Thema 26: De Moraliteit van Menselijke Handelingen

In principe zijn alleen vrijwillige handelingen te beoordelen naar hun moraliteit. De vorming van de complexe wereld van gevoelens is een fundamenteel onderdeel van de christelijke opvoeding en het christelijk leven. Om de hartstochten te ordenen is het nodig om morele gewoonten te verwerven die ook wel deugden worden genoemd. Het object, de intentie en de omstandigheden zijn de 'bronnen', de elementen die de moraliteit van menselijke handelingen omvatten.

Hartstochten en handelingen
Het is nuttig om eerst het onderscheid te verduidelijken tussen hartstochten en vrijwillige handelingen. Hartstochten worden ook wel gevoelens of emoties genoemd. Soms worden we verrast door een onvoorziene reactie op mensen, gebeurtenissen of dingen: een onverwacht woedeaanval bij een ervaren belediging; een spontaan gevoel van verdriet en verbijstering bij de plotse dood van een vriend; een gevoel van afgunst bij het zien van iemand die in het bezit is van een waardevol object. Deze psychische toestanden, die zich zonder onze toestemming voordoen (en waarbij we als het ware passieve subjecten zijn), worden gewoonlijk gevoelens of hartstochten genoemd. Maar op andere momenten beseffen we dat we actieve subjecten van onze daden zijn, omdat we ze plannen en uitvoeren op eigen initiatief: we besluiten te gaan studeren of bezoeken een zieke vriend. De moeite waarmee we onze emoties in toom houden of juist de vrije loop laten, zijn ook handelingen: wanneer we worden geconfronteerd met een belediging die onze woede wekt, kunnen we glimlachend zwijgen. Of iemand die ons slecht behandelt kunnen we beschimpen.

Alleen vrijwillige handelingen kunnen echt moreel, ook wel zedelijk, getoetst worden; dat wil zeggen: alleen die kunnen moreel fout of prijzenswaardige zijn. Dit betekent echter niet dat gevoelens neutrale verschijnselen zijn, noch dat zij onbelangrijk zijn voor het christelijk leven. De hartstochten veronderstellen een oordeel over de persoon of de zaak waardoor ze ontstaan, en houden in dat men een standpunt inneemt en tot actie overgaat. Wanneer iets of iemand als goed wordt beschouwd, ontstaat een positieve emotie (vreugde, enthousiasme), die een positieve houding en handelwijze triggert (goedkeuren, prijzen, die persoon benaderen); wanneer een gebeurtenis of een persoon als slecht wordt beschouwd, ontstaat een negatief gevoel (woede, verdriet), met als gevolg een negatieve houding en handelwijze (afkeuring, woede).

In het algemeen kunnen we zeggen dat hartstochten die voortkomen uit een juist oordeel en een goede handelwijze suggereren, een steun zijn voor het christelijk leven, omdat ze snel inzicht geven in wat goed is en het gemakkelijk en aangenaam maken om dedaden te verrichten die passen bij een goed kind van God. Hartstochten die uitgaan van een vals oordeel (bijvoorbeeld omdat ze een belediging zien waar die er niet is) en een moreel negatieve houding en handelwijze suggereren (bijvoorbeeld een gebrek aan naastenliefde of gewelddadig gedrag), zijn een aanzienlijk obstakel voor het christelijk leven.

Iemand die negatieve gevoelens ervaart, zou zich niettemin goed kunnen gedragen door er tegen te strijden en met meer of mindere inspanning toch het goede te doen. Het is goed voor te stellen dat je niet je hele leven tegen de stroom in kunt zwemmen, voortdurend weerstand biedend aan slechte neigingen, dingen doen die je niet wilt doen en altijd afwijzend staan tegenover datgene waar je gevoelens en emoties je naar toe leiden. Als de innerlijke wereld van gevoelens niet wordt begeleid en gevormd, zal het moeilijk zijn om te onderscheiden wat goed is, omdat negatieve driften de geest vertroebelen, waardoor men er vaak aan toegeeft en verkeerde dingen doet, en de voortdurende worsteling kan dan ook tot ontmoediging of uitputting leiden.

