De zaligsprekingen (III): De luidspreker van God

“Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen getroost worden.” Het lijden kan een ervaring zijn die ons in staat stelt God te ontmoeten. Paus Franciscus heeft deze tekst over de zaligsprekingen voorgelegd aan de jongeren ter voorbereiding van de Wereldjongerendagen in Polen.

Opus Dei - De zaligsprekingen (III): De luidspreker van God

Hij was geen Meester zoals de anderen. De honderden mensen die zich op de berghelling verspreidden, luisterden met verbazing naar zijn prediking in een nieuwe bewoording. Hij noemde de armen gezegend en beloofde hen het Koninkrijk der Hemelen.

Om de eerste zaligspreking (zalig de armen van geest) goed in de harten te laten postvatten, zou de Heer waarschijnlijk eerst even pauzeren voordat hij de tweede zaligspreking opnoemde: toen zei hij: "Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.”[1]

Treuren? Hoe kan de Heer wensen dat we treuren, dat we lijden? Welke verlosser belooft zijn volgelingen tranen?

Bij deze woorden zouden velen opkijken. Omdat ze niet gelukkig waren, hadden ze hun huis en hun dorp verlaten om dagenlang op zoek te gaan naar die rabbijn, die hun hart in vuur en vlam zou zetten. Ze wilden genezen van een ziekte, verlost worden uit een onrechtvaardige situatie, hun leven veranderen, of de hoop op God terugwinnen. Maar huilen? Hoe kon de Heer wensen dat we huilen, dat we lijden? Welke Verlosser belooft zijn volgelingen tranen?

Verbaasd zouden ze over de woorden van de Meester hebben nagedacht. Na de armen te hebben aangesproken, wijst de Heer nu de huilende mensen de weg. Hij is een Messias die niet alleen tot de rijken spreekt, of tot de getalenteerden, tot degenen die het goed doen in het leven. Deze Meester heeft een boodschap voor iedereen, want wie heeft er nog nooit gehuild? Wie twijfelt eraan dat verdriet, lusteloosheid of pijn vroeg of laat in zijn leven verschijnen?

De luidspreker van God

Waarom hebben we God nodig? Dat is een vraag die bij ons kan opkomen, vooral in tijden waarin we met ons hoofd bij andere, interessante of urgente dingen zijn. Ons hoofd en hart zijn bij andere zaken en onze relatie met de Heer wordt ervaren als een last, vol regels en verplichtingen (zoals het bijwonen van de zondagsmis), die ons niets oplevert. Het lijkt niet de moeite waard.

Als we in ons leven als op een kalme zee varen en wij het gevoel hebben kapitein van ons eigen schip te zijn, dan kunnen we zelfs aan Gods aanwezigheid twijfelen. Er is echter weinig nodig om te begrijpen dat het schip dat we besturen erg kwetsbaar is. Een ziekte, familieproblemen, een onbeantwoorde liefde of de ondervinding dat niets ons volledig vervuld zijn ervaringen die een schaduw kunnen werpen op alles wat ons omringt.

De schrijver C.S. Lewis interpreteerde die momenten van pijn - fysiek of innerlijk - als een sterke roeping van God. “God fluistert tot ons tijdens onze genietingen," zei hij, "Hij spreekt tot ons in ons geweten, maar Hij schreeuwt tot ons in onze pijn; pijn is als zijn luidspreker om een dove wereld wakker te schudden.[2]

Het is niet vreemd dat de innerlijke onrust, zorgen of belangen die onze geest bezighouden, zijn stem onhoorbaar maken, en dan vergeten we de Heer

Inderdaad, God is altijd bij ons en in het gewone leven fluistert Hij ons zijn raad in. Hij dringt zich niet op, maar stelt voor. Het is niet vreemd dat de innerlijke onrust, zorgen of belangen die onze geest bezighouden, zijn stem onhoorbaar maken en dan vergeten we de Heer en

verbannen Hem naar een hoekje. We worden doof. Toch laat Hij ons nooit in de steek en als wij moeten lijden vanwege een beproeving, dan keert Hij terug om ons te vergezellen.

Hij roept je bij je naam

Het leed dat ons gedurende het leven overkomt kan het gevolg zijn van objectieve situaties zoals het overlijden van een familielid, een tijd van economische zorgen of arbeidsproblemen, een ziekte, enzovoort. Het zijn omstandigheden waarin de oplossing van het probleem niet geheel in onze handen ligt. Op zulke momenten kunnen we leren van Maria Magdalena, die we, net als bij Jezus, Maria, Petrus en Paulus, in de Evangeliën zien huilen.

Twee dagen na de kruisiging van de Heer gaat Maria Magdalena naar het graf van de Heer om het lichaam met oliën te balsemen. Haar verdriet verhindert haar niet Jezus een laatste keer te willen dienen. Hoeveel herinneringen vallen haar die ochtend in, terwijl ze alleen door de straten van Jeruzalem loopt! Maar bij het bereiken van het graf en de ontdekking dat het leeg is, stort Maria Magdalena in. Zelfs de troost het lichaam van de Heer te kunnen zien ontbreekt: alles is haar ontnomen. Ze blijft zich afvragen: Waarom, waarom?

