Strijd, nabijheid, missie (20): Zaaiers van vrede en vreugde

Een groot deel van ons apostolaat bestaat erin onze vreugde en vrede door te geven aan hen die bedroefd en hopeloos zijn.

Liggend op de grond, in het schaarse licht van een kaars, kan de arme vrouw haar teleurstelling niet verbergen. Steeds opnieuw keren dezelfde verwijten in haar gedachten terug, terwijl zij met vermoeide ogen, en met steeds minder hoop, elke hoek van haar huis doorzoekt. Een van haar tien zilveren munten is verdwenen, en daarmee minstens een hele dag werk. Het is op zich geen tragedie, maar ze kan zich er niet bij neerleggen dat haar spaargeld zomaar verloren zou zijn. (cfr. Lc 15,8).

Er zijn maar weinig dingen zo frustrerend als het kwijtraken van een belangrijk voorwerp in je eigen huis. Naast het ongemak van het verlies knaagt ook het gevoel dat het voorwerp eigenlijk heel dichtbij moet zijn, ook al kun je het niet vinden. Iets gelijkaardigs gebeurt met die innerlijke volheid die wij geluk noemen. Wanneer alles goed gaat, is geluk voor ons vaak als geld dat veilig in onze portemonnee zit: we schenken er weinig aandacht aan. Maar zodra verdriet ons overvalt of ons hart verkilt, beginnen we ons af te vragen waar we het onderweg zijn kwijtgeraakt…

Je door God laten vinden

Midden in haar ijverige zoektocht ziet de vrouw plots een zwakke zilveren schittering in de kamer. Langzaam komt ze overeind en richt haar blik op de onderkant van een klein tafeltje. Terwijl ze met steeds meer zekerheid dichterbij komt, vangt de munt het licht van de kaars en weerkaatst het, en daarmee lichten ook haar vreugde en hoop op (cfr. Lc 15,8-9).

Deze korte, alledaagse parabel verrast onder meer door de interpretatie die de Heer eraan geeft. Jezus laat ons zien dat wij die munt zijn — ieder van ons, elke zondaar — en dat het God zelf en al zijn engelen zijn die zich verheugen telkens wanneer zij ons vinden (vgl. Lc 15,10). Het contrast tussen de geringe waarde van het geldstuk en de vreugde van de vrouw, die zelfs haar buren uitnodigt om de vondst te vieren, wil juist duidelijk maken hoezéér Gods barmhartigheid elke menselijke maat overstijgt. Tegelijk helpt het ons de ware bron van ons geluk te herkennen: ons laten vinden door God. De meest authentieke vreugde die wij kunnen ervaren, is die welke het hart van de Heer vervult en die naar ons overvloeit telkens wanneer wij ons laten liefhebben.

We zouden kunnen denken dat dit alles wel mooi klinkt, maar dat het toch gemakkelijker is om blij te zijn wanneer we succes hebben of wanneer het goed gaat met de mensen van wie we houden. Blijdschap is immers een gevoel dat spontaan voortkomt uit het bezit van iets goeds.[1] Toch, schrijft de heilige Jozefmaria: «moet je vreugde niet een vreugde zijn die men fysiologisch zou kunnen noemen, zoals die van een gezond dier. Zij moet veeleer een bovennatuurlijke vreugde zijn, die voortkomt uit de volledige overgave van alles en van jezelf aan de liefdevolle zorgen van God, onze Vader.»[2] Dat is de diepste bron van onze vreugde: zij bestaat niet zozeer in het bezit van bepaalde goederen, maar in een houding van het hart, namelijk de vreugde van de kinderen van God. «We hebben “een hoop die niet teleurstelt”, en wij kunnen die altijd hebben, niet omdat we zeker zijn van onszelf of van iets van deze wereld, maar “omdat Gods liefde in ons hart is uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken.” (Rm 5,5)»[3].

Het is uiteraard heel logisch dat wij voor onszelf en voor anderen succes en gezondheid wensen. Dat doen we voortdurend, alleen al door ‘goedemorgen’ te zeggen of iemand geluk te wensen bij een uitdaging of tegenslag. Vanuit een gelovig perspectief is het genieten van de goede dingen bovendien een manier om God te danken, die in zijn voorzienigheid altijd zorgzaam voor ons blijft. Alles wat goed is in ons leven kan ons ertoe brengen, net als Tobias, uit te roepen: «Gezegend zijt Gij, omdat Gij mij verblijd hebt: mij is niet overkomen wat ik duchtte, maar Gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.» (Tobit 8,16). Het kan ons er zelfs toe brengen ons geluk te delen, want telkens wanneer het ons goed gaat en we een gezonde levensvreugde ervaren, kunnen we in ons hart die wijze woorden horen die de heilige Paulus aan Jezus zelf toeschrijft: «Het is zaliger te geven dan te ontvangen.» (Hch 20,35). Onze gebedsmomenten kunnen dan uitgroeien tot gelegenheden om ons af te vragen hoe wij die rijkdom en vreugde met anderen kunnen delen. Zo zullen ook tijden van voorspoed ons dichter bij God brengen.