Daarom is de vorming van het gevoelsleven dat soms complex is, een essentieel onderdeel van de christelijke vorming en het christelijke leven. Opvoeden betekent vormen, een goede en christelijke gestalte geven aan de wereld van onze gevoelens, zodat gevoelens die spontaan in ons opkomen ons helpen om snel, nauwkeurig en op aangename wijze het goede te onderscheiden en te doen. Door goede morele gewoonten of deugden te verkrijgen, worden de hartstochten in goede banen geleidt. Het stuurt de neigingen van de hartstochten bij vanaf de wortel. De gevoelens die door de deugd worden ingegeven, zorgen ervoor dat we graag het goede doen; wat we graag doen en wat God van ons verwacht, valt bijna altijd samen. ‘Bijna altijd', omdat de wanorde als gevolg van de erfzonde niet altijd een perfecte orde toestaat. Zelfs de heiligste mensen worden soms bozer dan nodig is.

Om de moraliteit van menselijke handelingen te bestuderen is het belangrijk om in gedachten te houden wat zojuist is gezegd over hartstochten en gevoelens, omdat veel van onze vrijwillige handelingen worden ingegeven door hartstochten en gevoelens; deze handelingen zijn onze manier om te reageren op of omgang te vinden met de hartstochten die we ervaren. We zouden bijvoorbeeld de harde woorden van iemand tegen een ander niet goed kunnen beoordelen als we niet wisten dat er een ernstige belediging aan vooraf ging van de ander, dat hij zich met moeite moest inhouden om niet tot fysiek geweld over te gaan, en dat de harde woorden die hij heeft uitgesproken in feite blijk geven van een redelijk goede, zij het niet perfecte, zelfbeheersing. Het feit dat iemand die aan apathie lijdt zich niet op zijn studie toelegt, is moreel gezien minder erg dan wanneer die nalatigheid het gevolg zou zijn van opzettelijke desinteresse. Met onze vrijwillige handelingen reguleren we vaak de overgang van wat uit de onvrijwillige wereld van onze gevoelens opkomt, zoals ongeleide innerlijke bewegingen en verzoekingen.

De moraliteit van menselijke handelingen
Zoals hierboven gezegd, zijn alleen vrijwillige handelingen (ook wel menselijke handelingen genoemd) strikt genomen morele handelingen, goed of slecht. De katholieke morele leer, waar ook over gesproken wordt als de katholieke zedenleer of moraaltheologie, leert: "de moraliteit van de menselijke daden hangt af:

  • van het gekozen object;
  • van het beoogde doel of de intentie;
  • van de omstandigheden van de daad.

Object, intentie en omstandigheden zijn de ‘bronnen’ of constituerende elementen van de moraliteit der menselijke daden." (Catechismus, 1750)

Het morele object

Het morele object ‘‘is het directe doel van een weloverwogen beslissing die bepalend is voor de wilshandeling van de handelende persoon.’’[1] We zullen eerst bekijken wat het doel van een handeling is en vervolgens wat het morele object is.

Handelingen worden gedefinieerd en van elkaar onderscheiden op basis van hun doel. Maar hier verwijst ‘object’ naar de directe inhoud van een vrijwillige handeling, dat wil zeggen naar wat onmiddellijk door de wilsdaad wordt beoogd, en niet naar het externe voorwerp. Bijvoorbeeld: als Johan een boek koopt, is het object van Johans wil ‘een boek kopen’, niet het ding (het boek), maar wat hij wil doen. Als Peter een boek steelt, is het voorwerp van Peters wil ‘een boek stelen’, niet het boek zelf. Als het boek het object van beide handelingen zou zijn, zouden we de valse stelling moeten aanvaarden dat 'een boek kopen' en 'een boek stelen' identieke handelingen zijn, aangezien beide hetzelfde object zouden hebben.

