Pastorale brief naar aanleiding van het Eucharistisch Jaar

Mgr. Javier Echevarría Prelaat van het Opus Dei

“In de heilige Eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus zelf. Hij is ons Paaslam en het levend Brood. Door de heilige Geest is zijn Vlees tot leven gebracht en schenkt het leven aan de mensen.” 1 Deze buitengewone uiting van de liefde van God voor de mensheid heeft een bijzondere plaats in het hart van de christenen en al zeker in dat van de kinderen van God in het Opus Dei. Onze stichter, de heilige Jozefmaria, leerde ons door zijn voorbeeld, zijn prediking en geschriften de Eucharistie tot “het centrum en de wortel van het geestelijk leven van de christen” 2 te maken.

Vandaar onze blijdschap over het besluit van de heilige Vader, dat op Sacramentsdag bekend werd gemaakt, om in de hele Kerk een Eucharistisch Jaar te vieren. Dit begint in de maand oktober met het Internationaal Eucharistisch Congres in Guadalajara (Mexico) en wordt afgesloten in oktober 2005, met een vergadering van de Bisschoppensynode die speciaal aan dit sacrament is gewijd.

In aansluiting op het Jubileum van het jaar 2000 en in de geest van de apostolische brief Novo millennio ineunte , is het mijn wens dat de gelovigen van de Prelatuur, de medewerkers en allen die vorming ontvangen in het Opus Dei, dagelijks een steun zijn voor de Paus. Ook dat we ons oprecht inspannen om de heilige Eucharistie steeds meer tot het centrale punt van ons leven te maken. Ik raad jullie aan om in dit Eucharistisch jaar - samen met de Maagd Maria, door het bidden van de rozenkrans en aangespoord door het voorbeeld van de heilige Jozefmaria - naar het tabernakel te gaan om Jezus in de heilige Hostie oprecht te zeggen: Adoro te devote , ik aanbid U vol eerbied! Dit kan onze doelstelling zijn. Laten we daarbij veel van onszelf eisen, want ons leven is waard wat de intensiteit van onze eucharistische vroomheid waard is.

Adoro te devote, latens deitas, quae sub his figuris vere latitas

Devoot aanbid ik U, verborgen God, die U verbergt in deze schijn

Zozeer heeft God de wereld liefgehad

Laten we vol eerbied beginnen met de aanbidding van de Eucharistie, van Christus zelf. In dit allerheiligst sacrament “is het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus aanwezig, met zijn ziel en zijn godheid, en daarom is de gehele Christus er waarachtig, werkelijk en wezenlijk tegenwoordig.” 3 Jezus is aanwezig, maar men ziet Hem niet; Hij is verborgen onder de gedaanten van brood en wijn. 4 “Hij is verborgen in het Brood… uit liefde voor jou.” 5

Uit liefde voor zijn schepselen is Hij bij ons gebleven onder de sluier van de Eucharistie. “Al jong heb ik heel goed begrepen wat de reden van de Eucharistie is. Het is een gevoel dat wij allemaal kennen: voor altijd bij iemand willen blijven die wij liefhebben.” 6 Bij het overwegen van het mysterie van de liefde van Christus, voor wie het een genot is bij de kinderen van de mensen te zijn (vgl. Spr 8, 31), die ons niet als wezen wil achterlaten (vgl. Joh 14, 18), die besloten heeft bij ons te blijven tot aan de voleinding van de wereld (vgl. Mt 28, 20), illustreerde onze Stichter de instelling van dit sacrament met het beeld van mensen die van elkaar moeten scheiden. “Ze zouden voor altijd bij elkaar willen blijven, maar de plicht - welke die ook mag zijn - dwingt hen uit elkaar te gaan.” Omdat ze hun verlangen niet waar kunnen maken “wisselen ze een aandenken uit, misschien een foto, maar verder komen ze niet, want de macht van de schepselen reikt niet zo ver als ze zouden willen.” Jezus, God en Mens, overstijgt deze grenzen uit liefde voor ons. “De Heer kan wat wij niet kunnen. Hij laat geen symbool achter, maar een realiteit: Hij blijft zelf.” 7 Hij, die uit Maria geboren werd in Betlehem, in Nazaret werkte, door Galilea en Judea trok, de kruisdood stierf op Golgota, glorierijk verrees op de derde dag en meerdere keren aan zijn leerlingen verscheen, Hij is gebleven. 8

Het christelijke geloof heeft deze waarheid altijd beleden, ook om de argumenten te weerleggen van mensen die hun geringe christelijke geest eraan toeschreven de Heer niet te kunnen zien, zoals de eerste leerlingen deden; of van degenen die zeiden dat ze zich anders zouden gedragen als ze Hem fysiek bij zich hadden. “Hoeveel mensen zeggen niet: ‘ik zou zijn gestalte willen zien, zijn figuur, zijn kleding, zijn schoeisel!’ Welnu, hier zie je Hem, raak je Hem aan, eet je Hem. Je wilt zijn kleding zien; maar Hij geeft zichzelf aan jou, niet alleen opdat je Hem ziet, maar Hem ook aanraakt, Hem eet en Hem in je ontvangt. Moge niemand zonder vertrouwen of met lauwheid tot Hem naderen, maar laat allen dat brandend, vurig en met waakzaamheid doen.” 9 Een God die dichtbij is

Van de heilige Jozefmaria leerden we de aanwezigheid van Jezus in de Eucharistie goed tot ons te laten doordringen, opdat Hij echt in ons leven kan binnenkomen en wij in dat van Hem. Laten we naar Hem kijken en Hem met de ogen van het geloof beschouwen; Hem zien als iemand die echt aanwezig is, want Hij ziet ons, hoort ons, wacht op ons, spreekt met ons, nadert ons, zoekt ons en offert zich voor ons in de heilige Mis. 10

Onze stichter merkte op dat er een tendens is de Heer te beschouwen als iemand die “ver weg is, waar de sterren schitteren”, alsof Hij zich niet om zijn schepselen bekommert. Men gelooft in wezen niet “dat Hij ook altijd bij ons is.” 11 We kennen misschien mensen die menen dat Hij zozeer van ons verschilt, dat hij niet geeft om de grote en kleine gebeurtenissen in het menselijk leven. Wij weten echter dat het niet zo is. “God is in den hoge en ziet de kleinste dingen” ( Ps 137, 6, Vg), Hij richt zijn aandacht vol liefde op ieder van ons, Hij heeft belangstelling voor alles wat ons bezighoudt.

“De God in wie wij geloven is niet een ver wezen dat onverschillig het lot van de mensen gadeslaat: hun verlangens, hun strijd en angsten. Hij is een Vader die zijn kinderen zozeer liefheeft dat Hij het Woord, de tweede Persoon van de heilige Drie-eenheid, zendt opdat Hij, mens geworden, voor ons zou sterven en ons zou verlossen. Diezelfde liefhebbende Vader trekt ons nu met zachte hand naar zich toe door de werking van de heilige Geest, die in ons hart woont.” 12 Door zijn liefde en zijn oneindige belangstelling voor ieder van ons, wilde de Zoon niet alleen mens worden en werken en lijden als zijn broers, de mensen, maar wilde Hij ook in de heilige Hostie blijven. Hij is echt Emmanuel , God met ons. “De Schepper heeft een onuitputtelijke liefde voor zijn schepselen. Onze Heer Jezus Christus heeft zijn barmhartigheid duidelijk laten zien. En alsof dat nog niet genoeg was heeft Hij de Eucharistie ingesteld, opdat we Hem altijd dicht bij ons kunnen hebben. Hij deed dit ook omdat Hij, die niets nodig heeft, bewogen door zijn Liefde, het niet zonder ons wil stellen. We zullen niet in staat zijn dat helemaal te begrijpen.” 13 Akten van aanbidding

Laten we in aanbidding neerknielen voor dit mysterie van geloof en liefde. Op deze manier uiten we op passende wijze ons geloof in de Eucharistie, in Christus die werkelijk aanwezig is met zijn Lichaam, zijn Bloed, zijn Ziel en zijn Godheid. Deze houding is ook nodig om onze liefde op het niveau te brengen van een passende beantwoording aan de immense liefde van Jezus voor ieder van ons (vgl. Joh 13, 1; Lc 22, 15). De aanbidding van Christus in het Sacrament - de aanbidding van God - leidt uiterlijk en innerlijk tot een houding van liefhebben. Het is geen conventioneel ritueel, maar het is de uitdrukking van een persoonlijk offer van de mens. “In de heilige Mis aanbidden wij God en vervullen zo vol liefde de eerste plicht van het schepsel tegenover zijn Schepper: ‘de Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen ( Deut 6, 13; Mt 4, 10). Niet met het kille en uiterlijke vertoon van een knecht, maar met de diepe waardering en het respect dat zo eigen is aan de tedere liefde van een kind.” 14

De uitdrukkingen van aanbidding - zoals de buiging van het hoofd of van het lichaam, de kniebuiging, het knielen - laten respect en genegenheid zien. Het is onderwerping, kleinheid, verlangen naar verenigd zijn, naar dienstbaarheid, en dit alles uiteraard zonder enige slaafsheid. Echte aanbidding schept geen afstand maar is een liefdevolle identificatie, want “een kind van God gaat met de Heer om als met zijn Vader. Deze omgang is geen slaafs dienstbetoon of formeel respect, puur uit beleefdheid, maar is in tegendeel vol oprechtheid en vertrouwen.” 15

