De persoon in zijn geheel bereiken: de rol van het hart (I)

Vorming is niet zomaar kennis: zij raakt het gehele wezen van de persoon, om hem naar Christus te vormen.

Opus Dei - De persoon in zijn geheel bereiken: de rol van het hart (I)

Sommigen zijn geneigd vorming als kennis te zien. De persoon in zijn geheel bereiken, vereist echter een veel diepere zienswijze: dat we de vorming zien als een manier van zijn. Het doel is dan veel verhevener, namelijk: zich verdiepen in het mysterie van Christus en toelaten dat de genade ons transformeert om aan Hem gelijkvormig te worden.

Jezus Christus is beslist de liefde van ons leven, niet alleen de grootste onder alle andere, maar de liefde die zin geeft aan alle andere liefdes en interesses, aan alle verwachtingen, ambities, taken en initiatieven die onze dagen en ons hart vullen. Daarom is het essentieel dat “de persoon van Jezus Christus de centrale plaats”[1] behoudt in ons geestelijk leven. Hij is de weg om in gemeenschap te treden met de Vader in de H. Geest. In Hem wordt het mysterie onthult van wie de mens is[2] en waartoe hij geroepen is. Met Christus op weg zijn betekent groeien in zelfkennis en verdiepen in het mysterie dat we zijn. Jezus een plaats geven in het centrum van ons leven brengt daarom onder meer met zich mee, “dat we vanuit een nieuw licht de antropologische en christelijke waarden van de verschillende ascetische middelen herontdekken en de persoon in zijn geheel bereiken: verstand, wil, hart, relatie met de andere”.[3]

Met Christus op weg zijn betekent groeien in zelfkennis en verdiepen in het mysterie dat we zijn.

De te bereiken persoon dat zijn wij zelf, dat zijn allen die we ontmoeten in ons apostolaat en in onze vriendschap. De door ons ontvangen of gegeven vorming moet het verstand, de wil en het hart raken, zonder dat één van die elementen genegeerd of ook maar ondergeschikt wordt gemaakt aan de andere. In dit artikel focussen we op de vorming van het gevoelsleven, zonder te vergeten dat het enorm belangrijk is dat deze vorming op een goede intellectuele vorming steunt. Het overwegen van het belang van de integrale vorming zal ons toelaten de grote waarheid te herontdekken, die vervat zit in de gewoonte van de H. Jozefmaria om ‘trouw’ en ‘geluk’ gelijk te stellen[4].

Zich vormen om in harmonie met Christus te zijn

Sommigen zijn geneigd vorming als kennis te zien. Goed gevormd is dan wie zijn leven lang goede leerstellige, ascetische, professionele, enz. leerstof heeft ontvangen. Toch is een dergelijke opvatting ontoereikend: de persoon in zijn geheel bereiken vereist dat we de vorming zien als een manier van zijn. Een goede beroepsmens bezit de kennis en de techniek die door zijn beroep vereist zijn, maar hij heeft iets meer: hij heeft gewoontes ontwikkeld, manieren van zijn, die hem helpen om zijn kennis en techniek goed toe te passen: gewoontes van aandacht voor de anderen, van concentratie in het werk, van stiptheid, van bekwaamheid om successen en tegenslagen te verwerken, van volharding, enz.

Zo ook, een goed christen zijn betekent niet enkel maar de theorie over sacramenten, gebed of algemene en professionele morele normen kennen (ieder volgens zijn positie in Kerk en maatschappij). Het doel is veel verhevener: het is zich verdiepen in het mysterie van Christus om er de omvang en de diepte van te kennen (vgl. Ef 3,18) en toelaten dat zijn Leven ingang vindt in het onze, in de mate zelfs dat we met Sint-Paulus kunnen herhalen: “Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij.” (Gal 2,20) Dat wil zeggen, alter Christus, ipse Christus zijn[5], toelaten dat de genade ons stilaan transformeert om aan Hem gelijkvormig te worden. Deze houding is niet louter passief, zich beperkend tot het niet dwarsbomen van de werking van de genade, want de Heilige Geest herschept ons niet in Christus, zonder onze vrije en moedwillige medewerking. Maar ook dit volstaat niet: ons aan Jezus overgeven, Hem ons leven schenken betekent niet alleen onze keuzes en onze handelingen geven; het betekent ook Hem de gave van ons hart doen, van onze gevoelens, ja, van onze spontaniteit. Hiervoor is een goede intellectuele en leerstellige vorming onmisbaar, die ons verstand vormt en een invloed heeft op onze keuzes. Maar deze leer moet ook tot in ons hart doordringen. En dit vereist strijd… en tijd. Anders gezegd: we moeten deugden verwerven, en daarin bestaat precies het doel van de vorming.