Om te weten wat het morele object van een handeling is moet men dus de handeling vanuit de eerste persoon (de handelende persoon) te bekijken. Dit benadrukte de heilige Johannes Paulus II in zijn schrijven: “Om het object van een handeling, dat haar zedelijk specificeert, te kunnen vaststellen, moet men zich daarom in het perspectief van de handelende persoon verplaatsen. […] Onder 'object' van een bepaalde zedelijke handeling kan men dus niet een proces of een gebeurtenis van louter fysieke orde verstaan, die beoordeeld zouden moeten worden naar het feit dat ze in de uitwendige wereld een bepaalde toestand veroorzaken.”[2]

Als men spreekt van een ‘moreel object’ verwijst dit naar het object van de wil, die gerelateerd is aan deugden en ondeugden. ‘Een boek kopen' is een goed (moreel) object, terwijl ‘een boek stelen' een slecht (moreel) object is. Het eerste is in overeenstemming met de deugd van rechtvaardigheid, terwijl het laatste tegen die deugd ingaat.

In de katholieke moraaltheologie hangt de morele waarde van menselijke handelingen, of ze nu goed of slecht zijn, in de eerste plaats af van de positieve of negatieve waarde van het morele object,[3] hiermee wordt bedoeld: de mate van overeenstemming van het object met de rechte rede (de deugd van verstandigheid), waarvan de deugden de fundamentele beginselen vormen. Ook een beoogde handeling, iets wat iemand zou willen doen, valt hieronder. Handelingen (beoogd of actueel) die door hun doel in strijd zijn met de wezenlijke vereisten van de deugden (rechtvaardigheid, matigheid, enz.) zijn intrinsiek slecht (intrinsece malum), ze zijn “altijd en op zichzelf reeds slecht, dat wil zeggen alleen al op grond van hun object, onafhankelijk van de verdere bedoelingen van de handelende en van de omstandigheden.”[4] Zo zijn bijvoorbeeld overspel, abortus en diefstal intrinsiek slecht.[5]

Proportionalisme en consequentialisme zijn onjuiste theorieën over moraliteit omdat bij proportionalisme het morele object wordt bepaald door de ‘verhouding’ tussen het nagestreefde goed en kwaad, en bij consequentialisme het afhangt van het resultaat dat bereikt kan worden.[6]

De intentie
Terwijl het morele object verwijst naar wat de wil beoogt met een specifieke daad, zoals een boek kopen, zo verwijst de intentie naar het waarom, bijvoorbeeld een examen voorbereiden of een cadeau geven. De intentie impliceert dat aan de wil handelingen vooraf moeten gaan. Het willen schenken van een boek is een intentie, waaraan vooraf gaat: het boek kopen, naar het huis van de persoon gaan, enzovoorts.

“De intentie is niet beperkt tot het leiden van onze afzonderlijke daden, maar kan veelvuldige handelingen ordenen op eenzelfde doel; ze kan het hele leven leiden naar het uiteindelijke doel.”[7] In menselijk gedrag is er meestal sprake van een reeks doelen die ondergeschikt zijn aan elkaar: we hebben een boek nodig om ons voor te bereiden op een examen; het examen is nodig om een diploma te behalen; het diploma is nodig om een goed salaris te verdienen en een nuttige baan voor de samenleving uit te oefenen, enzovoort. Uiteindelijk is er in elk gedrag een einddoel dat omwille van zichzelf wordt gezocht, wat God zou moeten zijn, maar wat ook ijdele eer, macht of rijkdom kan zijn. Daarom bereikt een handeling die, vanwege haar object, ‘afgestemd’ is op God, “haar laatste en beslissende volkomenheid, wanneer de wil haar door de liefde daadwerkelijk op God afstemt.” [8]