De heilige Jozefmaria verzorgde de uitingen van vroomheid met veel liefde, hoe klein ze ook konden lijken. Deze attenties zijn van belang, want ze laten de fijngevoeligheid en de kwaliteit van het geloof en de liefde zien. “Wat een haast heeft iedereen tegenwoordig in de omgang met God! (...). Jij moet geen haast hebben. Maak niet in plaats van een vrome kniebuiging, een kronkelende beweging met je lichaam. Dat zou een bespotting zijn (…). Maak de kniebuiging rustig, met eerbied. Verzorg dit goed. En als je Jezus in het Sacrament aanbidt, zeg Hem dan met je hart: Adoro te devote, latens deitas . Ik aanbid U, mijn verborgen God.” 16

Nog meer belang hechtte hij aan de innerlijke houding van liefde, waarvan de eucharistische vroomheid doordrongen moet zijn. Bij de aanbidding van Jezus in het Sacrament, bij het beschouwen van zijn liefde voor ons, komt het schepsel tot een diepgaande verklaring Hem lief te hebben. Woorden zijn nodig, maar daar blijft het niet bij. Liefde blijkt vooral uit feiten: “Moge ieder van ons in stilte tot de Heer weten te zeggen dat niets ons van Hem zal kunnen scheiden, en dat Hij ons - door zich weerloos beschikbaar te stellen onder de broze uiterlijke schijn van brood en wijn - tot zijn vrijwillige slaven heeft gemaakt.” 17 In navolging van de heilige Johannes van Damascus stelt de heilige Thomas van Aquino dat de uiterlijke vernedering bij de aanbidding uitdrukking geeft aan de innerlijke devotie, en de ziel ertoe aanzet zich aan God te onderwerpen en Hem te dienen. 18

We moeten niet bang zijn de Heer steeds weer te zeggen dat wij van Hem houden en dat we Hem aanbidden. In tegendeel! Maar onze woorden moeten samengaan met een daadwerkelijke onderwerping aan zijn wil. “God, onze Heer, wil graag dat wij Hem elke ochtend wanneer we Hem ontvangen zeggen: Heer, ik geloof dat U het bent, ik geloof dat U echt verborgen bent onder de sacramentele gedaanten! Ik aanbid U, ik houd van U! En als je Hem een bezoek brengt in de kapel, zeg het dan opnieuw: Heer, ik geloof dat U echt aanwezig bent! Ik aanbid U, ik houd van U! Dat is God liefhebben. Zo zullen we steeds meer van Hem gaan houden. Geef uiting aan deze liefde door het volgende te overwegen en in praktijk te brengen: ik zal de dingen tot een goed einde brengen uit liefde voor Jezus die ons vanuit het tabernakel voorgaat.” 19 Tibi se cor meum totum subiicit, quia, te contemplans, totum deficit

Met heel mijn hart ben ik uw dienaar, bij uw beschouwing ben ik niets

Verwondering over het mysterie van liefde

Heel vaak heeft onze stichter over de overgave van Jezus in de Eucharistie gezegd: “Hij is voor jou gebleven, Hij heeft zich tot dit extreme vernederd uit liefde voor jou.” 20 Door zoveel liefde zal iemand met een gelovig hart diep geraakt worden en vol verwondering zal hij op zijn beurt willen beantwoorden, door zich helemaal aan de Heer te geven. “Ik sta verwonderd bij dit mysterie van Liefde.” 21 Laten we dit gevoel, dit vermogen van het verstand en van de wil, voeden. We moeten er niet aan willen wennen, opdat we het eenvoudige innerlijk van het kind behouden, dat zich verwondert over de geschenken die zijn vader voor hem bedenkt. Laten we onze diepe dankbaarheid ook uiten: “Dank U, Jezus, dank U, omdat U zich zo klein hebt gemaakt om ons arme hart te verzadigen.” 22 Het is logisch dat we dan zingend eer geven aan God, onze Vader, die zijn kinderen heeft willen voeden met het Lichaam en Bloed van zijn Zoon, en deze lofzang zal ons altijd ontoereikend lijken. 23

Jezus is in de Eucharistie gebleven om ons bij te staan in onze zwakheid, twijfels, angsten en smarten; om ons te helpen als wij ons eenzaam, verslagen of ontmoedigd voelen; om ons te vergezellen op onze weg; om ons te steunen in de strijd, maar vooral om ons te leren liefhebben, om ons tot zijn Liefde aan te trekken. “Wanneer je de heilige Hostie beschouwt, uitgestald in de monstrans op het altaar, denk dan eens aan de enorme liefde en tederheid van Christus. Ik beredeneer het aan de hand van mijn liefde voor jullie. Als ik ver weg aan het werk zou zijn, en tegelijkertijd dicht bij ieder van jullie kon blijven, dan zou ik dat heel graag doen!

Christus kan dat! Hij houdt van ons met een liefde die oneindig veel groter is dan de liefde van alle mensen samen. Hij is gebleven zodat wij ons altijd met zijn allerheiligste Mensheid kunnen verenigen, maar ook om ons te helpen, te troosten en te sterken opdat wij trouw kunnen zijn.” 24

“Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen - is de godsspraak van de Heer - maar zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten” ( Jes 55, 8-9). De logica van de Eucharistie overtreft iedere menselijke logica, niet alleen omdat de aanwezigheid van Christus onder de sacramentele gedaanten een mysterie is dat we met ons verstand nooit volledig zullen kunnen vatten, maar ook omdat de gave van Christus in de Eucharistie de kleinheid van het menselijk hart, dat van alle mensenharten samen, volledig te boven gaat. Zoveel edelmoedigheid kan voor onze vermogens onverklaarbaar lijken, doordat die zeer ver staat van het grote of kleine egoïsme waarvan wij zo vaak last hebben.

“De grootste dwaas die er ooit geweest is en er ooit zal zijn, is Hij. Bestaat er een grotere dwaasheid dan de manier waarop Hij zich overgaf, en aan wie?

Het zou al dwaas geweest zijn als Hij een weerloos Kind gebleven was; maar dan zouden heel wat kwaadwillige mensen vertederd zijn geraakt en gedurfd hebben Hem te mishandelen. Dat leek Hem niet genoeg. Hij wilde zich nog meer vernederen, zich nog meer geven. En Hij maakte zich tot voedsel, Hij werd Brood.

Goddelijke Dwaas! Hoe behandelen de mensen U…? En ik?” 25

Om tot Jezus in het Sacrament te naderen is een groot hart nodig. Hoewel het geloof een vereiste is, moet men om een eucharistische ziel te zijn ook “kunnen liefhebben” en “zich aan anderen kunnen geven”. Dit doen we door in onze kleinheid de overgave van Christus aan ieder mens te imiteren. Op basis van zijn persoonlijke ervaring heeft de heilige Jozefmaria ons toevertrouwd: “Hoe vaak we de Heer bezoeken hangt van twee factoren af: van ons geloof en van ons hart, van het zien van de waarheid en van het liefhebben van de waarheid.” 26 In de ‘school’ van de heilige Jozefmaria

Onze stichter was nog heel jong toen hij heeft ervaren hoe groot de liefde van Christus moet zijn door in dit sacrament te blijven. Omdat hij liefhad en een groot geloof had - “een geloof dat je kon snijden” - kan men hem “als voorbeeld stellen van een mens die weet lief te hebben”. Vandaar dat “de dwaasheid uit liefde” van de Heer, die zich in dit sacrament aan ons gaf, “zijn hart gestolen had”. Hij begreep dat de Heer tot dit toppunt van zelfverloochening en vernedering kwam door zijn tedere en sterke liefde voor ieder van ons. Daardoor was hij ook in staat aan deze liefde te beantwoorden, zonder in anonimiteit te vervallen. Hij voelde zich direct door Christus aangesproken die zich voor hem en voor allen offerde in de Eucharistie. Met betrekking tot het heilig misoffer kon hij schrijven: “onze Mis, Jezus...” 27

Laten we iedere dag opnieuw deze weg van onze stichter volgen en de Heer, samen met de apostelen, vragen: adauge nobis fidem , vermeerder ons geloof! In de ‘school’ van Jozefmaria kunnen we leren hoe we ons aan de anderen kunnen geven, om te beginnen aan de personen om ons heen, door attent te zijn en een offergezinde liefde te hebben. Zo zullen ook wij in het mysterie van de eucharistische liefde kunnen binnengaan en ons met het offer van Christus kunnen verenigen. Ook de liefde voor de Heer in het Sacrament zal helpen om ons aan de anderen te geven, liefst zonder dat ze het merken en zonder er belang aan te hechten: zoals Hij, door onopgemerkt te blijven. “Uit liefde - en om ons te leren wat liefde is - kwam Jezus op de aarde en is Hij onder ons gebleven in de Eucharistie.” 28

We moeten in ons gedrag het oblatus est quia ipse voluit ( Jes 53, 7, Vg) van Jezus imiteren; vastbesloten zijn om ons over te geven aan de geliefde persoon, te doen wat hij verwacht en vraagt. We hebben een zuiver hart nodig, met oprechte gevoelens, dat vrij is van het ongeordende ik. “De uitingen van liefde moeten uit het hart voortkomen en gevolgd worden door een getuigenis van een christelijke levenswandel (…). Laten onze woorden oprecht, duidelijk en opportuun zijn; dat ze troost geven, een steun zijn en vooral dat ze anderen naar het licht van God brengen.” 29

