Heel menselijk, heel goddelijk (VI): Overgaan tot actie

Stoppen om na te denken, de weg kiezen, actie ondernemen. Drie essentiële momenten die vorm geven aan de voorzichtigheid, de deugd die nodig is om het goede te doen op de enige echte plaats: hier en nu.

In een olieverfpaneel dat in Berlijn bewaard wordt, heeft Rembrandt in 1627 een oude man die in het halfduister aan een tafel zit geportretteerd. Om hem heen liggen gouden munten en waardepapieren opgestapeld. Tot de voorwerpen behoort ook een horloge, een verwijzing naar het feit dat zijn uren geteld zijn. De oude man draagt een bril om zijn slechte gezichtsvermogen te verhelpen en verlicht de tafel en zijn bezittingen met een kaars, die hij met zijn rechterhand bedekt: een onzeker licht, als een levensdraad die weldra zal uitdoven.

Zo stelde deze grote kunstenaar zich de parabel voor die Jezus eens voor een menigte van duizenden mensen vertelde: “Het land van een rijk man had een grote oogst opgeleverd. Daarom overlegde deze bij zichzelf: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen. En hij zei: Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere: daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren bergen. Dan zal ik tot mijzelf zeggen: Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren; rust nu uit, eet en drink en geniet ervan! Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God” (Lc 12,16-21).

God zelf noemt deze rijke man ‘dwaas’ of onverstandig. “De man die iedereen kende als intelligent en welgesteld is in de ogen van God een dwaas. ‘Onverstandige’, zegt Hij tegen hem. Gezien de realiteit waar het in werkelijkheid om gaat, komt hij met al zijn berekeningen merkwaardig dwaas en kortzichtig over, omdat hij bij die berekeningen het echt belangrijke was vergeten: dat zijn ziel naar iets meer verlangde dan goederen en pleziertjes en dat hij zich op een dag voor God zou bevinden.”[1] Deze man besefte niet dat de zin van zijn leven is samengevat in de liefde tot God en de naaste. Daarom was hij, toen hij de gelegenheid had iets voor anderen te doen, niet in staat verder te denken dan aan zichzelf. In wezen was hij onwetend over “hoe de dingen werkelijk zijn en in elkaar steken”; hij kon niet juist handelen want “het goede is dat, wat met de werkelijkheid overeenstemt”.[2] Dat is waarom hij dwaas is. Daarom is hij onverstandig.

Valse voorzichtigheid

De voorzichtigheid is de deugd die ons handelen met de werkelijkheid verbindt: voorzichtig is de mens voor wie de dingen zich voordoen zoals zij werkelijk zijn. Op grond van deze relatie met de werkelijkheid brengt deze deugd ons ertoe de geschikte middelen te kiezen om een goed doel te bereiken en er ook voor te gaan. Met andere woorden, de voorzichtigheid beschouwt niet zomaar elk doel als goed. Daarom is het nodig, zoals de hl. Jozefmaria zei: “Zich altijd af te vragen: voorzichtigheid, waarvoor?”[3] En wij antwoorden: om God en de anderen te beminnen. Zoals de heilige Augustinus schreef: “De voorzichtigheid is de liefde die weet te onderscheiden wat nuttig is om tot God te naderen en wat ons van Hem kan verwijderen”.[4]

De voorzichtigheid moet gepaard gaan met het geloof en de naastenliefde om niet te ontaarden in een van haar karikaturen. Er zijn in feite twee valse voorzichtigheden. Aan de ene kant is er de eenvoudige ‘voorzichtigheid van het vlees’ (vgl. Rom. 8,6), de voorzichtigheid van hen die zich uitsluitend richten op genoegens en materiële goederen, en alleen het genot en het bezit daarvan nastreven, zonder oog te hebben voor andere, belangrijkere doeleinden.[5] “Hij noemt het verstand en gebruikt het alleen om beestachtiger te zijn dan alle beesten”[6], zegt Mefistofeles in een beroemd werk van Goethe. Aan de andere kant hebben we de ‘sluwheid’: de handigheid om de middelen te vinden om een slecht doel te bereiken. Dit slechte doel hoeft niet noodzakelijkerwijze een materieel goed te zijn, alsof het genieten daarvan iets slechts zou zijn. Het kan bijvoorbeeld bestaan in een zelfzuchtig zoeken van eigen zekerheid, zonder acht te slaan op de behoeften van anderen [7], zoals in het geval van de rijke man in onze parabel.