De intentie (of bedoeling) kan, net als elke andere wilsdaad, moreel goed of slecht zijn. Als ze goed is, kan ze de goedheid van de handeling bevestigen of vergroten, juist vanwege haar object. Maar een "goede bedoeling alleen (bijvoorbeeld de naaste helpen) maakt een gedrag dat in zichzelf ongeordend is (zoals leugen en kwaadsprekerij) niet goed of rechtvaardig. "Het doel heiligt de middelen niet."[9] Als de intentie slecht is, kan dit de kwaadaardigheid bevestigen of versterken die de handeling al heeft vanwege haar morele object. Het kan ook een handeling slecht maken waar het object op zich goed is, zoals het geval zou zijn wanneer iemand een ander welwillend begint te behandelen met als enig doel hem later te corrumperen.[10]

De omstandigheden
‘‘De omstandigheden zijn secundaire elementen van een zedelijke daad. Ze dragen ertoe bij, de morele goedheid of slechtheid van de menselijke daden te verzwaren of te verminderen, zoals het bedrag bij een diefstal. Ze kunnen ook de verantwoordelijkheid van de handelende persoon verzachten of verzwaren, zoals handelen uit vrees voor de dood.”[11] ‘‘De omstandigheden kunnen uit zichzelf de morele kwaliteit van de daden niet veranderen.”[12] Sommige omstandigheden voegen een nieuwe reden voor het kwaad toe, zoals in het geval van een onkuise handeling begaan door iemand die een gelofte van kuisheid heeft afgelegd. Dit soort omstandigheden moeten in het sacrament van de biecht worden bekendgemaakt.

Samenvattend: ‘‘De moreel goede daad veronderstelt tegelijkertijd de goedheid van het object, van het doel en van de omstandigheden.”[13]

Het indirect object van de wil
Een indirect object van de wil is een gevolg van de handeling (een neveneffect) dat op geen enkele wijze van belang is of gewenst wordt, noch als doel noch als middel, maar dat wordt voorzien en toegestaan voor zover het onvermijdelijk verbonden is met hetgeen gewenst wordt. Zo ondergaat bijvoorbeeld iemand een behandeling tegen leukemie die als bijwerking kaalheid veroorzaakt; of een vrouw die graag een gezin wil stichten, laat haar baarmoeder verwijderen vanwege een ernstige kwaadaardige tumor die niet op andere wijze kan worden behandeld met onvruchtbaarheid als gevolg. Kaalheid en onvruchtbaarheid zijn indirecte voorwerpen van de wil, ongewenste, maar bekende en voorzienbare bijwerkingen die men noodgedwongen moet aanvaarden. Wanneer een handeling een negatief indirect effect heeft op zichzelf of op anderen, ontstaat de vraag naar de morele rechtmatigheid ervan. Zo leert de heilige Paulus dat bepaalde handelingen moeten worden vermeden die, hoewel op zichzelf geoorloofd, het bijkomende of indirecte effect hebben dat zij degenen die zwak zijn in het geloof tot aanstoot zijn.[14]

Dit is belangrijk in het morele leven, omdat het soms voorkomt dat er handelingen zijn met twee effecten (dubbel effect), goed en slecht. Het kan geoorloofd zijn deze te verrichten om het goede effect dat direct gewenst is te verkrijgen, zelfs als het slechte effect niet vermeden kan worden, en bijgevolg alleen indirect gewenst is. Dit kunnen zeer delicate situaties zijn, waarin het verstandig is om advies te vragen aan hen die dat kunnen geven.

Hieronder volgen enkele voorwaarden die — gezamenlijk — in acht genomen moeten worden om het geoorloofd te maken een handeling te verrichten (of niet) wanneer deze ook een negatief effect veroorzaakt. Deze voorwaarden zijn:

1) De handeling moet op zichzelf goed zijn, of op zijn minst neutraal.

2) Het goede mag niet door het kwade worden bereikt: er mag geen kwaad worden gedaan om het goede te bewerkstelligen. Als het gewenste goed voortkomt uit het kwaad, is dat laatste niet langer ‘indirect gewild’, maar direct als middel gewild.

