Strijd, nabijheid, missie (21) Hij werkt met mij. De transformerende kracht van het dagelijks werk

Wanneer we Gods wijsheid in ons laten wonen en in ons laten werken, zijn onze inspanningen niet alleen aan Hem toegewijd: ze worden Gods eigen werk.

«Zend mij, Heer, vanuit uw troon der heerlijkheid uw wijsheid, opdat zij mij bijstaat en met mij samenwerkt, zodat ik weet wat U behaagt» [1]. In de eerste dagen van de gewone tijd bidt de Kerk elk jaar met deze woorden, geïnspireerd door het boek Wijsheid (vgl. Wijs 9,10). Wijsheid is ‘de smaak van het goede’ [2]: het vermogen te kiezen voor wat werkelijk van belang is, het ene noodzakelijke, het beste deel (vgl. Lc 10,42). Steeds meer mensen ontdekken de waarde van deze immateriële schat. Teleurgesteld door de eisen van succes en zekerheid, die hen leeg hebben achtergelaten, gaan zij op zoek naar iets anders. Soms voert deze zoektocht naar het christelijk geloof, maar soms ook naar oude religieuze en filosofische tradities uit het Verre Oosten, naar Griekse stromingen zoals het stoïcisme, of zelfs naar New Age spiritualiteit.

“Zend uw wijsheid, vanuit uw troon der heerlijkheid”: met dit gebed geeft de Kerk stem aan deze verlangens en verkondigt zij God als de enige bron van ware wijsheid. Een gelovige is vertrouwd met een dergelijk gebed; maar wat betekent het dat deze wijsheid van boven ‘met mij samenwerkt’, dat zij mij vergezelt in mijn dagelijks werk? In verschillende van de genoemde tradities wordt het dagelijkse werk immers vaak gezien als een hindernis op de weg naar wijsheid en levensvervulling. In de Bijbel daarentegen baant de wijsheid – Gods heilsplan voor zijn volk, dat geleidelijk wordt geopenbaard in de Wet en de profeten – zich een weg door het concrete leven en het werk van mensen. Aanvankelijk zichtbaar in het scheppingswerk zelf, bereikt zij haar hoogtepunt in de menswording van het Woord, in de woorden, gebaren en het werk van Jezus van Nazareth.

«Een bovennatuurlijk motief»

In zijn prediking keerde de heilige Jozefmaria vaak terug naar het idee dat de verlossing door Jezus — de definitieve openbaring van de wijsheid — niet alleen zijn leer, zijn wonderen en zijn kruisoffer omvat, maar ook zijn dagelijkse arbeid in Nazareth. «Omdat Christus gewerkt heeft, is de arbeid voor ons bovendien een verloste en verlossende realiteit. Het werk is niet alleen de leefwereld van de mens, maar ook een middel, een weg naar de heiligheid, iets dat geheiligd kan worden en heilig maakt.» [3]. Door het werk van Jezus in Nazareth zijn alle activiteiten die gericht zijn op het voorzien in de verschillende behoeften van het menselijk leven opgenomen in Gods plan.

«Strikt genomen kun je niet langer zeggen dat dingen op zichzelf goed of uitsluitend profaan zijn, aangezien het Woord zich heeft verwaardigd de menselijke natuur ten volle aan te nemen en de aarde te heiligen met zijn tegenwoordigheid en met het werk van zijn handen.» [4] Alles wat we doen krijgt zo een nieuwe betekenis: de wijsheid die ‘bij mij is’ en ‘met mij meewerkt’ is Jezus zelf, die mijn werk met het Zijne verenigt. Mijn werk kan dan een uitdrukking worden van deze goddelijke wijsheid, en dat is wat ‘het heiligen’ betekent: het veranderen in wat aan God toebehoort, in een verlengstuk van Gods blijvende zegen over de wereld (vgl. Gen. 1).

Dit perspectief — hoe mooi ook — kan vertroebeld raken of zich slechts langzaam ontvouwen. Velen voelen zich uitgeput of gaan gebukt onder de last van hun beroep, of zijn ‘opgebrand’ na jarenlang intensief werken. Anderen lijden onder een vruchteloze zoektocht naar werk of proberen te herstellen van een zware professionele tegenslag. Sommigen hebben het moeilijk met het ‘noodgedwongen nietsdoen’ [5], als gevolg van ouderdom of ziekte. Voor iedereen, in welke situatie ook, geldt wat de heilige Jozefmaria in De Weg schreef: «Leg een bovennatuurlijk motief in de uitoefening van je beroep en je zult je werk geheiligd hebben.» [6]. Deze zin lijkt eenvoudig, maar bevat een visie op de wereld die nog altijd vernieuwend en ongewoon is.