De ware voorzichtigheid, aldus de Catechismus van de Katholieke Kerk, “stelt de praktische rede in staat in alle omstandigheden het werkelijk goede te ontwaren en de juiste middelen te kiezen om het tot stand te brengen”.[8] Dit ware goed is niet beperkt tot het materiële, maar omvat de hele persoon; het is het goede dat voortkomt uit de waarheid van de dingen zelf, en niet alleen uit mijn verlangens. Het bestaat erin aan ieder het zijne te geven en te volharden op de weg die ons het gelukkigst zal maken – de heiligheid, de liefde, de trouw – ondanks de moeilijkheden die we tegenkomen; het is het genieten van materiële genoegens in harmonie met de waarheid van ons wezen.

Deze definitie van de voorzichtigheid spreekt van een onderscheidingsvermogen en een keuze. Voor het eerste – “het onderscheiden van het ware goed(e)” – moeten wij onze wil en ons hart zuiveren, zodat zij het ware goed liefhebben en verlangen. Dit wordt bereikt door de andere deugden, vooral door de rechtvaardigheid, maar ook door de sterkte en de matigheid. De morele deugden wijzen de voorzichtigheid inderdaad op het goede: alleen daarmee kan deze zich oriënteren op goede doeleinden en “de juiste middelen kiezen” om die te bereiken. Maar tegelijkertijd valt de voorzichtigheid als maatstaf binnen de definitie van elke deugdzame handeling, want het is de voorzichtigheid die ons handelen met de werkelijkheid verbindt en hier en nu het juiste, – het meest voortreffelijke –, midden kiest tussen twee verkeerde uitersten. Dat wil zeggen dat de voorzichtigheid zowel een voorwaarde voor de groei van de andere morele deugden is alsook een resultaat ervan. Het is als een opwaartse spiraal. En daarom zijn de opvoeding en de omgeving waarin wij leven zo belangrijk: daar leren wij lief te hebben en het ware goed(e) te smaken, niet door te redeneren, maar door ons te vereenzelvigen met degenen die wij liefhebben.

Bezinning: even stoppen om na te denken

In een diepgaande studie over de voorzichtigheid onderscheidt de heilige Thomas van Aquino er drie handelingen in: beraadslaging of overleg, beslissing en uitvoering. De eerste twee bestaan alleen in ons verstand; de derde daarentegen zet ons tot handelen aan.[9] Deze drie handelingen kunnen duidelijk worden onderscheiden in een ander verhaal van Jezus: de parabel van de domme en de verstandige bruidsmeisjes, waarin de Heer het rijk der hemelen vergelijkt met een onderdeel van de viering van het joodse huwelijk (vgl. Mt 25,1-13).

De ceremonie in de parabel bestond erin dat de bruid, met bepaalde plechtigheden, naar het huis van de bruidegom werd gebracht. Laat op de avond, meestal op een woensdag, waren de gasten bij de bruid thuis. De bruidegom zou dan iets voor middernacht met zijn beste vrienden aankomen om zijn bruid te ontmoeten. Verlicht door de vlammen van de lampen, werd hij door de gasten verwelkomd. Het was gebruikelijk dat tien bruidsmeisjes de bruidegom met lampen opwachtten, ter herinnering aan de joodse openbare plechtigheden. Het zijn de tien bruidsmeisjes van wie Jezus zegt dat zij “hun lampen in orde maakten” en “uitgingen om de bruidegom tegemoet te gaan”. Het hele gezelschap moest dan, begeleid door het licht van deze lampen, naar het vaderlijk huis van de bruidegom gaan, waar het huwelijk zou plaatsvinden.

Zij waren echter niet allemaal even voorbereid om hun rol te spelen. In feite “waren vijf van hen dom, de andere vijf verstandig. De domme namen wel hun lampen mee, maar geen olie; de verstandige echter namen met hun lampen tevens kruiken olie mee”. Deze laatsten hadden een vooruitziende blik: zij herinnerden zich dat in zulke gevallen de bruidegom pas tegen middernacht kwam; zij berekenden dat hun lampen het niet zo lang zouden uithouden (beraad); zij kozen ervoor kruiken met olie als reserve mee te nemen, ondanks het ongemak van het dragen ervan (besluit); en ten derde deden zij het ook daadwerkelijk (uitvoering). De domme daarentegen wilden zich het leven niet moeilijk maken, hoewel zij misschien gehoord hadden hoe de verstandige het probleem bespraken en zelfs zagen hoe zij de oliekruiken gingen halen; zij lieten zich meeslepen door onnadenkendheid en de haast om zo snel mogelijk bij het huis van de bruid te komen; zij werden aangetrokken door de spelen en het gelach en dachten er niet veel over na. Men krijgt de indruk dat de domme bruidsmeisjes in de parabel misschien vooral door gebrek aan overleg onverstandig waren; zij lieten zich meeslepen door een zekere lichtzinnigheid.