De ontwikkeling van het innerlijk leven leidt niet tot het verliezen van interesses en gevoelens.

Sommigen vrezen dat het benadrukken van de deugden uitmondt in voluntarisme. Niets is minder waar. Aan de oorsprong van deze verwarring ligt misschien een verkeerde opvatting over de deugd, die haar simpelweg beschouwt als een extra kracht van de wil, die de persoon in staat stelt om aan de morele norm te voldoen, zelfs als deze zich verzet tegen de eigen neigingen. Dit is een vrij verspreide opvatting, die inderdaad van voluntaristische origine is. Dan bestaat de deugd inderdaad in het vermogen om tegen zijn neigingen in te gaan, wanneer de morele norm dat vereist. Zeker, deze gedachte bevat een grond van waarheid, maar een dergelijke opvatting, die van de deugden koude kwaliteiten maakt, is onvolledig. In de praktijk leidt dat tot het negeren van onze neigingen, interesses en gevoelens, en uiteindelijk, zonder het te willen, tot het koesteren van het ideaal van de onverschilligheid, alsof het innerlijk leven en de zelfgave erin zou bestaan dat we ons door niets meer aangetrokken voelen, dat onze toekomstige keuzes kan belemmeren.

Deze opvatting over de vorming verhindert “de persoon als geheel te bereiken”: verstand, wil en hart ontwikkelen zich dan niet langer samen, hand in hand, elkaar onderling ondersteunend, maar het ene vermogen onderdrukt dan het andere. Echter, de ontwikkeling van het innerlijk leven vereist nu net deze integratie, en leidt uiteraard niet tot de verschrompeling van de persoonlijkheid of tot het verliezen van interesses en gevoelens. Het beoogde doel is niet dat de zaken ons niet meer raken, dat wat belangrijk is er voor ons niet meer toe doet, dat wat pijnlijk is ons geen pijn meer doet, dat de zorgen ons niet meer bezighouden of dat wat aantrekkelijk is ons niet meer aantrekt. Integendeel, het leidt tot een expansie van ons hart, dat zich vult met een grote liefde. Vanuit deze liefde bekeken kunnen de gevoelens in een ruimere context gesitueerd worden, wat helpt om zich tegen de ‘problematische’ gevoelens te verzetten en om de positieve en transcendente zin van de aangename gevoelens te vatten.

Het Evangelie toont ons de oprechte bekommernis van Jezus om de rust van de zijnen. “Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit.” (Mc 6,31). Het toont ook de reactie van zijn hart voor het lijden van zijn vrienden, zoals Martha en Maria (vgl. Joh 11,1-44). We kunnen ons niet inbeelden dat Jezus Christus dan een rol speelde, alsof wat rond Hem gebeurde, omwille van zijn eenheid met de Vader, Hem in de grond onverschillig liet. De H. Jozefmaria sprak over ‘de wereld liefhebben’ en hem ‘hartstochtelijk liefhebben’.[6] En hij nodigde ons uit om met ons hart bij God te zijn en, door Hem, bij de anderen, in het werk dat ons bezighoudt en in het apostolisch werk, want de Heer wil niet dat wij dor en stug zijn als dode stof.[7] De beschikbaarheid, bijvoorbeeld, is niet de houding van wie onverschillig staat tegenover deze of gene zaak, omdat hij alle interesse verloren heeft, misschien om niet af te zien als iets wordt gevraagd dat hem tegenstaat. Neen, het gaat om de grootmoedige houding van wie, op een gegeven ogenblik, kan verzaken aan wat goed en aantrekkelijk is, om zich te richten op wat God van hem verwacht, want zijn diepste verlangen is voor God te leven. Kortom, het gaat om iemand met een groot hart, met edele ambities en interesses, die hij zo nodig aan de kant kan zetten, niet omdat hij deze negeert of doet alsof hij er ongevoelig voor is, maar omdat zijn interesse om God te beminnen en te dienen veel groter is. Deze interesse is niet alleen veel groter, maar ook steeds meer wat zin geeft aan alle zijn andere interesses en ze samenvat.

Genoegen vinden in de beoefening van de deugden

De vorming van de deugden vereist strijden tegen onze neigingen en ze overwinnen, als deze ingaan tegen de goede daden. Dit is maar een deel van de waarheid: de reductionistische of voluntaristische visie op de deugd, waar we het hierboven over hadden. Welnu, de deugd bestaat er niet in ons tegen de neigingen te verzetten, maar veeleer in het vormen ervan. Het doel is dus niet: in staat zijn onze gevoelens opzij te zetten om ons te laten leiden door een externe regel; maar wel: het gevoelsleven zodanig vormen dat we voldoening vinden in het goede dat we gedaan hebben. De deugd betekent precies vreugde vinden in het goede of, anders gezegd, de vorming van de goede smaak: “[Gelukkig de man] die vreugde vindt in de wet van de Heer, zijn wet overpeinst dag en nacht.” (Ps 1,2) Uiteindelijk bestaat de deugd in de vorming van het gevoelsleven en niet in de gewoonte er zich systematisch tegen te verzetten.