3) De persoon moet rechtstreeks het goede nastreven (d.w.z. een zuivere intentie hebben) en zich genoodzaakt zien het kwaad als consequentie te aanvaarden. Daarom zal die persoon alles in het werk stellen om dat laatste te vermijden, of op zijn minst te beperken.

4) Er moet een evenredigheid bestaan tussen het nagestreefde goed en het kwaad dat verdragen moet worden: het is moreel niet gerechtvaardigd om het eigen leven op het spel te zetten teneinde een paar dollar te verdienen, of om een zwangerschap in gevaar te brengen door een medicijn in te nemen om enig licht ongemak te vermijden.

Evenredigheid vereist dat het te verkrijgen goed zwaarwegend is naarmate:
a) het getolereerde kwaad ernstiger is.
b) de nabijheid tussen de verrichte handeling en het veroorzaken van het kwaad kleiner is.
Bijvoorbeeld, je spaargeld investeren in een uitgeverij die veel immorele publicaties heeft, verschilt moreel van geld uit hebben staan bij een bank die grootaandeelhouder is van diezelfde uitgeverij.
c) de zekerheid toeneemt dat het kwaad zich zal manifesteren.
Bijvoorbeeld het verkopen van alcohol aan een alcoholist.
d) de verplichting om het kwaad te voorkomen groter is.
Bijvoorbeeld wanneer een burgerlijke of kerkelijke autoriteit betrokken is.

Morele toerekenbaarheid

De vrijheid maakt de mens verantwoordelijk voor zijn daden in de mate waarin ze vrijwillig zijn.[15] “De toerekenbaarheid van en de verantwoordelijkheid voor een daad kunnen verminderd of zelfs opgeheven worden door onwetendheid, onoplettendheid, geweld, vrees, gewoonten, onmatige verlangens en andere fysieke of sociale factoren.”[16] Ook sterke emoties kunnen de toerekenbaarheid van de handeling verminderen en in extreme gevallen, bijvoorbeeld sterke paniek bij een aardbeving, deze zelfs geheel tenietdoen.

Verdienste

“Een gemeenschap of vereniging is voor het werk van één van haar leden een vergoeding verschuldigd. Het is deze verschuldigde vergoeding die in het algemeen met de term ‘verdienste’ wordt aangeduid. Dit werk wordt dan gezien als een weldaad of een wandaad, waarvoor iemand een beloning of een straf verdient. De verdienste vloeit voort uit de deugd van rechtvaardigheid, in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel dat haar leidt.”[17]

Tegenover God is er van de kant van de mens geen verdienste in de zin van een strikt recht.[18] Maar dankzij Gods plan om ons te betrekken bij het werk van zijn genade,[19] kan iemand die goede werken verricht terwijl hij in Gods genade verkeert, “echte verdienste verwerven als gevolg van Gods vrijgevige gerechtigheid“. Dit is een recht door genade, het volle recht van de liefde, dat ons ‘mede-erfgenamen’ maakt van Christus en waardig om ‘de beloofde erfenis van het eeuwige leven’ te verkrijgen.”[20]

Wat betreft datgene wat wij kunnen verdienen, is het goed om in gedachten te houden dat “niemand de eerste genade [kan] verdienen, die aan de oorsprong van de bekering, van de vergiffenis en van de rechtvaardiging ligt. Bewogen door de Heilige Geest en de naastenliefde kunnen wij daarna - voor onszelf en voor anderen - de genaden verdienen, die nuttig zijn voor onze heiliging, voor de groei van de genade en de liefde, alsook voor het verkrijgen van het eeuwig leven. Zelfs tijdelijke goederen, zoals gezondheid en vriendschap, kunnen overeenkomstig Gods wijsheid verdiend worden. Deze genaden en goederen zijn voorwerp van het christelijk gebed. Dit voorziet in onze behoefte aan de genade voor de verdienstelijke daden.”[21]


Basisbibliografie

Catechismus van de Katholieke Kerk, 1749-1761.