Uiteindelijk gebeurde er wat te voorzien was: “Toen nu de bruidegom op zich liet wachten, dommelden zij allen in en sliepen. Maar midden in de nacht klonk er geroep: Daar is de bruidegom! Trekt hem tegemoet! Meteen waren al de meisjes wakker en maakten hun lampen in orde.” Maar de dommen ontdekten dat die van hen uitgingen door gebrek aan olie. Ze vragen dan de verstandige om hun wat te lenen, wat deze niet doen, juist omdat ze verstandig zijn: Nee, er mocht eens niet genoeg zijn voor ons en jullie samen. Gaat liever naar de verkopers en haalt wat voor jezelf. Maar terwijl zij onderweg waren om te gaan kopen kwam de bruidegom, en die klaar stonden traden met hem binnen om bruiloft te vieren.” Uiteindelijk werd hij dus alleen begeleid door de vijf verstandige meisjes met hun brandende lampen, en door een menigte die zingt en danst. Als ze in het huis zijn aangekomen gaat de deur op slot. Tegen de tijd dat de vijf domme meisjes arriveren is het al laat. Hoewel zij smeken: “Heer, heer, doe open!”, krijgen zij dit harde antwoord: “Voorwaar, ik zeg u: ik ken u niet”.

Wij kunnen ons afvragen: waarom noemt Jezus sommigen verstandig en anderen dom? De parabel stelt ons in staat hierop te antwoorden door de drie stadia van verstandig handelen te beschouwen, maar de eerste springt er op een bijzondere manier uit: het overleg. Om goed te kunnen handelen is het nodig eerst na te denken over de situatie, aandachtig en getrouw te letten op de realiteit; soortgelijke gevallen in herinnering te roepen om van die ervaring te leren; zich te laten adviseren door anderen – door de verstandigen – want, zoals de heilige Thomas ook zegt, “in dingen die de voorzichtigheid betreffen, is er niemand die het altijd in zijn eentje af kan”.[10] En ten slotte is het noodzakelijk goed te letten op de veranderende omstandigheden, die het raadzaam kunnen maken het plan aan te passen en een nieuwe beslissing te nemen om het beoogde goed te bereiken. Kortom, het is dus zaak de werkelijkheid te kennen als een onmisbare voorwaarde om het goede te doen. ‘Goede bedoelingen’ of ‘goede wil’ zijn niet genoeg: het is nodig in de waarheid te wandelen, want alleen “de waarheid zal u bevrijden” (Joh. 8,31).

De heilige Jozefmaria spoorde ons altijd aan de dingen grondig te bestuderen alvorens een beslissing te nemen, naar alle betrokkenen te luisteren en overhaasting te vermijden: “Wat dringend is kan wachten – zei hij – en wat heel dringend is moet wachten”.[11] Hij wees op de noodzaak om in het gebed de raad van de Heilige Geest te zoeken, want “werkelijk verstandig is hij, die altijd bedacht is op de influisteringen van God”.[12] Hij stelde ook voor ons tot anderen te wenden die ons kunnen helpen, zoals een geestelijk begeleider of degenen die met ons de verantwoordelijkheid voor een beslissing delen. In dit proces van overleggen is de nederigheid van fundamenteel belang om ons open te kunnen stellen voor de waarheid, om zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid van de dingen te komen.