Iemand zijn met een eucharistische ziel, betekent meer dan een aantal ceremonies in acht nemen, hoewel dat natuurlijk nodig is. Het gaat om de volledige overgave van onszelf, uit liefde voor Degene die zich aan ons gaf en dat met een grenzeloze edelmoedigheid blijft doen. Van de Maagd Maria kunnen wij de onvoorwaardelijke nederigheid en beschikbaarheid leren om Jezus lief te hebben, Hem te ontvangen en te dienen. Zoals onze stichter aangaf kunnen wij vaak overwegen dat zij “zonder zonde werd geboren om Christus in haar schoot te kunnen ontvangen.” We kunnen ons de vraag stellen waarmee hij deze aansporing afsloot: “Als onze dankzegging in verhouding moet staan met het geschenk dat we hebben ontvangen, moeten we dan niet één grote Eucharistie van onze dag maken?” 30 Visus, tactus, gustus in te fallitur, sed auditu solo tuto creditur

Gezicht en tast en smaak vergissen zich in U, alleen bij woorden staat nog ons geloof

Met het licht van het geloof

Hoe duidelijk is het dat de zintuigen bij het Allerheiligst Sacrament tekortschieten! De zintuiglijke waarneming, de natuurlijke weg voor onze intelligentie om de dingen te kennen zoals ze zijn, voldoet hier niet. Alleen het gehoor voorkomt dat de zintuigen volkomen falen. Alleen door naar het Woord van God te luisteren, dat bekend maakt wat het verstand met het gevoel niet waarneemt, en door dat Woord met geloof te ontvangen, weet men dat er - ook al lijkt het anders - geen brood meer is, maar het Lichaam van Christus en dat er geen wijn meer is, maar het Bloed van de Verlosser.

Ook de intelligentie faalt, want zij slaagt er niet in te begrijpen - en zal dat ook nooit kunnen - dat de gedaanten van brood en wijn waarneembaar blijven, terwijl de substantiële werkelijkheid het Lichaam en Bloed van Christus vormt. “Wat gij niet begrijpt of ziet, wordt in diep geloof beleden, buiten de orde der natuur.” 31

De goddelijke deugd van het geloof geeft een zekerheid over het Mysterie van de Eucharistie die voor het menselijke verstand onmogelijk lijkt. “Heer, ik geloof vast. Ik dank U voor de gave van het geloof! Ik geloof in U! Ik geloof in dit wonder van liefde, in uw werkelijke aanwezigheid onder de eucharistische gedaanten na de consecratie op het altaar en in de tabernakels waar U bewaard wordt. Ik geloof méér dan wanneer ik U met mijn oren zou horen, méér dan wanneer ik U met mijn ogen zou zien en méér dan wanneer ik U met mijn handen zou aanraken.” 32

“Heel het geloof is betrokken bij het geloven in Jezus, in zijn werkelijke tegenwoordigheid onder de gedaanten van brood en wijn.” 33 Geloof in de macht van de schepper; geloof in Jezus die zegt: “Dit is mijn Lichaam” en er aan toevoegt “dit is de kelk van mijn Bloed.” Geloof in de onuitsprekelijke werking van de heilige Geest, die betrokken is bij de Menswording van het Woord in de schoot van de Maagd Maria en die betrokken is bij de wonderbaarlijke eucharistische verandering in de transsubstantiatie.

Geloof in de Kerk die ons leert: “Christus onze Verlosser zei dat het werkelijk zijn Lichaam is dat Hij offerde onder de gedaante van brood ( Mt 26, 26 e.v.; Mc 14, 22 e.v.; Lc 22, 19 e.v.; 1 Cor 11, 24 e.v.). Vandaar dat de Kerk van God altijd de stellige overtuiging heeft gehad, en in dit heilig Concilie opnieuw verklaart, dat door de consecratie van het brood en de wijn een verandering plaatsvindt van de hele substantie van het brood in de substantie van het lichaam van Christus onze Heer, en van de hele substantie van de wijn in de substantie van zijn Bloed. Deze verandering is door de heilige katholieke Kerk treffend en in de eigenlijke betekenis transsubstantiatie genoemd.” 34

In de lijn van dit concilie en van de Traditie heeft het latere Leergezag het volgende benadrukt: “Elke theologische verklaring die probeert inzicht te geven in dit geheim moet - om overeen te kunnen stemmen met ons geloof - vasthouden aan de overtuiging dat brood en wijn, onafhankelijk van ons denken, na de consecratie opgehouden hebben te bestaan. Vanaf dat moment is het aanbiddenswaardige Lichaam en Bloed van onze Heer tegenwoordig onder de sacramentele gedaanten van brood en wijn.” 35

Ik wil jullie aanraden om - vooral in dit Eucharistisch Jaar - enkele van de belangrijkste documenten van het Leergezag van de Kerk over het Allerheiligst Sacrament opnieuw te lezen en te overwegen. 36 Laten we deze teksten met een diepe dankbaarheid in ons opnemen en onze obœdientia fidei , onze gehoorzaamheid aan het Woord van God versterken, dat ons in dit onderricht wordt doorgegeven met het gezag dat door Jezus Christus aan de Kerk is gegeven. 37 Credo quidquid dixit Dei Filius; nil hoc verbo veritatis verius

De woorden van Gods Zoon zijn mijn geloof; geen waarheid sterker dan dit woord der waarheid

Woorden van leven

Ons geloof baseert zich op de woorden van de Heer zelf. De Kerk heeft die altijd in letterlijke zin opgevat. Na de vermenigvuldiging van de broden en de vissen verklaarde de Heer: “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld” ( Joh 6, 51). Hij sprak niet in figuurlijke zin, want dan zou Hij toen velen - inclusief enkele leerlingen - aanstoot namen aan deze woorden, het op een andere manier hebben uitgelegd. Dat deed Hij niet. In tegendeel. Opnieuw bevestigde Hij met kracht: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank” ( Joh 6, 54-55). En opdat ze niet zouden denken dat Hij zich als voedsel zou aanbieden in de materiële en waarneembare zin van het woord, voegde Hij er aan toe: “Het is de Geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb zijn geest en leven” ( Joh 6, 63).

Het zijn woorden van het Verbum spirans amorem : woorden die uit liefde zijn gesproken, woorden die naar de liefde voeren. Ze openbaren de liefde van God voor de mensheid en kondigen de Blijde Boodschap aan: “De heilige Drie-eenheid is verliefd geworden op de mens.” 38 Waarom zou Hij dan geen belangstelling hebben voor onze dingen? En waarom zou Hij ons niet te hulp komen wanneer dat nodig is? “Maar Sion zegt: De Heer heeft mij verlaten, mijn God heeft mij vergeten! Kan een vrouw haar zuigeling vergeten? Zou een moeder zich niet ontfermen over het kind van haar schoot? En ook al zou een moeder haar kind vergeten, neen, Ik vergeet u nooit!” ( Jes 49, 14-15). Door de menswording van het Woord komt deze belangstelling en zorg van God, voor ieder van ons, door zijn menselijk Hart tot ons. “Jezus raakt ontroerd bij het zien van honger en lijden, maar vooral bij onwetendheid. Jezus zag een grote menigte. Hij gevoelde medelijden met hen, want ze waren als schapen zonder herder; en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten” 39 ( Mc 6, 34).

Een houding van vertrouwen

Op natuurlijk vlak is het vanzelfsprekend om de zintuiglijke ervaring als basis van de wetenschap en de kennis te onderstrepen. Maar als de ogen “aan de aardse dingen blijven kleven” is het niet onwaarschijnlijk of vreemd dat gebeurt wat onze stichter als volgt beschreef: “De ogen van de ziel worden troebel. Onze zelfgenoegzame rede meent alles uit eigen kracht te kunnen begrijpen, zonder God nodig te hebben (…). Het menselijk verstand meent ten slotte de spil van het heelal te zijn en gelooft opnieuw in het ‘Gij zult als goden zijn’ ( Gen 3, 5). En van eigenliefde vervuld, keert het Gods liefde de rug toe.” 40 In een tijd die “wereldwijd een klimaat bevordert waarin alles om de mens draait, waarin een materialistische sfeer heerst en waarin men geen weet heeft van de hemelse roeping van de mens,” 41 moeten wij in onszelf en bij anderen een open houding en een redelijk vertrouwen in het woord van de ander bevorderen.

Eerder wees ik er op dat men moet “kunnen beminnen” om de “goddelijke overvloed” 42 van de Eucharistie te kunnen begrijpen. Bedenk dat men ook moet “kunnen luisteren” en vooral in God en zijn Kerk moet vertrouwen. Het geloof in de aanwezigheid van Jezus in het allerheiligst Sacrament, wat de onderwerping en tegelijkertijd de verheffing van het verstand veronderstelt, bevrijdt ons uit deze spiraal die ons van God, maar ook van de anderen, verwijdert. Het geloof beschermt ons tegen deze “totale hoogmoed” die “de ergste van alle kwalen is”. 43 Het helpt ons ook om het verstand te buigen voor het ongeschapen Woord, dat verborgen is in de gedaante van brood, en om niet alleen te vertrouwen op onze zintuigen en ons eigen oordeel. Het gezag van God, van God die zich niet vergist en zich ook niet kan vergissen, zal in ons versterkt worden.