De heilige Johannes Paulus II, Encycliek Veritatis splendor, 6 augustus 1993, 71-83.


[1] De heilige Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 78. Vgl. Catechismus, 1751.

[2] De heilige Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 78.

[3] "De moraliteit van de menselijke handeling is van het door de vrije wil redelijk gekozen object afhankelijk," (De heilige Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 78).

[4] Ibid., 80; vgl. Catechismus, 1756.

[5] Vaticanum II geeft, in samenhang met de eerbied, die de menselijke persoon verdient, een uitvoerige toelichting bij zulke handelingen aan de hand van voorbeelden: 'Al wat verder tegen het leven zelf ingaat, zoals alle soorten van moord, uitroeiïng, abortus, euthanasie en vrijwillige zelfmoord; al wat de integriteit van de menselijke persoon aantast, zoals verminking, lichamelijke en geestelijke foltering, pogingen om de mens psychisch in zijn macht te krijgen; al wat een belediging is voor de menselijke waardigheid, zoals onmenselijke levensvoorwaarden, willekeurige arrestaties, deportaties, slavernij, prostitutie, handel in jongens, meisjes en minderjarigen; schandelijke arbeidsvoorwaarden waarbij de arbeiders als louter winst-werktuigen worden behandeld en niet als vrije en verantwoordelijke personen: dit alles en andere dergelijke dingen zijn onmiskenbaar schandelijk. Ze zijn een aantasting van de menselijke beschaving en zij werpen meer een smet op hen die zich zo gedragen dan op hen die het onrecht hebben te verdragen. En ze zijn volledig in tegenspraak met de eer van de Schepper'.

[6] Deze theorieën beweren niet dat "een kwaad gedaan mag worden om een goed te verkrijgen", maar dat er niet gezegd kan worden dat bepaald gedrag altijd slecht is, omdat het in elk geval afhangt van de "verhouding" tussen goed en kwaad, of van de "gevolgen" (vgl. de heilige Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 75). Een proportionalist, niet te verwarren met proportionalisme, zou bijvoorbeeld niet beweren dat "het moreel geoorloofd is om iemand op te lichten voor een goed doel", maar zou onderzoeken of wat er gedaan is wel oplichting is (of datgene wat ‘objectief gekozen’ is wel fraude is), rekening houdend met alle omstandigheden en de intentie. Uiteindelijk zou over iets wat in feite fraude is, gezegd kunnen worden dat het dat niet is, wat die handeling (of elke andere) zou kunnen rechtvaardigen.

[7] Catechismus, 1752.

[8] De heilige Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 78.

[9] Catechismus, 1753. "Het gebeurt vaak dat iemand handelt met een goede bedoeling, maar zonder geestelijk voordeel omdat het hem aan goede wil ontbreekt. Bijvoorbeeld, men steelt om de armen te helpen: in dit geval ontbreekt, hoewel de bedoeling goed is, de oprechtheid van de wil omdat de daden slecht zijn. Kortom, een goede bedoeling geeft geen toestemming om een slechte daad te verrichten. Sommigen zeggen: Laten we kwaad doen, zodat het goede eruit voortkomt. Dezen verdienen hun eigen veroordeling” (Rom. 3,8). (De heilige Thomas van Aquino, In duo praecepta caritatis: Opuscula theologica, II, 1168).

[10] Vgl. Catechismus, 1753.

[11] Ibid., 1754.

[12] Ibid.

[13] Ibid., 1755.

[14] Vgl. Rom. 14,14-21.

[15] Vgl. Catechismus, 1734.

[16] Catechismus, 1735.

[17] Catechismus, 2006. Schuld is daarom de verantwoordelijkheid die we voor God op ons laden door te zondigen, waardoor we straf verdienen.

[18] Vgl. Catechismus, 2007.

[19] Vgl. Ibid., 2008.

[20] Ibid., 2009. Vgl. Concilie van Trente: DH 1546.

[21] Catechismus, 2010.