Mijn werk — of mijn pogingen om een baan te vinden, of om anderen van dienst te zijn ondanks lichamelijke beperkingen — dat alles past, of wil passen, in het plan van Gods wijsheid. Wat geheiligd wordt en op mysterieuze wijze vruchtbaar is, is mijn ‘gewone werk’: precies datgene wat ik ook op eigen kracht zou kunnen doen. In feite behoort mijn werk al vooraf aan God toe, als iets dat geheiligd kan worden; het vraagt echter om de juiste houding van het hart.

Het ‘bovennatuurlijke motief’ komt tot uiting in de kwaliteit en de warmte van het werk: «Een essentieel onderdeel van dat werk — de heiliging van het gewone werk — dat God ons heeft toevertrouwd, is de goede uitvoering van het werk zelf, de menselijke volmaaktheid, de goede nakoming van alle beroeps- en sociale verplichtingen» [7]. Laten we even stilstaan bij deze woorden: de ‘volmaaktheid’ van het werk, zo zegt de heilige Jozefmaria, wordt afgemeten aan ‘beroeps- en sociale verplichtingen’. Dit brengt ons naar de kern van de heiligheid van werk, naar de bijzondere manier waarop het aan God toebehoort.

Wanneer werk een gezicht krijgt

Elk beroep moet worden begrepen binnen de context van een netwerk van relaties: het is een dienst die we verschuldigd zijn aan een persoon of een gemeenschap, waardoor de beroepsmens beantwoord aan de behoefte of nood van een ander. Vandaar het woord ‘beroep’, afkomstig van het Latijnse professio: een openbare verklaring van engagement. Het geheel van deze onderlinge diensten dat zo ontstaat, maakt van werk een werkelijk menselijke activiteit.

Ondanks de ontwikkeling dat veel banen in de 21e eeuw minder persoonlijk worden, blijven deze relaties stilzwijgend aanwezig: de schoonmaker die zich inzet om een aangename omgeving te creëren voor anderen, de luchtvaartingenieur die zich verantwoordelijk weet voor het leven van passagiers, de architecte die ruimtes ontwerpt met het oog op het samenleven van de bewoners, de magazijnmedewerker die zorg draagt voor een tijdige en onbeschadigde levering van goederen, de restauratrice van erfgoed die culturele schatten bewaart voor toekomstige generaties…

Voor wie zijn werk wil heiligen — dat wil zeggen, het wil inpassen in Gods plan — treden deze relaties op de voorgrond: het werk krijgt een persoonlijk karakter, het krijgt een gezicht. En precies in dit netwerk van menselijke relaties ligt het ‘bovennatuurlijke motief’ dat het werk heiligt: «Maar we mogen niet vergeten dat de waardigheid van de arbeid gebaseerd is op de Liefde. Het grote voorrecht van de mens is dat hij kan liefhebben en boven het kortstondige en voorbijgaande kan uitstijgen. Hij kan andere schepselen beminnen en een “jij” en een “ik” uitspreken dat vol inhoud is. En hij kan God beminnen die de deur van de hemel voor ons opendoet, ons in zijn gezin opneemt en ons in staat stelt om ook met Hem vertrouwelijk te spreken, van aangezicht tot aangezicht. Daarom mag de mens zich niet beperken tot het maken van dingen, tot produceren. Het werk vloeit voort uit liefde, is een uiting van liefde en gericht op liefde.» [8].

Met andere woorden, het ‘bovennatuurlijke motief’ is niets anders dan de liefde voor God en de mensen. In deze regels, zoals ook elders, schrijft de heilige Jozefmaria dit aanvankelijk met een hoofdletter, omdat de Liefde — de bron van alle andere liefde — God zelf is. Het is de liefde die in mij woont wanneer ik mij door God laat liefhebben, wanneer ik mijn ogen open voor zijn persoonlijke aanwezigheid naast mij, wanneer ik leer met Hem te spreken als met een vriend, van aangezicht tot aangezicht.

Dit is de liefde die ‘de deuren van de hemel opent’, die onze werkelijkheid beetje bij beetje omvormt tot een hemel, omdat wij bij Hem zijn die ons oneindig liefheeft, Zijn liefde ontvangen en die met dankbare vreugde beantwoorden. Zo overstijgen we ‘het vergankelijke en het voorbijgaande’ en bereiken we het doel waarnaar alle zoekers naar wijsheid verlangen: liefhebben en zegenen, zoals God. Deze liefde betekent ‘jij’ en ‘ik’ zeggen in de volste betekenis van die woorden: uit de gevangenis van ons egoïsme treden en de ander ontdekken alsof het de eerste keer is.

