaria, Brief, 14-02-1974, nr. 2.

[3] Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 861

[4] Opus Dei is een familie en tegelijkertijd een militie. Een familie verenigd door een vreugdevolle en vriendelijke genegenheid, en een militie toebereid voor de geestelijke strijd (vgl. De spiritu, nr. 64).

[5] Hieraan kan nog een ander kenmerk van de huidige cultuur worden toegevoegd, namelijk de neiging om ‘vrije tijd’ als iets individualistisch te beschouwen, zodat alles wat geen werk is draait om mijn interesses, mijn smaak, mijn activiteiten, mijn sociale leven, enz. Een dergelijke houding kan het gevoel van een warm thuis ondermijnen.

[6] Vgl. Fernado Ocáriz, Pastorale brief, 16-02-2023, nr. 9.

[7] De heilige Jozefmaria gebruikte vaak de term ‘empresa apostólica’, wat in het Nederlands wordt vertaald als ‘apostolische onderneming’ of ‘apostolisch werk’. Vgl. De Weg, nr. 638; De Voor, nrs. 107 en 587; De Smidse, nr. 838.

[8] Vgl. heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 17.

[9] Vgl. heilige Jozefmaria, Brief 27, nr. 34, geciteerd in E. Burkhart - J. López, Vida cotidiana y santidad en la enseñanza de San Josemaría, Rialp, Madrid 2013, vol. III, p. 600.

[10] Vgl. Fernando Ocáriz, Pastoral letter, 09-01-2018, nr. 8.

[11] De vorming die we gedurende ons hele leven ontvangen, zonder de noodzakelijke eisen ervan te veronachtzamen, kan in grote mate nieuwe horizonten openen. Als we ons daarentegen alleen beperken tot het stellen van eisen en het voldoen aan eisen, kunnen we uiteindelijk alleen maar gefocust raken op onze gebreken en beperkingen en het belangrijkste vergeten, namelijk Gods liefde voor ons (vgl. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 09-01-2018, nr. 11).

[12] Vgl. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 09-01-2018, nr. 6.

[13] Vgl. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 01-11-2019, nrs. 14-17.

[14] Het begrip ‘bijzondere vriendschap’ kent een lange en complexe geschiedenis in de christelijke traditie. Het wordt voor het eerst genoemd in de geschriften van de heilige Basil van Caesarea en ontwikkelt zich in het Westen met de Navolging van Christus en de werken van de heilige Teresa van Avila en de heilige Franciscus van Sales. Voor een uitleg van de heilige Jozefmaria over dit begrip, vgl. De Weg, nr. 366.

[15] Vgl. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 28-10-2020, nr. 22

[16] Tegelijkertijd zouden directeuren een grote fout begaan als ze zouden toestaan dat van een huisgenoot voortdurend te veel wordt gevraagd, zonder dat dat echt noodzakelijk is, en vergeten dat een dergelijke situatie tijdelijk zou moeten zijn. De juiste middelen moeten worden aangewend om ervoor te zorgen dat er zo snel mogelijk een einde aan komt (vgl. heilige Jozefmaria, brief 27, nr. 38).

[17] Vgl. heilige Jozefmaria, brief, 14-02-1974, nr. 2.

[18] Voornemens zijn overbodig als er sprake is van liefde. Ouders hoeven zich niet voor te nemen om van hun kinderen te houden, hun liefde blijkt uit de manier waarop ze voor hen zorgen (vgl. heilige Jozefmaria, aantekenngen van een familiebijeenkomst, in S. Bernal, Monseñor Josemaría Escrivá de Balaguer. Apuntes sobre la vida del Fundador del Opus Dei; Rialp, Madrid 1980, 6th ed., p. 37).

[19] Vgl. heilige Jozefmaria, Growing on the Inside, nrs. 233-239 (AGP, biblioteca, P12).

[20] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 296.

[21] Echt vermoeiend zijn trots en in kringetjes om onszelf heen draaien. En het is niet alleen vermoeiend voor onszelf, het belemmert ook de ziel om dichter bij God te komen. (vgl. zalige Don Álvaro, in Crónica, XI-1989, p. 1141; AGP, Biblioteca P01).

[22] Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 835.

[23] Ibid, nr. 861.

[24] Vgl. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 16-02-2023, nrs. 3-6.

[25] Ibid, nrs. 7-8.

[26] De heilige Jozef is een geweldig voorbeeld hiervan (vgl. heilige Jozefmaria, in A. Vázquez de Prada, The Founder of Opus Dei (III).

[27] Vgl. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 28-10-2020, nr. 15.

[28] Vgl. heilige Jozefmaria, brief 27, nr. 39.

[29] ‘”Ik had niet verwacht dat jullie allemaal zo opgeruimd zouden zijn”, hoorde ik opmerken. Van oudsher kennen we de duivelse poging van de vijanden van Christus om onvermoeibaar het gerucht in de wereld te helpen, dat mensen die zich aan God hebben gegeven “gefrustreerd” zijn. En ongelukkigerwijze geven sommigen die “goed” willen zijn hun een klankbord met hun “sombere deugden”. Wij danken U, Heer, dat U hebt willen rekenen op ons gelukkige, blijde leven om die valse karikatuur uit te wissen. Ik vraag u verder, dat we dit niet mogen vergeten’ (heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 58).

[30] Vgl. heilige Jozefmaria, aantekeningen van een familiebijeenkomst, 19-03-1961, in Crónica II-1993, p. 189 (AGP, Biblioteca, P01).

[31] Heilige Jozefmaria, Gesprekken met Mgr. Escrivá, nr. 4.

[32] Vgl. zalige Don Álvaro, Family Letters, nr. 377 (AGP, Biblioteca, P17).

[33] Vgl. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 16-02-2023, nr. 14.

[34] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 419.

[35] Heilige Jozefmaria, Crónica VII-1956, p. 7 (AGP, Biblioteca P01).

Carlos Ayxelá