"Vrouw, waarom huil je?"[3], zegt een stem. In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: "Heer, mocht gij Hem hebben weggebracht, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen.” Zij kon zich niet voorstellen wat er was gebeurd. Alleen God kent de reden achter gebeurtenissen die ons tot wanhoop kunnen brengen. "Maria!", roept de Heer. "Rabboeni! Meester!” roept ze van vreugde uit, als ze Hem herkent.

Soms hebben we gewoon iemand nodig die onze naam met liefde uitspreekt, opdat er licht kan schijnen op moeilijke situaties.

"Maria!" Toen ze geroepen werd, openden haar ogen zich voor de waarheid. Soms hebben we gewoon iemand nodig die onze naam liefdevol uitspreekt, opdat er licht op onze moeilijke situatie kan schijnen. Als we geen betekenis vinden voor ons leed en niet meer weten wat we moeten doen, is het goed om voor het tabernakel te knielen, het probleem in Gods handen te leggen en te luisteren naar de Heer die onze naam uitspreekt.

De olifant aan de ketting

Wie de Heer in zijn gewone leven wil ontmoeten, moet niet denken dat hij moet wachten op een grote tragedie om Gods vertroosting te verkrijgen. De kleine teleurstellingen, ontmoedigingen, klachten of tegenslagen van elke dag zijn gelegenheden om Zijn hulp te zoeken.

In concreto is de opeenstapeling van de eigen ellende een van de oorzaken van lijden. Zelfs als we denken dat we in het leven ‘niets ergs hebben gedaan’, herinnert ons hart zich elke verwonding. Op mysterieuze wijze wordt de ziel moe van de begane zonden, groot en klein. Zo komt het dat wij ons op een dag uitgeput en ongemotiveerd voelen of we minachten onszelf zonder aanleiding. Op dit soort momenten zijn we zeer kwetsbaar en het is dan onverstandig toe te geven aan langdurig verdriet, want verdriet lokt de zonde uit, en dan kunnen we, als we boos, verveeld of overwonnen zijn, domme dingen doen. "De ene afgrond roept de andere op " zegt de Bijbel.[4]

"We hebben allemaal duisternis in ons leven," geeft Paus Franciscus toe, "zelfs momenten waarop het overal, zelfs in het geweten, donker is, is het niet? Wandelen in duisternis betekent: tevreden zijn met zichzelf, ervan overtuigd zijn dat we geen verlossing nodig hebben. Dat is duisternis!".[5] In feite, zoals de Paus aangeeft, bestaat het gevaar dat we tevreden zijn met onze ellende en de voorkeur geven aan bitterheid boven verandering, want verandering impliceert strijd, groei, rijping. We denken: ‘Ik zou moeten studeren’, ik zou mijn ouders minder moeten tegenspreken en hen moeten begrijpen’, ‘ik zou deze ondeugd moeten laten varen... maar vaak gaan we niet verder dan de wens.

Hetzelfde kans ons gebeuren: We hebben lang gevochten tegen onze gebreken en, moe gestreden, zijn we er uiteindelijk mee opgehouden.

Vroeger bond men olifanten aan een dikke ketting om te voorkomen dat ze uit het circus zouden ontsnappen. Het reusachtige dier had een enorme kracht en zou zich met een ruk aan de poot kunnen bevrijden. Waarom deden ze dat dan niet? Zodra ze geboren waren, werden ze vastgeketend en omdat ze te zwak waren, lukte het niet zich los te rukken. Daardoor verloren ze de ambitie om te blijven trekken. Eenmaal groot waren ze zich niet bewust van de inmiddels verworven kracht en bleven geknecht aan die simpele ketting.

Hetzelfde kan ons overkomen: lange tijd hebben we gevochten tegen hardnekkige gebreken en moegestreden zijn we daar uiteindelijk mee gestopt. Snel opstaan, studeren volgens plan, kuis leven, oprecht zijn in de biecht of aardig zijn tegen mensen die ons lastig vallen, kan een onmogelijk te winnen oorlog worden. Maar dat klopt niet: met Gods hulp moeten we blijven proberen, want wat eerst niet mogelijk was, kan nu met een beetje meer moeite lukken. Bovendien kunnen we rekenen op Gods genade: Hij vraagt ons slechts om een beantwoording en dat we Hem in de arm nemen.

Wie nog niet volwassen genoeg is om de eigen verantwoordelijkheid te nemen voor dit soort problemen, wordt opstandig of geeft de schuld aan anderen (familie, vrienden, het ‘systeem’, enzovoort). Het is alsof de zonde ons bedekt en we merken de anderen en God niet meer op. We zien de behoeften van anderen niet en denken alleen nog maar aan wat óns raakt.

Een eerste stap om verlost te worden van deze nare situatie is met andere ogen naar de mensen om ons heen kijken en hen niet langer de schuld te geven van ons lijden. Thuis meehelpen, meeleven met de problemen van onze ouders, tijd en aandacht geven aan een vriend in nood, of iets ondernemen op het gebied van solidariteit, kan een goed begin zijn. We zullen onder meer ontdekken hoe groot onze capaciteit is om anderen gelukkig te maken. Deze stap zetten is absoluut de moeite waard!