In het tabernakel gaat sterkte schuil. Het is het veiligste toevluchtsoord bij twijfels, angsten en zorgen. 44 Dit is het sacrament van het Nieuwe Verbond, van het eeuwigdurende Verbond. Het is het laatste en definitieve verbond, want het is niet mogelijk zich nóg meer te geven. Zonder Christus zouden de mens en de wereld in de duisternis zijn. En ook in het leven van de christen zal er steeds meer duisternis zijn, naargelang hij zich verder van God verwijdert. Dit sacrament, met zijn blijvende nieuwheid, verdrijft het oude, het ongeloof en de zonde voor altijd. “We moeten ons losmaken van alles wat vergankelijk, schadelijk en nutteloos is: van moedeloosheid, gebrek aan vertrouwen, droefheid of lafheid. De heilige Eucharistie brengt de kinderen van God een nieuwe aanwezigheid van het goddelijke. We moeten antwoorden in novitate sensus ( Rom 12, 2), door de vernieuwing van onze gevoelens en handelingen. Er is ons een nieuwe bron van energie gegeven, een machtige wortel die op de Heer is geënt” 45 .

In Cruce latebat sola deitas, at hic latet simul et humanitas

Alleen de godheid verborg zich aan het kruis, maar hier verbergt zich ook de mensheid

Met Christus op Calvarië

De viering van de Eucharistie plaatst ons op Calvarië, want “in dit goddelijk offer dat tijdens de Mis voltrokken wordt is dezelfde Christus aanwezig die zich eenmaal op bloedige wijze op het altaar van het kruis offerde ( Hebr 9, 27) (…). Hij wordt nu op onbloedige wijze geofferd. De offergave is één en dezelfde. Door het priesterlijk dienstwerk offert zich nu Dezelfde die zich eertijds aan het kruis ten offer opdroeg; alleen de wijze van offeren is verschillend”. 46 Wij hebben allen toegang tot Calvarië, “niet alleen door een van geloof vervulde herinnering, maar ook door werkelijk contact, aangezien dit offer telkens opnieuw tegenwoordig wordt gesteld en sacramenteel voortduurt in iedere gemeente die het offer brengt door de handen van de gewijde priester”. 47

Aan een ander kruis op Golgota, dichtbij dat van Jezus, hangt Dimas, de berouwvolle moordenaar. Wij zijn met hem aanwezig bij dezelfde Persoon en bij dezelfde dramatische gebeurtenis. Ook hebben wij - althans dat willen we - hetzelfde diepe geloof in deze Persoon. Dimas geloofde dat Jezus het Rijk van God met zich mee zou brengen en, vol berouw, verlangde hij er naar samen met Christus in dat Rijk te zijn. Ook wij geloven dat Hij God is, de Zoon van God die mens geworden is om ons te verlossen. Maar anders dan deze berouwvolle zondaar, die wel de mensheid van Christus zag maar niet zijn godheid, zien wij in het sacrament noch de godheid, noch de mensheid van Jezus.

De berouwvolle rover

In tegenstelling tot de andere misdadiger erkende Dimas schuld. Hij aanvaardde de verdiende straf voor zijn fouten en beleed de heiligheid van Jezus: “Hij heeft niets verkeerd gedaan” ( Lc 23, 41). Ook wij smeken de Heer ons op te nemen in zijn Rijk. Om Hem met een zuiverder hart te kunnen ontvangen belijden we onze schuld en vragen we Hem om vergiffenis, zonodig door eerst met een opbouwend berouw het sacrament van de verzoening te ontvangen, zoals de Kerk ons leert.

“Het wordt als passend beschouwd dat iemand slechts op heilige wijze het gewijde dienstwerk verricht (...), nog meer reden voor de christen om Hem nooit zonder diepe eerbied en heiligheid te ontvangen. Hij dient aandachtig deze schokkende woorden van de apostel te lezen: ‘Wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis’ ( 1 Cor 11, 29). Daarom worden degenen die te communie willen gaan herinnerd aan zijn gebod: ‘Men moet zichzelf onderzoeken’ ( 1 Cor 11, 28).

Volgens het gebod van de Kerk kan iemand die weet dat hij een doodzonde heeft bedreven niet te communie gaan, ook niet wanneer hij diep berouw heeft, als hij niet eerst het sacrament van de biecht ontvangt.” 48

De nederigheid van de gekruisigde Christus bracht Dimas ertoe zich na de woorden van Jezus niets in te beelden, maar het lijden zachtmoedig te aanvaarden en de verleiding te weerstaan om in opstand te komen. “Nederigheid van Jezus: in Betlehem, in Nazaret, op de Calvarieberg… Maar nog meer vernedering in de heilige Hostie; meer dan in de stal, dan in Nazaret, dan aan het Kruis.” 49 Laten we de latro pœnitens , de berouwvolle rover, navolgen in zijn nederige houding, vooral omdat wij bij het voorbeeld van Jezus die tot het uiterste gaat in de Eucharistie, door ons geloof meer zien dan hij met zijn ogen op de Calvarieberg kon zien. Als het ‘ik’ hoogmoedig de kop opsteekt en het recht op gemakzucht, sensualiteit, erkenning of dankbaarheid opeist, dan is het beste geneesmiddel naar de Gekruisigde te kijken, naar het tabernakel te gaan en op sacramentele wijze deel te nemen aan zijn offer. Tot deze conclusie kwam onze stichter die een punt van De Weg als volgt afsloot: “Hoezeer ben ik daarom niet verplicht om van de Mis te houden!” 50 Leerstoel van alle deugden

De heilige Thomas van Aquino schrijft hoe Christus aan het Kruis een voorbeeld geeft van alle deugden. “Passio Christi sufficit ad informandum totaliter vitam nostram.” 51 We hoeven maar een blik op de Gekruisigde te richten om alles te ontdekken wat we nodig hebben. Hij insisteert: “Nullum enim exemplum virtutis abest a Cruce,” 52 we hebben er een voorbeeld van alle deugden. Ze zijn voor iedereen duidelijk en in overvloed aanwezig: sterkte, geduld, nederigheid, onthechting, genegenheid, gehoorzaamheid, verachting van aanzien bij de mensen, armoede, overgave…

Ook van de Eucharistie kunnen we zeggen dat zij een leerstoel is van liefde en nederigheid. Door deze goddelijke gave kunnen we sterker worden bij het beoefenen van de andere christelijke deugden. “In de heilige Eucharistie en in het gebed hebben we een leerstoel die ons aangeeft hoe we iedereen met vreugde horen te dienen: hoe we in dienstbaarheid leiding kunnen geven; in vrijheid kunnen gehoorzamen, écht gehoorzamen; hoe we met respect voor de verscheidenheid de eenheid kunnen nastreven, en onderling heel verenigd kunnen zijn.” 53

De Eucharistie is vooral een leerstoel van deugden om dagelijks in praktijk te brengen: op het werk, in het gezin en in de andere gewone omstandigheden van het leven. We moeten kunnen wachten, er voor iedereen zijn, altijd beschikbaar zijn... De stilte van Jezus in het Sacrament is vooral veelzeggend voor wie zich moet heiligen nel bel mezzo della strada , midden op straat - zoals ons geval is - en opgenomen wordt door duizenden schijnbaar onbelangrijke bezigheden. Vanaf de stilte van deze zetel geeft Hij ons duidelijk aan dat het gewone leven, dat in alle eenvoud verloopt, ons voortdurend de mogelijkheid biedt tot heiligheid en apostolaat. Dit leven heeft de volle rijkdom en de kracht van God die bij alles betrokken is, die met ons spreekt en een belangstelling voor ons heeft die zelfs tot het verlies van een hoofdhaar gaat (vgl. Mt 10, 29).

Als we naar Jezus in het sacrament kijken worden we doordrongen van de noodzaak een zuivere intentie te hebben. We zullen niets anders meer willen dan de wil van God doen en de zielen dienen, opdat ze de hemel bereiken. We zullen de hemelse reikwijdte ontdekken van onze overgave aan de anderen, en ons willen geven door met anderen mee te leven en dat te doen met geduld, onopvallend en zonder ophef te maken. We zullen uiting geven aan onze vriendschap en genegenheid door, misschien kleine, maar concrete en doeltreffende attenties; door een groot hart te hebben en door tijd voor anderen vrij te maken. We zullen voor iedereen het juiste woord weten te vinden, de nodige raad en troost weten te geven en met een uitleg van de kerkelijke leer of een broederlijke vermaning weten te helpen.

“Hij vernedert zich tot alles, duldt alles, stelt zich aan alles bloot - heiligschennis, godslastering, de kille onverschilligheid van veel mensen - om, al was het maar aan één enkele mens, de mogelijkheid te bieden het kloppen van zijn doorboorde hart te horen.” 54 Zich geven in dienst van de anderen

De aanwezigheid van Jezus in het tabernakel laat zien hoe doeltreffend het is “zich te verbergen en te verdwijnen”. Dit is iets anders dan het dolce far niente , het zalig nietsdoen, het zich van anderen distantiëren of geen invloed willen uitoefenen op de eigen omgeving en op de gebeurtenissen rond het gezin, het beroep en de sociale contacten. Het betekent dat we alle eer aan God geven, de vrijheid van de anderen respecteren en hen in de richting van de Heer “duwen”, niet met een heleboel drukte, maar met de “dwang” van de eigen overgave en een blije en edelmoedige deugdzaamheid.

Als we naar de Heer in het Sacrament kijken zien we dat het nuttig is “onszelf tot brood te maken” opdat de anderen zich kunnen voeden met ons gebed, met onze dienstbaarheid en onze vreugde. Hierdoor kunnen ze verder op hun weg naar de heiligheid. Het zal ons overtuigen van de noodzaak van “het verborgen en stille offer,” 55 zonder drukte te maken, zonder overbodige woorden. “Jezus wilde in de Eucharistie blijven uit liefde… voor jou.

Hij bleef, hoewel Hij wist hoe de mensen Hem zouden ontvangen… en hoe jij Hem ontvangt.