Besluit: de weg kiezen

Ter illustratie van de besluitvorming, het tweede moment van de voorzichtigheid, is het verslag van Marcus over de vroege morgen van Paaszondag verhelderend. Maria Magdalena en de andere vrouwen hadden welriekende kruiden gekocht om het lichaam van Jezus te balsemen en waren vroeg in de morgen op weg gegaan, terwijl ze tegen elkaar zeiden: “Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?” (Mc 16,3). Hoewel zij er niet in geslaagd zijn een oplossing te vinden voor alle problemen waarmee zij zullen worden geconfronteerd, zet de liefde voor Jezus deze vrouwen ertoe aan de juiste, verstandige beslissing te nemen: zij besluiten te handelen met de informatie waarover zij beschikken. “Het was een enorme steen”, zegt de heilige Jozefmaria. “Zo gaat het meestal. Je ziet meteen de moeilijkheden, maar als de liefde aanwezig is, merk je die hindernissen niet op: er is durf, besluitvaardigheid, moed: wat gedaan moet worden, wordt gedaan! Wie zal die steen verwijderen? Ze konden het niet alleen, en toch gaan ze verder, op weg naar het graf. Mijn zoon, jij en ik, hoe aarzelen wij? Hebben wij deze heilige besluitvaardigheid, of moeten wij bekennen dat wij ons schamen als wij denken aan het besluit, de onverschrokkenheid, de vermetelheid van deze vrouwen? Toen zij bij het graf kwamen, “bemerkten ze echter dat de steen weggerold was (Mc 16,4). Dit gebeurt altijd. Wanneer wij besluiten te doen wat wij horen te doen, worden de moeilijkheden gemakkelijk overwonnen”.[13]

Het beraad, die eerste daad van de voorzichtigheid, kan niet eindeloos doorgaan. Op een gegeven moment moeten we ermee ophouden en een beslissing nemen. Want besluiteloosheid is een andere vorm van onvoorzichtigheid, die de voorafgaande beraadslaging onvruchtbaar maakt: het heeft geen zin de meest deugdzame handelwijze te bepalen als ik er daarna niet toe overga, omdat ik er geen zin in heb, of ook omdat ik er niet voor in de stemming ben, vanwege ‘wat zullen ze zeggen’, uit angst een fout te maken of om welke andere reden dan ook. Het heeft geen zin te weten wat het beste is als ik niet besluit het te doen. “Morgen! Soms is het voorzichtigheid. – Heel vaak is ’t het woord van hen, die zich gewonnen geven.”[14]

De verstandige mens wacht niet op zekerheid waar die er niet kan zijn. “Hij heeft het liever twintig keer mis dan dat hij vervalt in een gemakkelijk ‘als ik niets doe, doe ik niets fout’.”[15] Niet beslissen is vaak onverstandig, want dan beslissen anderen, of gewoon de tijd, voor ons, misschien met minder onderscheidingsvermogen om het goede te doen. De verstandige mens pretendeert niet alles volkomen onder controle te hebben: hij erkent zijn eigen beperkingen en vertrouwt op God, want dat is het meest reële.

Het voorbeeld van Jezus is welsprekend. In het evangelie toont Hij zich aan ons als iemand die de werkelijkheid kent, zijn bestemming, zijn ware goed: hij wacht bedachtzaam op de komst van zijn ‘uur’. Zo zegt hij in Kana tegen zijn moeder: “Mijn uur is nog niet gekomen” (Joh 2,4). Daarna, bij twee gelegenheden, vertelt Johannes ons hoe Hij zich een weg baant door de menigte “omdat zijn uur nog niet gekomen was” (Joh 7,30; 8,20). Op een gegeven moment zien we zelfs dat zijn verlangens en zijn gevoelens niet overeenkomen (vgl. Mt 26,39), maar hij kiest ondanks alles voor het goede. Dat “staat op, laten we gaan!” (Mt 26,46) vóór zijn gevangenneming in de Hof van Olijven is een verstandige keuze, heldhaftig verstandig.

De uitvoering: overgaan tot de actie

Aan het einde van de Bergrede geeft Jezus enkele waarschuwingen, waaronder dit beeld van de verstandige mens: “Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan men vergelijken met een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde. (…) Maar ieder die deze woorden van Mij hoort, doch er niet naar handelt, kan men vergelijken met een dwaas die zijn huis bouwde op het zand” (Mt 7,24-26). Het verschil tussen de verstandige en de dwaze mens ligt hier in het in praktijk brengen van het besluit. Want het is niet voldoende om te overleggen en te beslissen: er moet ook worden gehandeld. Dit is het derde en laatste moment van de ware voorzichtigheid, het overgaan tot de uitvoering, waarvan de heilige Thomas zegt dat dit het belangrijkste is, omdat het waardeloos is de weg te kennen als men hem niet volgt.[16] Men kan onverstandig zijn, niet alleen door overhaasting of besluiteloosheid, maar ook – en dat komt vaker voor dan het lijkt – door te stagneren bij hindernissen of door na te laten te doen wat men zou moeten doen, vaak door iets zo simpels als vergeetachtigheid.