"En weer, en weer, en weer,..."

Jozefmaria vroeg: "Ben je de vreugde kwijt? ̶ Denk dan: er is een hindernis tussen God en mij. ̶ Bijna altijd zal het zo zijn.[6] Want, om uit de sleur te komen, kan het flink helpen om te gaan biechten. Als dat nog een stap te ver is, kunnen we een goed gewetensonderzoek doen en erkennen wat we moeten veranderen. Als onze trots niet tegenwerkt, zal God ons ook de kracht schenken die we nodig hebben om Hem vergiffenis te vragen.

Als we er nog niet klaar voor zijn om te gaan biechten, kunnen we ons als we ons geweten onderzoeken en erkennen dat we moeten veranderen.

De hindernissen die kunnen opduiken ̶ ‘Ik kan beter een andere keer biechten’, ‘ik ben er nog niet klaar voor om dit al te vertellen’, ‘de priester zal me niet begrijpen’, ‘ik heb er nu geen zin in’... ̶ zijn valstrikken van de duivel waar we resoluut overheen moeten springen. We mogen hem geen enkele overwinning gunnen. Niet alleen zal het masker van de leugens vallen maar ook zal de Heer ons vullen met zijn genade als wij, bewust van Gods tegenwoordigheid, onze zonden belijden.

"We denken dat naar de biecht gaan net zoiets is als naar de wasserij gaan. Jezus in de biechtstoel is echter geen wasserij, maar eerder een ontmoeting met Iemand die op ons wacht zoals we zijn. Maar Heer, kijk, dit ben ik. We schamen ons om de waarheid te zeggen: dit heb ik gedaan, daar heb ik aan gedacht (...). Zich schamen is een deugd van de nederigen! Daarom moeten we met vertrouwen, met vreugde zelfs, gaan biechten, zonder het mooier te maken dan het is. We mogen het nooit mooier maken voor God! De volle waarheid. Met schaamte? Gezegende schaamte..." En optimistisch vraagt de Paus zich af: "Wat als ik het morgen weer doe? Nou, dan ga je weer, en weer, en weer... Hij wacht altijd op ons." En bij een andere gelegenheid zei hij: "God wordt het nooit moe ons te vergeven, wij zijn het die moe worden om God om vergeving te vragen."[7]

Alleen op deze manier zal onze kwetsbaarheid geen last zijn die ons met onzekerheid vervult, maar een gelegenheid om te leven met de vreugde die alleen zij bezitten, die weten dat ze Gods kinderen zijn. Dit is wat de H. Jozefmaria adviseerde: Ben je bedroefd?... Omdat je gevallen bent in deze kleine schermutseling? Nee! Wees blij! Want de volgende keer zul jij, met de genade van God en met je vernedering van nu, overwinnen![8]

We zullen gaan inzien dat de tranen - het innerlijke lijden, de zwakte of twijfels - de moeite waard zijn geweest. We hebben onszelf beter leren kennen en weten nu nog duidelijker dat we altijd op Gods hulp kunnen rekenen. Als we ons verdriet aan God toevertrouwd hebben en de vrede en serene vreugde ervaren van een gedane biecht, zullen we begrijpen waarom Jezus hen die treuren ‘zalig’ noemt.

J. Narbona / J. Bordonaba


Vragen bij het persoonlijk gebed

  • Beoefen ik het geloof alleen als het me iets oplevert? Denk ik alleen aan de Heer als ik Hem iets moet vragen? Kan ik, om God niet te vergeten in drukke tijden, elke dag tijd maken om een paar minuten met Hem te praten of te bidden? Kan ik met mijn geestelijk leidsman een plan uitwerken om dagelijks met God om te gaan?
  • Accepteer ik de dingen die niet naar mijn wens verlopen? Vraag ik God me te helpen Zijn wil te zien en om van die gelegenheden gebruik te maken om dichter bij Hem te komen?
  • Wanneer ik boos word of iets fout gaat, denk ik dan na over hoe ik het anders zou kunnen doen? Heb ik altijd kritiek op anderen zonder ooit mijn deel van de verantwoordelijkheid te nemen? Vraag ik vergeving wanneer ik besef dat ik een fout heb gemaakt of mezelf heb beschadigd, ook als dat niet makkelijk is?
  • Welke obstakels weerhouden me ervan God om vergeving te vragen in de biecht? Probeer ik steeds beter te biechten? Ga ik naar de biecht met de houding van iemand die ‘zijn kruiwagen leeg wil gooien’ of probeer ik de Heer echt, met mijn hart, om vergeving te vragen?

[1] Mt 5, 4.

[2] C.S. Lewis, The Problem of Pain, University Press, p. 96.

[3] Joh 20,11-18.

[4] Psalm 42, 8

[5] Paus Franciscus, Homilie, 29 april 2013

[6] Heilige Jozefmaria, De Weg nr. 662.

[7] Paus Franciscus, Homilie, 30 april 2013

[8] Heilige Jozefmaria, De kruisweg, 3de statie nr. 3