Hij bleef om voedsel voor jou te zijn, om met jou te kunnen spreken wanneer je Hem opzoekt en Hem vertelt wat je bezighoudt. Hij bleef opdat je, door het gebed bij het tabernakel en door de heilige Communie, elke dag meer van Hem gaat houden en bereikt dat veel, heel veel andere mensen dezelfde weg volgen.” 56

Als we willen worden zoals Jezus, dan zien we in de Eucharistie met goddelijke welsprekendheid dat we ons volledig aan de anderen moeten geven, zonder te marchanderen, tot we van ons leven één grote dienst hebben gemaakt. “Je zult heilig worden als je in staat bent van de anderen te houden en hen het leven aangenaam maakt, zonder God daardoor te beledigen, ook als het je moeite kost.” 57 Ambo tamen credens atque confitens, peto quod petivit latro poenitens

Toch blijf ik beide prijzen en geloven, en vragen wat de goede rover vroeg

Het ritme van het berouw

Laten we teruggaan naar de gebeurtenis op Calvarië om naar de smeekbede van de berouwvolle moordenaar te luisteren. Bij de overweging van het Adoro te devote werd de heilige Jozefmaria door zijn woorden getroffen. “Ik heb vaak het vers van de eucharistische hymne “Peto quod petivit latro poenitens” herhaald, en raak telkens weer ontroerd: vragen zoals de berouwvolle rover!

Hij erkende dat hij een zodanig wrede straf wél verdiend had… En met één woord wist hij het Hart van Christus te stelen en de poort van de hemel voor zichzelf te openen.” 58

Bij de moeilijkheden die er in zijn laatste levensjaren in de Kerk waren, klampte onze stichter zich nog meer vast aan de goddelijke barmhartigheid, door God om begrip en liefde te vragen voor zichzelf en voor anderen. Hij meende zelf geen verdiensten te hebben en schreef alles aan God toe. “De Heer heeft alles gedaan”, verzekerde hij dan. Bij tegenspoed en beproeving deed hij geen beroep op de rechtvaardigheid om hulp van de Heer te krijgen, maar hij nam zijn toevlucht tot de barmhartigheid van God. Zo leidde het geloof in Christus hem tot het berouw, tot een standvastige en vreugdevolle bekering. Met deze logica handelde onze stichter in de vaste overtuiging dat cor contritum et humiliatum, Deus, non despicies ( Ps 50 [51], 19), dat God een berouwvol en vernederd hart niet veracht.

Met zijn voorspraak in de hemel kunnen wij ons het ritme van geloof en berouw ook eigen maken dat een onmiskenbaar teken is van authentiek geestelijk leven. De omgang met Christus in de Eucharistie zal ons vertrouwen in de barmhartigheid van de Heer op veel manieren versterken en ons helpen onze ellende te ontdekken, deze aan de voet van het Kruis te leggen en, bij al onze zwakheden, met de strijd tegen onze gebreken het Kruis van de Heer in ons leven op te richten.

Vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid

Dimas ondervond de barmhartigheid en de genade van God door een wending te geven aan wat zijn ‘beroep’ was geweest: een leven van plundering en diefstal. Aan het kruis “viel hij Christus aan”. Hij wist zijn hart te “stelen” en ging met Hem de eeuwige glorie binnen. Onze Stichter heeft ons de “liefdevolle gewoonte om tabernakels te bestormen” 59 doorgegeven. Hij heeft ons bovenal geleerd ons geheiligde werk met het offer van Jezus in de Mis te verenigen, om vervolgens verder te kunnen werken op basis van de kracht die uit Zijn offer voortvloeit.

De ervaring van de latro poenitens is ook de onze. Ook wij verwachten onze heiliging van de barmhartigheid van de Heer. De gaven van zijn vergeving en genade werken door in de broederlijkheid waarmee we iedereen behandelen, want de heiligheid en volmaaktheid staan in direct verband met de barmhartigheid. De Heer zelf zegt dat duidelijk: “Wees volmaakt zoals jullie hemelse Vader volmaakt is” ( Mt 5, 48); en “Wees barmhartig zoals jullie hemelse Vader barmhartig is” ( Lc 6, 36).

Maar wij moeten voor ogen hebben dat “barmhartigheid meer is dan een houding van medelijden. Barmhartigheid is een overvloed van liefde die niet te scheiden is van een overvloed van gerechtigheid.” 60 Het betekent eenvoudigweg zich aan de anderen geven zoals de barmhartige Samaritaan deed: de eigen plichten niet verzaken en vastbesloten zijn de gemakzucht te overwinnen en afstand te doen van kleine en minder kleine persoonlijke plannen en belangen. “Barmhartigheid betekent het hart op de goede plaats hebben. Het zal menselijk en goddelijk gesterkt worden door een gedecideerde, opofferende, edelmoedige liefde.” 61

Zo bezien is deze innerlijke houding ook van toepassing op Christus, God en Mens. Het zou dwaas zijn onze barmhartigheid te richten op God in zichzelf, maar het is niet dwaas met betrekking tot de Mensheid van Jezus. Hij heeft ons immers gezegd dat Hij onze barmhartigheid tegenover zijn broeders de mensen, zelfs de kleinsten, beschouwt als gericht tot Zichzelf (vgl. Mt 25, 40). Bovendien kunnen wij in zekere zin - als eerherstel - onze barmhartigheid uiten tegenover de Mensheid van de Heer die in het tabernakel verborgen is, waar Hij zich aan ons laat zien als “de Grote Eenzame.” Het is een uitgesproken uiting van liefde en vroomheid Hem in de “kerker der Liefde” te bezoeken, waar Hij “vrijwillig opgesloten” 62 is, omdat Hij voor altijd, tot aan het einde, bij ons wil blijven.

Er zijn veel mogelijkheden om Hem goed te behandelen, te vergezellen en genegenheid te geven. De heilige Jozefmaria moedigde ons aan dat te doen: “Jezus, verborgen in het Sacrament, wacht U in veel verlaten tabernakels vol liefde op ons. Ik vraag U dat wij U in de tabernakels van onze centra altijd goed behandelen, dat we U omringen met onze liefde, onze aanbidding, ons eerherstel, met de wierook van de kleine overwinningen, met het berouw over onze nederlagen.” 63 Plagas, sicut Thomas, non intueor, Deum tamen meum te confiteor

Ik zie geen wonden als eens Thomas deed, maar U, mijn God, zal gelden mijn geloof

De houding die Thomas aanvankelijk had

Acht dagen na de verrijzenis van Jezus is Thomas in de zaal van het Laatste Avondmaal aanwezig en kijkt naar de Heer die hem zijn wonden toont en zegt: “Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig maar gelovig” (Joh 20, 27). Bij de Eucharistie bevinden wij ons ook voor zijn verheerlijkte Lichaam, hoewel dat tegelijkertijd in de staat van slachtoffer is - Christus passus - vanwege de sacramentele scheiding van lichaam en bloed. “Het Eucharistisch offer stelt niet alleen het mysterie van het lijden en sterven van de Verlosser tegenwoordig, maar ook het mysterie van de Verrijzenis waarmee zijn offer is bekroond. Als de levende en verrezene, wordt Christus in de Eucharistie het “brood des levens” ( Joh 6, 35 en 48), het “levende brood” ( Joh 6, 51). 64

Wij kunnen ons voorstellen dat de apostel Thomas toen Jezus in de Hof van Olijven gevangen werd genomen en ook daarna - bij het ‘menselijk mislukken’ van Christus - verward, teleurgesteld en wanhopig was. Door zijn innerlijke ontreddering lag alles misschien bijzonder gevoelig en kostte het hem daarom meer moeite dan de andere tien, om de Verrijzenis van de Heer te accepteren. Het viel hem bijzonder zwaar opnieuw in Jezus te geloven, op Hem te hopen en een vast vertrouwen in Hem te krijgen. Kortom, het kostte hem moeite om Hem te beminnen en zich door Hem bemind te weten. En hij ging voorwaarden stellen.

God heeft zich geleidelijk geopenbaard en de geschiedenis van de Openbaring vertaalt zich op persoonlijk vlak in de weg van het geloof van ieder. Elke nieuwe stap op deze weg betekent een innerlijke overgave die ook ‘nieuw’ is, die moeite kost en verplicht tot een grotere identificatie met Christus. Het eigen-ik raakt hierdoor steeds meer op de achtergrond. Het is goed dat we gewaarschuwd zijn, want de reactie van de heilige Thomas kan ook de onze zijn: een houding van ongeloof, de weerstand om zonder voorbehoud te geloven, of om een groter geloof te hebben. Dit is niet iets om van op te kijken of van te schrikken, maar iets om te overwinnen door voor het tabernakel, of bij andere gelegenheden, met een groter geloof te herhalen: Dominus meus et Deus meus! - Mijn Heer en mijn God! ( Joh 20, 28).