Daarom, zoals de heilige Jozefmaria uitlegt, “kan het werk van een christen niet louter een kwestie zijn van dingen doen, voorwerpen maken”. Dit is een bekoring waarmee we allemaal geconfronteerd worden in ons werk, zeker in de huidige cultuur: ons beperken tot het uitvoeren van bepaalde taken of het behalen van doelstellingen, of ons succes en falen meten aan louter materiële efficiëntie, aan zichtbare en meetbare resultaten, aan targets. In vrijwel elke werkomgeving maken uiteenlopende vormen van druk — urgentie, concurrentie, onvoorziene omstandigheden — het moeilijk om verder te kijken dan de ‘voorwerpen’ van onze onmiddellijke zorg en de persoon te zien die erachter schuilgaat. Het personeel van een bedrijf, de passagiers in een vliegtuig, de klanten die op hun aankopen wachten… al deze mensen kunnen naar de achtergrond verdwijnen, overschaduwd door andere eisen.

Tegen deze complexe achtergrond benadrukt de heilige Jozefmaria dat de ware waarde van het werk wordt bepaald door de liefde. Het is de liefde die het werk zijn transformerende kracht geeft. Zoals hij aan het einde van de paragraaf samenvat: als het van God komt, “vloeit het voort uit liefde”, want alleen een hart dat weet dat het bemind wordt, kan zijn werk zien als een manier om lief te hebben; “het is een uiting van liefde”, omdat het iets weerspiegelt van Gods eigen wijze van zijn; en het is “gericht op de liefde”, omdat het werkelijk wil dienen, helpen en zorg dragen voor mensen en de wereld.

Deze liefde verklaart ook waarom men de kwaliteit van zijn werk wil verbeteren. Het gaat niet om een obsessie met efficiëntie, noch om perfectionisme of faalangst, maar om het verlangen: de mensen van wie we houden beter dienen. Ik doe mijn werk goed, met liefde, omdat ik aan mensen denk. En wanneer de liefde ons drijft, kan zelfs wat menselijk gezien een mislukking is, in Gods ogen een overwinning zijn. Want uiteindelijk “heeft God mij niet geroepen om succesvol te zijn. God heeft mij geroepen om trouw te zijn” [9].

In een recent bericht verduidelijkt de Prelaat in welke zin het ‘motief’ dat het werk heiligt werkelijk bovennatuurlijk is: «Het gaat niet alleen om werk door God en voor God gedaan, maar het is tegelijkertijd en noodzakelijkerwijs werk van God; Hij is het die als eerste liefheeft en door de Heilige Geest onze liefde mogelijk maakt.» [10]. Wanneer wij Gods wijsheid in ons laten wonen en met ons laten meewerken, zijn onze inspanningen niet alleen aan Hem gewijd en door Hem geïnspireerd: zij worden Gods eigen werk.

Dan kunnen we de woorden van Jezus werkelijk tot de onze maken: “Mijn Vader is tot op de dag van vandaag voortdurend aan het werk, en ook Ik houd niet op met werken. (…) De Zoon kan niets uit zichzelf, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen” (Joh. 5,17.19). Wanneer dit werkelijkheid wordt, wordt ons werk een vonk van Gods liefde in de geschiedenis: een klein, maar wezenlijk onderdeel van zijn grote heilsplan. Zo krijgt ons gewone, dagelijkse werk een transformerende kracht en een evangeliserend potentieel dat alleen God volledig kan doorgronden: we dragen op een reële manier bij aan de redding van de wereld.


[1] Getijden, donderdag van de derde week van de gewone tijd, Lezingen. De Latijnse tekst luidt als volgt: «Emitte, Domine, sapientiam de sede magnitudinis tuae, ut mecum sit et mecum laboret. Ut sciam quid acceptum sit apud te».

[2] Heilige Bernardus, Preek 85, 5.

[3] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, n. 47.

[4] Ibid., n. 120.

[5] Heilige Jozefmaria , De Weg, n. 294.

[6] Ibid., n. 359.

[7] Heilige Jozefmaria, Brief 24, n. 18.

[8] Christus komt langs, n. 48.

[9] Cfr. L. Maasburg, La Madre Teresa de Calcuta. Un retrato personal, Madrid, Palabra 2012, p. 208.

10 F. Ocáriz, Bericht, 10-X-2024.

Robert Marsland