Zolang de deugd niet gevormd is, kunnen de gevoelens weerstand oproepen tegen de goede daad en moeten we deze weerstand overwinnen. Maar het doel is niet zozeer om de gevoelens te overwinnen, maar veeleer om de smaak voor de goede houding te ontwikkelen. Wanneer we de deugd bezitten, kan de goede daad ons nog moeite blijven kosten, toch doen we deze met vreugde. Bekijken we een voorbeeld. ’s Ochtends stipt opstaan, de heldhaftige minuut,[8] zal ons allicht altijd moeite kosten: misschien zal nooit een dag aanbreken waarop we geen zin zullen hebben nog een poosje in bed te blijven liggen als de wekker afloopt. Als we ons echter gewoonlijk inspannen om de luiheid uit liefde tot God te overwinnen, zal het moment komen waarop we dit met vreugde zullen doen, terwijl toegeven aan de gemakzucht ons zal mishagen en een bittere nasmaak nalaten. Evenzo, iets wegnemen in een winkel, zonder te betalen, is voor een eerlijke persoon niet alleen verboden maar ook een lelijke, onaangename daad, in strijd met zijn gesteldheid en zijn hart. Deze vorming van de gevoelens, die vreugde geeft in het goede en afkeer van het kwade, is geen zijdelings gevolg van de deugd, maar is er een wezenlijk deel van. Om die reden stelt de deugd ons in staat om van het goede te genieten.

Dit is geen louter theoretisch idee. Integendeel, wanneer we aan het strijden zijn, is het praktisch heel relevant te weten, dat we niet bezig zijn ons aan een lastig leven te wennen, maar van het goede te leren genieten, zelfs als we daarvoor tijdelijk tegen de haren in moeten gaan.

De vorming van de deugden zorgt ervoor dat onze vermogens en gevoelens zich leren concentreren op wat werkelijk onze diepste verzuchtingen kan voldoen, en dat ze alles wat slechts middel is, naar een secundaire plaats leren bannen, ondergeschikt aan het belangrijkste. Zich vormen in de deugden betekent in laatste instantie leren gelukkig te zijn, te genieten van wat groots is, en uiteindelijk, zich voor te bereiden om naar de Hemel te gaan.

Goed handelen helpt ons om de gevoelens goed af te stemmen.

Als zich vormen betekent groeien in de deugden en als de deugden bestaan in een ordening van de gevoelens, vloeit hieruit voort dat elke vorming er één is van het gevoelsleven. Iemand die dit leest, kan misschien opwerpen dat zijn pogingen om deugden te verwerven meer te maken hadden met doen dan met voelen. En hij zal er misschien nog aan toevoegen dat we niet zonder reden de deugden operatieve gewoonten noemen. Dat klopt. Maar als de deugden ons helpen het goede te doen dan is dat omdat ze ons helpen juist te voelen. Het menselijk wezen beweegt steeds met het oog op het goede. Het ultiem moreel probleem is: hoe komt het dat iets wat niet goed is, ons hier en nu toch goed lijkt. Dat is zo omdat de wanorde van onze neigingen ons ertoe leidt de waarde te overschatten van het goede, waar slechts één van hen op gericht is. Dit goed lijkt ons dan te verkiezen boven een ander goed, dat nochtans een grotere objectieve waarde bezit, omdat het beter overeenkomt met het globale goed van de persoon. Zo kunnen we bijvoorbeeld in een concrete situatie voor de keuze staan om al dan niet de waarheid te zeggen. Dankzij de natuurlijke neiging tot de waarheid wordt deze ons als iets goeds voorgehouden. Maar we hebben ook een natuurlijk verlangen naar waardering, dat ons de leugen als wenselijk kan doen overkomen, als het erop lijkt dat de waarheid ons in een slecht daglicht zal stellen. Deze twee neigingen liggen met elkaar in de clinch. Welke zal de bovenhand halen? Het zal afhangen van het belang dat we hechten aan elk van die twee goederen. En op het ogenblik dat we oordelen, speelt het gevoelsleven een beslissende rol. Als dit goed gevormd is zal het de rede helpen te begrijpen dat de waarde van de waarheid zeer groot is en dat waardering door anderen niet te verkiezen is, als dit het verzaken van de waarheid met zich meebrengt. Liefde voor de waarheid, boven al het andere dat ons ook aantrekt, is juist wat we oprechtheid noemen. Maar als het verlangen om goed over te komen sterker is dan de aantrekking van de waarheid, dan zal het verstand zich makkelijk wijsmaken dat het wenselijker is om te liegen, terwijl het heel goed weet dat dit niet goed is. Zelfs als we pertinent weten dat we niet mogen liegen, menen we dan dat het hier en nu past dit te doen.