De apostelen geloofden in Jezus als profeet en gezant van God, als de Messias en de Heiland van Israël, als de Zoon van God. Maar ze hadden zich geen nauwkeurige voorstelling gemaakt van de manier waarop de verlossing zou plaatsvinden en welke vorm het Rijk van hun Meester zou aannemen. De nauwkeurige beschrijvingen waarmee Jezus, ten minste drie keer, zijn lijden en dood aankondigde, konden ze niet helemaal begrijpen. Daarna werden ze, deels door hun traagheid, deels door heel de tragedie van het lijden, met geweld voor het plan van God geplaatst, en ze faalden allemaal, behalve de heilige Johannes. Het kostte in het bijzonder de heilige Thomas moeite om de verheerlijkte realiteit van de verrezen Christus te aanvaarden. Maar door de verschillende verschijningen van de Heer werd zijn terughoudendheid weggenomen. Hij overwon zijn geestelijke slapheid, zoals ik net zei, met een prachtige uiting van geloof en liefde: Dominus meus et Deus meus! Het uur van de beproevingen

We mogen niet uitsluiten dat er, om verschillende redenen, ook bij ons verzet kan opkomen om te geloven: door een opeenhoping van negatieve ervaringen, door de tegenwerking van een antichristelijke omgeving, of door “een onverwachte ontmoeting met het Kruis” 65 , dat zich concreet en hard aan ons voordoet. “God vraagt ons een totale verloochening en soms komt de arme mens van leem - waarvan we gemaakt zijn - in opstand, vooral als ons ‘ik’ bij onze bezigheden de plaats inneemt die voor God hoort te zijn.” 66

Door dergelijke situaties goed aan te pakken komen we de moeilijkheden met de genade van God te boven. Het zijn uitnodigingen om dichter bij God te komen, Hem beter te leren kennen, meer van Hem te gaan houden en Hem doeltreffender te dienen. Het beste middel om ze te overwinnen is een ontmoeting met de gekruisigde en verheerlijkte Christus, met Jezus in het Sacrament. Dan is het moment aangebroken om naar het tabernakel te gaan en met de Heer te spreken die ons zijn wonden toont als bewijs van zijn liefde. Door het geloof in deze wonden die wij met onze ogen niet zien, zullen wij met de apostelen ontdekken hoe noodzakelijk het mysterie was dat “Christus dat alles moest lijden en zo zijn glorie binnengaan” ( Lc 24, 26) noodzakelijk was. We zullen het kruis dan duidelijker als een goddelijke gave aannemen en de volgende aansporing van onze stichter begrijpen: “laten we ons inspannen de glorie en het geluk te zien die verborgen gaan in de smart.” 67 Naar de wonden van Christus

Mijn dochters en zonen, ik herhaal dat we ons niet moeten verbazen of moeten schrikken als wij te maken krijgen met bijzonder moeilijke situaties waarin het “clair-obscur” van het geloof zich duidelijker van de donkere kant toont; situaties waarin het misschien moeilijker is Christus te herkennen, of te ontdekken waarheen de weg voert die Hij voor ons wil. Dit soort innerlijke beproevingen is soms te wijten aan de menselijke ellende of aan onvoldoende beantwoording. Maar vaak maken ze deel uit van het plan dat God voor ons gewild heeft om ons met Jezus Christus te vereenzelvigen, om ons te heiligen.

Op een dergelijk moment moeten we, zoals de apostel Thomas deed, “naar de wonden van Christus gaan”. De heilige Jozefmaria zet het als volgt uiteen: “Vergeet niet dat wij, als we bij Christus zijn, zijn kruis zeker zullen tegenkomen. Als wij ons in de handen van God laten zal Hij vaak toelaten dat wij proeven van het lijden, de eenzaamheid, de tegenslag, de laster, de smaad en het hoongelach, zowel van binnen als van buiten. Hij wil ons vormen naar zijn beeld en gelijkenis. Hij laat zelfs toe dat we dwazen genoemd worden en voor gek worden aangezien.

Dan wordt het tijd om de versterving zonder protest en van harte te aanvaarden die - misschien verborgen, of juist onbeschaamd en onverbiddelijk - op een moment komt dat wij dat niet verwachten. (…)

Door een oprechte bewondering en liefde voor de allerheiligste Mensheid van Jezus zullen wij zijn wonden één voor één ontdekken. En in tijden van lijdelijke, moeizame en harde loutering, van tranen die wij proberen te verbergen, zullen wij de drang voelen om in elk van die allerheiligste wonden binnen te dringen: om ons te louteren, ons te verheugen in het verlossende Bloed, om ons te sterken (...).

Doe, zoals het hart je ingeeft: stort deze menselijke? en goddelijke liefde uit in de wonden van de Heer. Dat is verlangen naar verenigd zijn met Christus, zich broer en zus van Hem weten, een bloedverwant, een kind van dezelfde Moeder, want zij is immers degene die ons naar Christus heeft gevoerd.” 68

Laten wij altijd, en niet alleen in tijden van beproeving, met volharding naar de ontmoeting met de verrezen Christus zoeken, die op het altaar en in het tabernakel op ons wacht. We moeten met vertrouwen en met volle overtuiging onze toevlucht nemen tot het gebed bij Jezus in het Sacrament om, met de durf van kinderen, voor vele noden en intenties te bidden! De apostel Thomas stelde de ontmoeting met Christus als voorwaarde om te geloven, door de genade van God weten wij nu met zekerheid dat al onze geestelijke noden met Jezus opgelost worden. Wij zien noch de Mensheid, noch de Godheid van de Heer, maar wij geloven! Wij gaan naar Degene die “ons ziet, ons hoort, op ons wacht en ons voorgaat vanuit het tabernakel. Daar is Hij, op verborgen wijze, onder sacramentele gedaante, werkelijk aanwezig (…) en Hij vraagt ons: Wat is er? Ik? En onmiddellijk is er licht of, tenminste, aanvaarding en vrede.” 69 Zo zullen wij trouw zijn en - zonder menselijk opzicht, als vanzelfsprekend - de impuls en de kracht voelen om tegen de hele wereld te zeggen dat wij Christus hebben ontmoet, dat we Hem hebben aangeraakt, dat Hij leeft! Zoals de heilige Jozefmaria zullen wij de waarheid en de vreugde smaken dat - Iesus Christus heri et hodie, ipse et in saecula! - Jezus Christus dezelfde gisteren is, vandaag en tot in eeuwigheid ( Hebr 13, 8).

Fac me tibi semper magis credere, in te spem habere, te diligere

Laat mij in U steeds meer geloven, op U vertrouwen, U beminnen

Eucharistische zielen: geloof, liefde, hoop

Een groeiend geestelijk leven staat in direct verband met een groeiende devotie tot de Eucharistie. Onze Stichter heeft dat met veel kracht verkondigd. Als vrucht van zijn geestelijke ervaring spoort hij iedereen aan: “Wees een mens van de Eucharistie! Als al jouw gedachten en verlangens op het tabernakel gericht zijn, zullen de vruchten van heiligheid en apostolaat overvloedig zijn!” 70

De beschouwing van de Eucharistie is een solide basis voor het verlangen naar heiligheid en apostolaat. “Ik begrijp niet hoe iemand een christelijk leven kan leiden zonder behoefte te hebben aan een duurzame vriendschap met Jezus in het woord en in het brood, in het gebed en in de Eucharistie. Wat ik wel begrijp is dat de elkaar opvolgende generaties van gelovigen, in de loop van de eeuwen, aan de eucharistische vroomheid invulling hebben gegeven.” 71

Wanneer God de ziel naar zich toe wil trekken, moet het schepsel zich daar met meer akten van geloof, hoop en liefde op instellen en een intenser geestelijk leven leiden door meer gebed, meer boete, het frequenter ontvangen van de sacramenten en een intense omgang met Christus in de Eucharistie. Zo heeft onze stichter gehandeld, vooral sinds de Heer zich door tekens van liefde aan zijn ziel begon te openbaren. Al op het seminarie van San Carlos bracht hij hele nachten door in gebed, waarbij hij de Heer in het tabernakel gezelschap hield. In de loop van die dagen voelde hij een steeds diepere noodzaak om bij Hem te zijn.

De weg van de christen is een goddelijke weg, de vrucht van de bovennatuurlijke kennis, van de gerichtheid op de Drie-eenheid als het oneindige Goed, de weg van de gemeenschap in liefde. Hiervan is de eucharistische aanbidding de meest verheven uiting, want die is op God gericht zoals Hij binnen ons bereik heeft willen blijven. Het is dan ook het beste middel om in deze drie deugden te groeien. Onze stichter vroeg ze iedere dag, vooral in de heilige Mis, wanneer hij Jezus in de geconsacreerde Hostie en in de kelk met zijn Bloed omhoog hief: adauge nobis fidem, spem, caritatem! - Vermeerder ons geloof, onze hoop en onze liefde!

Geloof, hoop en liefde: bovennatuurlijke deugden die alleen God in de ziel kan instorten en die alleen Hij kan versterken. Maar dat betekent niet dat wij vrijgesteld zijn van onze persoonlijke medewerking, want bij zijn plannen legt de Almachtige zijn liefde nooit op: “Hij wil geen slaven, maar kinderen, en Hij respecteert onze vrijheid.” 72 Daarom wil Hij gewoonlijk dat het schepsel zich inspant om zijn plannen te aanvaarden en er aan mee te werken. We hebben alle reden om ons te verwonderen over het belang dat Hij aan ons geeft.

Attenties van de Heer

Dat Jezus zich verbergt onder de eucharistische gedaanten beantwoordt aan de eisen van het sacramentele bestel, maar we mogen aannemen dat dit ook beantwoordt aan het verlangen van God om de menselijke vrijheid niet te forceren. Door zich te verbergen nodigt de Heer ons uit Hem te zoeken, waarbij Hij ons tegemoet komt. “Hij ontmoet ons zogenaamd toevallig.” 73 Dit heeft de heilige Jozefmaria vaak meegemaakt. Zonder het te beseffen, zonder het zich uitdrukkelijk voor te nemen, was hij woorden van de Schrift aan het ‘herkauwen’ die licht wierpen op aspecten van zijn werk, die hem de wil van God lieten zien, die antwoord gaven op problemen en twijfels die hij de Heer had voorgelegd. “De evangelist verhaalt dat Jezus een groot wonder deed, waarna Hij zich terugtrok omdat ze Hem tot koning wilden kronen.