“Lang nadenken en snel handelen”: zo raadde de heilige Jozefmaria de zalige Alvaro del Portillo eens aan.[17] Met deze stelregel wilde hij enerzijds waarschuwen tegen de vergissingen waartoe overhaasting leidt, maar ook tegen de onvoorzichtigheid om het besluit en de uitvoering ervan onnodig uit te stellen. Onverschrokkenheid staat niet gelijk aan onvoorzichtigheid. Meer nog, als het echte onverschrokkenheid is, is het echte voorzichtigheid. “Doen wat er gedaan moet worden… Zonder aarzeling… Zonder vals zelfmedelijden…Zonder dit alles zou Cisneros geen Cisneros zijn geworden; Teresia van Ahumada geen heilige Teresia van Avila…; Ignatius van Loyola geen heilige Ignatius… God en onverschrokkenheid!”[18]

Onnodige vertraging bij de uitvoering van wat er besloten is, kan bovendien anderen schaden: vooral als men een vormende of leidende functie heeft, zoals ouders met hun kinderen, of werkgevers met hun ondergeschikten. Er is sterkte voor nodig om allerlei verleidingen te overwinnen: vrees voor iets, of doen wat het makkelijkste is of een overdreven gehechtheid aan het eigen image. Dit komt goed tot uiting in een brief waarin de heilige Catharina van Siena er bij paus Gregorius XI op aandringt een einde te maken aan de excessen van sommige geestelijken: “Dit soort toegeeflijkheid, die voortkomt uit de eigenliefde en liefde voor familieleden, vrienden en de aardse vrede, is in werkelijkheid de ergste wreedheid, want als een wond niet wordt schoongemaakt met heet ijzer en het mes van de chirurg wanneer dat nodig is, zal zij geïnfecteerd raken en uiteindelijk tot de dood leiden. Zalfjes zijn misschien aangenaam voor de zieke, maar hij zal er niet beter van worden.”[19]

Natuurlijk is de onverschrokkenheid van de echte voorzichtigheid niet in strijd met het zoeken naar het beste moment om uit te voeren wat er besloten is, altijd rekening houdend met de naastenliefde, het welzijn van de personen. Soms moeten we geduldig weten te wachten. Andere keren is het niet raadzaam te wachten, omdat de gevolgen daarvan erger zouden zijn, omdat de gelegenheid zich niet zal herhalen, of om andere redenen. De verstandige mens is degene die, hier en nu, “met een zeker oog beoordeelt of een bepaalde handeling de weg is die werkelijk zal leiden tot het bereiken van het voorgestelde doel”.[20] Maar hoe dan ook, alleen de uitvoering van wat er na rijp beraad besloten is, zal in ons dat diepe verlangen van Jezus verwezenlijken (Mt 5,16): “Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is.”


[1] J. Ratzinger, Naar Christus kijken (???), blz. 20-22.

[2] J. Pieper, De kardinale deugden, blz. 16.

[3] Hl. Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 85.

[4] Hl. Augustinus, De moribus Ecclesiae, I, 15, 25.

[5] Hl.Thomas van Aquino, Summa theologica, II-II, q. 47, a. 13, res.

[6] Johann Wolfgang Goethe, Faust¸Proloog in de hemel.

[7] Summa theologica, II-II, q. 47, a. 8, ad 3.

[8] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1806. [cursief van de schrijver]

[9] Summa theologica, II-II, q. 47, a. 8, res.

[10] De kardinale deugden, blz. 49.

[11] J. Echevarría, Memoria del Beato Josemaría, Rialp, Madrid, 2000, p. 165.

[12] Vrienden van God, nr. 87.

[13] Hl. Jozefmaria, Aantekeningen van een meditatie, 29-3-1959.

[14] Hl. Jozefmaria,De Weg, nr. 251.

[15] Vrienden van God, nr. 88.

[16] Vgl. Summa theologica, II-II, q. 47, a. 8, res.

[17] Brief aan Alvaro del Portillo, geciteerd in The founder of Opus Dei, dl 3.

[18] De Weg, nr. 11.

[19] S. Undset, De heilige Catharina van Siena.

[20] De kardinale deugden, blz. 51.

José Brage