Het goed afgestemde of geordende gevoelsleven helpt het goede te doen, omdat het ons helpt het eerder te zien. Vandaar het grote belang om het goed te vormen. Hoe? In een volgende artikel zullen we daar enkele ideeën over uiteenzetten. Nu zullen we ons beperken tot het signaleren van wat we moeten weten, alvorens dat onderwerp aan te snijden.

De wil en de gevoelens

We hebben zonet gezegd dat een geordend gevoelsleven helpt om goed te handelen. We kunnen het ook andersom zeggen: goed handelen helpt ons om de gevoelens goed af te stemmen.

We weten uit ervaring dat we er niet in slagen onze gevoelens rechtstreeks te controleren. Dit verliezen we best niet uit het oog, als we niet te snel gefrustreerd of ontmoedigd willen geraken. Als we overmand zijn door ontmoediging, kunnen we dit probleem niet oplossen door doodleuk te beslissen blij te zijn. Hetzelfde geldt als we ons op een bepaald moment graag moediger of minder bedeesd zouden willen voelen, of wanneer we geen schaamte of vrees zouden willen hebben, of geen voelbare aantrekking zouden willen voelen, van iets wat we als ongeordend aanzien. Of we zouden graag op een meer natuurlijke manier willen omgaan met iemand die ons om onbenullige redenen niet sympathiek overkomt. Maar we slagen er niet in; we zien in dat de moeilijkheid niet verdwijnt door ons voor te nemen met meer eenvoud met hem om te gaan. Kortom, een beslissing van de wil volstaat niet opdat onze gevoelens zich zouden afstemmen op onze verlangens.

Toch betekent het feit dat de wil niet rechtstreeks de gevoelens controleert, niet dat hij geen enkele invloed op hen zou hebben.

In de ethiek wordt de controle die de wil op de gevoelens kan uitoefenen gekwalificeerd als politiek, omdat hij gelijkt op de controle van een vorst op de beslissingen van zijn onderdanen. Vermits de onderdanen vrij zijn kan hij hun beslissingen niet rechtstreeks controleren. Maar hij kan bepaalde maatregelen nemen, bijvoorbeeld een belastingvermindering, in de hoop via de vrije wil van de burgers bepaalde resultaten te verkrijgen, zoals een groei van de consumptie of van investeringen. Ook wij kunnen bepaalde handelingen stellen in de hoop dat ze welbepaalde gevoelens uitlokken. Zo kunnen we, als we hulp zoeken voor een apostolische project, stilstaan bij al het goede dat het zal teweegbrengen, om ons vrijmoediger te voelen bij het vragen van een gift om het op te starten. We kunnen ons goddelijk kindschap overwegen in de hoop dat een professionele tegenkanting onze gemoedstoestand minder negatief beïnvloedt. We weten ook dat de inname van een bepaalde dosis alcohol een voorbijgaande toestand van euforie kan veroorzaken. En als we vrijwillig piekeren over een ons aangedaan onrecht, zullen we woedereacties uitlokken. Ziedaar enkele voorbeelden van de invloed die de wil, steeds onrechtstreeks, op korte termijn kan uitoefenen op de gevoelens.

Veel belangrijker echter is de invloed die de wil op lange termijn op het gevoelsleven uitoefent, want deze invloed is het die toelaat het gevoelsleven vorm te geven, het te vormen. Hierover nadenken doet ons begrijpen dat de persoon één is en dat de vorming slechts zijn doel bereikt als ze verstand, wil en hart bereikt. Hierbij zullen we in het volgende artikel stilstaan.

Julio Diéguez


[1] Mgr. Ocáriz, Pastorale Brief, 14 februari 2017, nr. 8.

[2] Vaticanum II, pastorale constitutie Gaudium et spes (7 december 1965), nr. 22.

[3] Mgr. Ocáriz, Pastorale Brief, 14 februari 2017, nr. 8.

[4] H. Jozefmaria. De Voor, nr. 84: “Je geluk op aarde is één met je trouw aan het geloof, aan de zuiverheid en aan de weg die God voor je heeft bepaald.” Vgl. bijvoorbeeld ook Instructie, mei 1935/14 september 1950, 60; Instructie, 8 december 1941, 61; Vrienden van God, nr. 189.

[5] Christus komt langs, nr. 96.

[6] Het volstaat de titel te vermelden van zijn homilie De wereld hartstochtelijk de wereld beminnen, in Gesprekken, nrs. 113-123.

[7] H. Jozefmaria. Vrienden van God, nr. 183.

[8] De Weg, nr. 206.