Heer, Gij laat ons delen in het wonder van de Eucharistie. Wij vragen U dat U zich niet verbergt, maar bij ons blijft; dat wij U zien, U aanraken, U voelen en altijd bij U willen zijn en dat U de Koning van ons leven en van onze bezigheden bent.” 74

Van nature wil het innerlijk leven van geloof, hoop en liefde steeds meer, het wil een groeiende beantwoording. Het stelt zich niet tevreden met wat het doet. Het is dan ook een teken van echte liefde als men denkt weinig van God te houden en meer met Hem te moeten omgaan. Alleen iemand die weinig liefheeft denkt dat hij al veel doet. Met kracht legt onze Stichter ons het volgende voor: “Wat vertel je me nou…? Kun je niet méér doen? Is het niet zo… dat je niet minder kunt doen?” 75 Laten we nogmaals naar Christus in het tabernakel gaan en zeggen: Fac me tibi semper magis credere, in te spem habere, te diligere!

Deze drang naar ‘meer’ heeft haar wortel en centrum in de Eucharistie, zoals dat geldt voor alles in het christelijke leven. Want in de Eucharistie is Jezus het toppunt van het ‘crescendo’ van de gave van God aan de mensheid. Door ons met Hem te vereenzelvigen geeft Hij ons deze drang tot een ‘crescendo’ in onze persoonlijke overgave, en wel ‘suaviter et fortiter’, met zachtheid en met kracht, door ons als het ware aan de hand te leiden. De heilige Jozefmaria heeft het als volgt uitgedrukt: “Je bent begonnen met je dagelijkse bezoek. Het verbaast me niet dat je zegt: Ik begin erg van de godslamp bij het tabernakel te houden.” 76 Laten we Jezus, als we voor het tabernakel knielen, met een vurige liefde smeken om een “werkdadig geloof, onvermoeibare liefde en standvastige hoop” ( 1 Tes 1, 30).

O memoriale mortis Domini, Panis vivus, vitam praestans homini

Gedachtenis aan ’s Heren dood, o brood des levens, levenswekker van de mens

Gedachtenis van het Kruisoffer

De Eucharistie is de gedachtenis van het sterven van de Heer en het feestmaal waar Christus zijn Lichaam en Bloed als voedsel aan ons geeft. “De goddelijke wijsheid - zo leert Pius XII - heeft een bewonderenswaardige manier gevonden om het offer van onze Verlosser met uiterlijk waarneembare tekenen aan te duiden, tekenen die een symbool zijn van de dood. Dankzij de transsubstantiatie van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus, is zowel zijn Lichaam als zijn Bloed werkelijk aanwezig. Op deze manier zijn de eucharistische gedaanten waaronder Christus aanwezig is, het symbool van de wrede scheiding van lichaam en bloed. Op deze manier wordt de herdenking van zijn dood op de Calvarieberg in ieder altaaroffer herhaald, waar Jezus Christus door middel van verschillende tekenen als slachtoffer wordt aangeduid en getoond.” 77

Johannes Paulus II schrijft bij de uiteenzetting van deze leer: “De Mis stelt het offer van het kruis tegenwoordig. Ze voegt niets aan dat offer toe en vermenigvuldigt het ook niet. Wat herhaald wordt is de gedachtenisviering, de “gedenkende tegenwoordigstelling”, ( memorialis demonstratio ), waardoor het ene, definitieve, verlossende offer van Christus altijd in de tijd aanwezig is. Het offerkarakter van het eucharistisch mysterie kan dan ook niet gezien worden als los en onafhankelijk van het kruis, of slechts indirect verband houdend met het offer van Calvarië.” 78

De heilige Mis is veel meer dan een herinnering aan de heilbrengende gebeurtenis op Golgota, zij actualiseert die op sacramentele wijze. Ieder sacrament verwezenlijkt wat het betekent. Zo betekent de Mis het offer van Jezus op de Calvarieberg en stelt dat tegenwoordig. De Mis is de levende herdenking van het lijden en sterven van Onze Heer. “Wanneer de Kerk de Eucharistie viert gedenkt zij het Pasen van Christus, waarin het ene offer van Christus tegenwoordig gesteld wordt: het offer dat Christus eens en voor altijd op het kruis gebracht heeft, blijft een altijd levende werkelijkheid.” 79 In het Misoffer verenigen wij al het onze met het offer waarmee Jezus Christus, het Hoofd van de Kerk, zich aan God de Vader overleverde als aanbidding, dankzegging, eerherstel voor de zonden van de mensheid en als smeekbede voor alle noden van de wereld.

Centrum en wortel van het geestelijke leven

In de catechese gaf onze stichter zich veel moeite om de nauwe band tussen het Laatste Avondmaal, het Kruis, en de Mis uit te leggen. Toen in veel kringen het offerkarakter van de Eucharistie werd verdoezeld, legde hij veel nadruk op de oneindige waarde van het heilig offer. Met woorden die iedereen gemakkelijk kon volgen zei hij: “Er is een duidelijk onderscheid tussen de instelling van de heilige Eucharistie - het moment waarop de goddelijke en tegelijk menselijke liefde tot uiting komt - en het offer op het kruishout. Bij het Avondmaal had Jezus een afwachtende houding, het lijden moest nog komen. Op Calvarië heeft Hij een berustende houding, lijdend in de houding van de eeuwige Priester. Jezus hangt daar aan het kruis, vastgespijkerd met nagels, nadat Hij de wereld met zijn voetstappen had geheiligd. En Hij sterft uit liefde voor ieder van ons. Al zijn bloed is de prijs voor onze ziel, voor iedere ziel.” 80

De Heer heeft de eeuwige verlossing voor ons verkregen door zijn volledige overgave (vgl. Hebr 9,12). “Dit offer is voor de verlossing van de mensheid zo beslissend, dat Jezus het pas heeft willen voltooien en naar de Vader terugkeerde nadat Hij ons het middel had nagelaten om eraan deel te nemen , alsof wij erbij aanwezig waren. Hierdoor kan iedere gelovige aan het offer deelnemen en er zonder ophouden vruchten van verkrijgen. Vanuit dit geloof hebben generaties christenen in de loop van de eeuwen geleefd.” 81

De heilige Jozefmaria wist deze geloofsschat op te nemen en tot in haar diepste betekenis te beleven. Naar het voorbeeld van de kerkvaders probeerde hij, elke dag weer opnieuw, te doen wat in de Mis wordt verwezenlijkt. Hij adviseerde anderen hetzelfde te doen: “Identificeer je met het offer van Jezus dat op het altaar opgedragen wordt!” 82 Hij spande zich in om zelf te doen wat hij anderen leerde. De heilige Mis, als centrum en wortel van het geestelijke leven van de christen , was voor hem iedere dag weer fundamenteel. Hij wist dit te overwegen en door te geven in het licht van een diepe beschouwing van het eucharistische Mysterie.

De Mis “is geen menselijk maar een goddelijk gebeuren, een handeling van de Drie-ene God. De priester die celebreert stelt zich in dienst van Christus door Hem zijn stem en lichaam te lenen. Hij handelt niet in eigen naam, maar in persona et in nomine Christi , in de persoon van Christus en in naam van Christus.

De liefde van de Drie-eenheid voor de mensen maakt dat uit de aanwezigheid van Christus in de Eucharistie de genade voortkomt voor de Kerk en voor de mensheid. Dit is het offer dat de profeet Malachias voorzegd had (...). Het is het offer van Christus, aan de Vader aangeboden, met de medewerking van de heilige Geest. Een offer van oneindige waarde, waardoor de Verlossing voor eeuwig in ons zal voortduren. De offers van de Oude Wet konden dit niet.

De heilige Mis plaatst ons voor de grootste geloofsmysteries. Zij is de gave van de heilige Drie-eenheid aan de Kerk. Het is dan ook begrijpelijk dat de Mis het middelpunt en de wortel is van het geestelijke leven van de christen, het doel waarnaar alle sacramenten verwijzen. Het genadeleven dat we bij het doopsel ontvingen en dat, gesterkt door het vormsel, verder groeide, wordt in de Mis tot volheid gebracht.” 83 Een heldhaftige beantwoording

Ik wil er op aandringen de viering van de Eucharistie tot centrum en wortel van het geestelijke leven van een kind van God te maken, omdat dit sacrament het hoogtepunt van het offer van Gods Zoon is. Hij houdt ons dit voor ogen en helpt ons zijn voorbeeld te volgen bij onze dagelijkse beantwoording. Hij schenkt ons bovendien de genade van de Verlossing en de mogelijkheid om ons over te geven zoals Hij deed, voor de eer van God en de redding van de zielen.

Een dergelijk groot geschenk vraagt om een moedig antwoord en vereist dat we ons best doen om ons - met alles wat we hebben en zijn - met het offer van Jezus aan God de Vader te verenigen. “In het heilig misoffer neemt de priester het Lichaam van onze God en de kelk met zijn Bloed, heft ze boven alle dingen van de aarde uit en zegt: Per Ipsum, et cum Ipso, et in Ipso , door mijn Liefde en met mijn Liefde en in mijn Liefde! Verenig je met dat gebaar. Sterker nog: maak het tot een deel van je leven.” 84

Ik wil benadrukken dat onze stichter er niet alleen op wees dat de heilige Mis middelpunt en wortel van het innerlijke leven is, hij liet ook zien wat ons persoonlijk antwoord kan zijn op deze gave van de Drie-eenheid in het heilig Offer. Onze geestelijke strijd zal daardoor rond de Mis gaan draaien, door dat Offer gevoed worden en in dat Brandoffer geworteld zijn.