Toch weten we dat wij niet geschapen zijn voor een vreugde met een vervaldatum. Wat ons hart het diepst verlangt, is niet dat alles hier op aarde goed verloopt, maar dat het ons in de hemel goed mag gaan: dat wij God eeuwig kunnen liefhebben, samen met zoveel dierbare mensen. Dat perspectief raken we gemakkelijk kwijt als wij niet aandachtig blijven in onze relatie met God. Dan dreigen we te vervallen in een wereldse vroomheid of een werelds geloof. Daarom is het interessant ons af en toe af te vragen welke intenties in ons gebed werkelijk de overhand hebben. Aan God, onze Vader, mogen we alles vragen. Maar waar hechten we het meeste belang aan? Succes op het werk en gezondheid, of groeien in onze nabijheid tot Hem en anderen naar Hem toe brengen? Wat zet ons aan meer te bidden: het vooruitzicht op een toekomst zonder financiële zorgen, of de bekering van een vriend of familielid? Maken wij ons vooral zorgen om eten en kleding, of zoeken wij vóór alles het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid (cf. Mt 6,36)?

Blij en bedroefd

«Waarom worden wij mensen bedroefd? Omdat het leven hier op aarde niet verloopt zoals wij het zelf zouden hopen, omdat er obstakels opgeworpen worden die het ons verhinderen of moeilijk maken onze persoonlijke wensen in vervulling te doen gaan.»[4] In dat opzicht lijden slechten en goeden samen, legt Sint-Augustinus uit: “Ze lijden samen, niet omdat ze samen een verdorven leven leiden, maar omdat ze samen het huidige leven liefhebben.”[5] Het gaat om een natuurlijke droefheid, die onze liefde voor het leven onthult en een kans kan worden tot bekering, tot het relativeren van de dingen. Wanneer die droefheid echter, na de eerste teleurstelling, wortel schiet in ons hart, kan dat erop wijzen dat wij verloren goederen hebben verabsoluteerd, of dat wij onze vreugde zochten in het vergankelijke. Zo kan verdriet soms een deur openen om nog sterker te verlangen naar het geluk van de hemel, waar God ons voor altijd zal “vinden”. Daarin ligt de belofte besloten van de troostende zaligspreking van Jezus: “Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden” (Mt 5,4).

Toch kan er ook een andere vorm van verdriet zijn, die samenhangt met onze tijdelijke toestand: de wisselvalligheden van het leven, goede en slechte tijden, en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat. De sluier van mysterie die soms de uiteindelijke betekenis van gebeurtenissen voor ons verbergt, kan ons brengen tot een meer diffuse, moeilijk te omschrijven droefheid, vooral wanneer wij een melancholisch temperament hebben. Niet voor niets beschrijft een van de meest traditionele mariale gebeden deze wereld als een “dal van tranen”.[6]

Dergelijke momenten van oprecht verdriet hoeven ons niet al te zeer te verontrusten. Vaak brengen zij een diepe gevoelswereld aan het licht die ons helpt om te verdiepen in de vragen van de wereld en de mysteries van de menselijke ziel. Het belangrijkste is dat die droefheid ons niet in eenzaamheid opsluit en ons vertrouwen in God niet aantast. Daarom vroeg onze Vader zich eens af: «Maar, als het kruis nu eens de tegenzin is, of de droefheid? Ik zeg U, Heer, dat ik dan, met uw hulp, op een blijde manier bedroefd zou zijn.»[7] Men kan lijden en toch op God blijven vertrouwen. Gods wil aanvaarden, ook wanneer die ons raadselachtig voorkomt. Hoe zouden wij bijvoorbeeld, bij het plotseling overlijden van een dierbare, niet denken aan de zo menselijke tranen die Christus vergiet bij de dood van zijn vriend Lazarus? Juist in dat moment van pijn getuigt Hij krachtig van zijn verbondenheid met de Vader: «Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel dat Gij Mij altijd verhoort» (Jn 11,41-42).

«Ik ben bedroefd tot stervens toe» (Mt 26,38). Het is moeilijk ons voor te stellen welke gedachten de apostelen door het hoofd gingen toen zij deze woorden van Jezus in de hof van Olijven hoorden, en nog moeilijker is het een blik te werpen in hun menselijke ziel. Het blijft een mysterie dat Jezus, hoewel Hij zich altijd volledig bewust was van zijn goddelijkheid, een periode van diepe droefheid en bitterheid kon doormaken. Toch weten wij hoe zijn gebed eindigt: “Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt” (Mt 26,39). De wil van God doen en zijn plannen aanvaarden is niet altijd gemakkelijk. Soms kunnen wij, wanneer wij voor een onzekere situatie of een moeilijke beslissing staan, net als Jezus een zekere droefheid ervaren. Tegelijk kan er, dieper in onze ziel en onder die mistige sluier, een stille vreugde aanwezig zijn: de vreugde dat wij kinderen van God zijn. Zoals de psalmist zegt: “Bij U verlang ik niets meer op aarde” (Ps 73,25).

«Niet alle leed en verloochening leiden tot droefheid, vooral wanneer zij met liefde en uit liefde worden aanvaard.»[8] Voor wie de Heer met liefde zoekt, «smaken verdriet, inspanningen en beledigingen anders. Zij verdwijnen in de mate waarin men de wil van God werkelijk aanvaardt en zijn plannen met vreugde uitvoert, als trouwe kinderen, ook al lijkt het dat de zenuwen het begeven, ook al lijkt de kwelling ondraaglijk.»[9] Na het Kruis, wanneer wij de wil van God aanvaarden, wacht ons altijd de vreugde van de verrijzenis. Dan zullen wij Jezus in ons hart horen zeggen: «Gij zult bedroefd zijn, maar uw droefenis zal in vreugde verkeren» (Jn 16,20).

Een feest organiseren

Met de munt in haar hand rent de vrouw haar huis uit om het goede nieuws te vertellen. Zij zoekt haar buren en vriendinnen om haar vreugde met hen te delen en uit te leggen hoe zij haar verloren drachme heeft teruggevonden: «Deelt in mijn vreugde, want de drachme die ik had verloren, heb ik gevonden» (Lc 15,9).

Vreugde heeft een expansieve werking: zij wil zich meedelen en uitgroeien tot feest. Daarom is het vanzelfsprekend dat wij de vrede die ons vervult willen delen: het besef dat wij door God bemind en “gevonden” zijn. Een groot deel van ons apostolaat bestaat erin die serene vreugde over te brengen naar de harten van mensen die bedroefd of hopeloos zijn, zodat ook zij willen deelnemen aan het feest van God (vgl. Mt 22,4). Daarom beschreef de heilige Jozefmaria de roeping tot het Werk, en die van alle christenen, als een uitnodiging om “zaaiers van vrede en vreugde” te zijn. Het christelijk apostolaat, zei hij, «is geen politiek programma of een cultureel alternatief: het betekent de verbreiding van het goede; het wordt gedragen door het verlangen om lief te hebben; het wil vrede en vreugde brengen.»[10]

Er bestaat echter ook een vorm van feest die oppervlakkig blijft, omdat zij de nadruk legt op individuele beleving in plaats van op ontmoeting, op zelfgerichtheid in plaats van gemeenschap.[11] In haar eenvoud brengt de parabel van deze vrouw ons terug naar de essentie van elk waar feest: gedeelde vreugde. Het is mooi te bedenken dat zij het feest waarmee zij haar vreugde wil delen, betaalt met precies dezelfde munt die zij kort tevoren heeft teruggevonden. Zo wordt nog een aspect van Gods logica zichtbaar, niet berekenend en zo vrijgevig: waar wij spontaan zouden denken aan sparen, nodigt God ons uit geen kosten te sparen (vgl. Lc 15,22-23).

Laten wij niet vergeten dat ieder van ons die munt is. Hij is gekomen om ons te zoeken, opdat Hij door onze overgave nog veel meer mannen en vrouwen kan bereiken die een diep verlangen naar geluk in zich dragen. Daarom moeten wij ons laten gebruiken zoals de drachme, in het vertrouwen dat wij in Gods liefde een rijkdom bezitten die niemand ons kan ontnemen: «Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking misschien, of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard?» (Rm 8,35).

* * *

«Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader vol ontferming en de God van alle vertroosting. Hij troost ons in al onze tegenspoed, zodat wij in staat zijn anderen te troosten in al hun noden, dankzij de troost die wij van God ontvangen»(2Co 1,3-4). Juist omdat wij, dragers van wonden en onzekerheden, op elk moment door God worden getroost — “wij treuren, maar zijn altijd blij” (2 Kor. 6,10) — zendt de Heer ons uit om ook allen te troosten die wij op onze weg ontmoeten. «De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van Christus’ leerlingen»[12]. Daarom zijn de ‘huizen vol licht en blijdschap’[13], zoals de heilige Jozefmaria onze gezinnen en de centra van het Werk zag, dat niet zozeer om hun uiterlijke volmaaktheid, maar omdat zij plaatsen zijn waar Gods barmhartigheid wordt gevierd en die daardoor een diepe vreugde uitstralen. «Zo, zeg ik u, is er vreugde bij de engelen van God over één zondaar die zich bekeert» (Lc 15,10).


[1] F. Ocáriz, Pastorale Brief, 10-03-2025.

[2] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 659.

[3] F. Ocáriz, Pastorale Brief, 10-03-2025, nr. 4.

[4] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 108.

[5] Heilige Augustinus, De stad van God, I, IX, nr. 3.

[6] Salve Regina.

[7] Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 252.

[8] F. Ocáriz, Pastorale Brief, 10-03-2025, nr. 1.

[9] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, nr. 311.

[10] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 124.

[11] Cfr. J. Pieper, Una teoría de la fiesta, Madrid, Rialp 2023.

[12] Pastorale Constitutie Gaudium et Spes, nr. 1.

[13] Heilige Jozefmaria, Brief 29, nrs. 57 ss; Christus komt langs, nrs. 22, 27ss.

Gaspar Brahm