Hij vertelde dat het hem veel hielp de dag in tweeën te delen: één helft om de Mis voor te bereiden en de andere helft om ervoor te danken. Hij benutte de nachtrust om meer dialoog met God te hebben en legde daarbij het accent op de eucharistische dimensie. Bij de verschillende momenten van de eucharistieviering probeerde hij betekenis te geven aan ieder gebaar en ieder woord; ze als het ware te proeven. Hij gaf steeds weer nieuwe nuances aan deze inspanning en verbond ze met uitingen van geloof, hoop en liefde, met concrete situaties en intenties. Zijn homilie “De Eucharistie, geheim van geloof en liefde” 85 kan ons hierbij veel helpen.

Alles wat ons met de genade van Christus - met zijn goddelijke kracht - via de Eucharistie bereikt, vereist een inspanning van onze kant. De heilige Jozefmaria spoort ons aan om deze strijd aan te gaan: “Blijf strijden opdat het heilig Misoffer echt het middelpunt en de wortel van je geestelijk leven wordt, zodat je hele dag een eredienst wordt, een voortzetting van de Mis die je bijgewoond hebt en een voorbereiding op de volgende. Een dag vol schietgebeden, bezoeken aan het Allerheiligste, het opdragen van je beroepswerk, van je gezin...” 86 Vereniging met Christus en eenheid van de Kerk

In het heilig Misoffer komen de aspecten van vereniging en offer bij elkaar. Door middel van de priester biedt Christus zich als slachtoffer aan God de Vader aan, en Deze biedt ons Christus als voedsel aan. De sacramentele Christus is het “Brood van de kinderen”. 87 De vereniging met het Lichaam en Bloed van de Heer geeft ons een bijzondere genade. Deze heeft in de ziel een effect dat vergelijkbaar is met dat van voedsel voor het lichaam, “zoals verzorgen, doen groeien, herstellen en laten genieten”. 88 Bij het lichamelijke voedsel neemt het lichaam het voedsel in zich op, maar hier gebeurt het omgekeerde: wij worden door Christus opgenomen in zijn Lichaam, en we worden in Hem veranderd. “Onze deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus heeft geen ander doel dan ons om te vormen in datgene dat we ontvangen.” 89

De Eucharistie is in de Kerk bij uitstek het sacrament van de eenheid, want allen eten van dit éne Brood en worden tot één enkel Lichaam. De heilige Mis en de communie bouwen de Kerk, versterken haar harmonie, geven haar eenheid. “Zij die de Eucharistie ontvangen, worden nauwer met Christus verbonden. Hierdoor worden zij door Christus met alle gelovigen verenigd tot één enkel lichaam: de Kerk. De communie vernieuwt, versterkt en verdiept deze inlijving in de Kerk, reeds door het doopsel verwezenlijkt. In het doopsel werden wij geroepen één enkel lichaam te worden (vgl. 1 Cor 12, 13). De Eucharistie verwezenlijkt deze oproep.” 90

Mijn dochters en zonen, als wij het heilig Offer vieren of er aan deelnemen is het belangrijk dat we ons verenigen met het zichtbare hoofd van de Kerk. Laten we allen verenigd zijn met de Paus, het hoofd van de Kerk; met het hoofd van de particuliere Kerk, de bisschop en - heel in het bijzonder - met mij als jullie geestelijke vader, die de Heer als het zichtbare hoofd en als beginsel van eenheid heeft willen aanstellen van dit ‘stukje van de Kerk’ dat het Opus Dei is.

Praesta meae menti de te vivere, et te illi semper dulce sapere

wil in mijn geest uw leven storten, in U ook steeds mijn vreugd doen zijn

Leven uit Christus

“Het vlees van Christus is levenwekkend door zijn eenheid met het Woord.” 91 De heilige Lucas schrijft: “Heel de menigte deed pogingen Hem aan te raken, want er ging van Hem een kracht uit die allen genas” ( Lc 6, 19). Ook het eucharistisch Brood is niet alleen levend brood, maar ook levengevend brood: het geeft het goddelijk leven in Christus. Als we Hem ontvangen kunnen we met de heilige Paulus zeggen: “Ik leef niet meer, Christus leeft in mij” ( Gal 2, 20).

Praesta meae menti de te vivere ... Deze strofe is een aansporing om ons volledig te voeden door van Christus te leven, bij ons hele doen en laten trouw te beantwoorden aan zijn liefde, en voortdurend de zoetheid hiervan te proeven. Laat het voor ons een vreugde en een genot zijn om bij Christus te zijn, die voor ons “als een magneet is waardoor wij worden aangetrokken”. 92

Deze smeekbede, deze oprechte wens, helpt om harmonie in ons leven te willen brengen en daar veel zorg aan te besteden. Dit betekent dat we niets anders in ons hart willen hebben dan de Heer (vgl. Mt 6, 24), dat we niets anders dan dat éne zoeken (vgl. Lc 10, 42), en ons volledig onderwerpen aan één enkele Liefde: aan Hem. Alleen willen wat God wil, al het andere aanvaarden omdat God het wil, zoals Hij het wil en in de mate waarin Hij dat beschikt. We zouden ons zodanig met Christus moeten identificeren dat het vervullen van zijn wil een essentiële karaktertrek van onze persoonlijkheid wordt. Dat betekent dat wij “de gevoelens van Jezus Christus hebben” (vgl. Fil 2, 5) en daarom moeten we Hem, zoals de heilige Jozefmaria deed, vragen: “Dat ik met uw ogen mag zien, mijn Christus, mijn Jezus.” 93

Wij mogen niet vergeten dat alles heilig is, omnia sancta , als we verenigd zijn met de Heer. Zonder Hem, mundana omnia , is alles werelds. We moeten ons niet laten bedriegen. Achter een ogenschijnlijke natuurlijkheid, of achter een niet vastberaden willen zien dat de trouw aan Christus consequenties heeft, gaat gebrek aan liefde schuil. We kunnen onze relatie met God alleen bouwen op het enige model dat er is, en dat is Christus. Het moet ons duidelijk zijn dat de relatie van Jezus met zijn Vader schittert door de volledige eenheid: “Ik en de Vader, wij zijn één” ( Joh 10, 30).

Eenheid van leven

De heilige Mis heeft de kracht om eenheid te brengen in het menselijke leven als we ons inzetten om haar tot het centrale punt van het geestelijke leven te maken. In het allerheiligst Sacrament, de onbloedige vernieuwing van het offer op Calvarië, neemt Jezus alle werken en intenties van de persoon mee die zich met zijn offer verenigt. Hij verenigt ze bij zijn aanbidding, zijn dankbaarheid, het eerherstel en het smeekgebed dat Hij tot de Vader richt.

In de jaren die Christus op aarde doorbracht was de geschiedenis van de mensheid, te beginnen bij Adam, met zijn leven verenigd, en Hijzelf verenigde zijn leven met het offer. Zo wordt ook in het heilig Misoffer alles verenigd wat God voor de mensheid heeft verkregen. Het is een samenvatting van wat de mensheid in Christus aan de Vader kan aanbieden, door de bezieling van de heilige Geest. Met andere woorden “de heilige Eucharistie (...) omvat en verwezenlijkt heel de barmhartigheid van God met de mensen”. 94

In het heilig Offer ligt een samenvatting van hoe we ons moeten gedragen: liefdevolle aanbidding, dankzegging, uitboeting en vragen. Dit wil zeggen dat we ons aan God en, om Hem, aan de anderen geven. In de Mis moet alles samenvloeien: wat ons zwaar valt en waarover we bezorgd zijn, waar we blij mee zijn en waarop we ons verheugen, elk detail van ons dagelijks leven. We moeten met onze zorgen, die van anderen, die van de hele wereld, naar de heilige Mis gaan.

Met Kerstmis vroeg ik een paar broers en zussen van jullie om niet alleen met hun eigen intenties en vragen naar Betlehem te gaan, maar het Kindje ook het lijden en de noden voor te leggen van alle mensen van het Werk, van de Kerk en van de hele wereld. Ik raad jullie aan hetzelfde te doen. Leg de Heer in de Mis de materiële en geestelijke noden van iedereen voor, zoals Christus deed toen Hij het Hout besteeg, beladen met de zonden van alle mensen, van alle tijden. Laten we proberen met Hem het Kruis te bestijgen. Vanaf het Kruis sprak Hij voor ons ten beste bij de Vader, zoals Hij nu doet vanaf de altaren en vanuit de tabernakels in de hele wereld. Dit deed Hij om voor iedereen, zonder uitzondering, met goddelijke overvloedigheid de nodige genaden te verkrijgen.

Jullie zullen je een bijzondere ervaring herinneren die de heilige Jozefmaria in 1966 had en die hij als volgt beschreef: “Na vele jaren deed die priester een wonderbaarlijke ontdekking. Hij begreep dat de heilige Mis echt werk is: operatio Dei , een werk van God. Die dag ondervond hij bij het opdragen van de Mis smart, blijdschap en vermoeidheid. Hij voelde aan den lijve de uitputting van een goddelijke arbeid. De eerste Mis - het Kruis - heeft Christus ook veel moeite gekost.” 95

Zijn interpretatie van deze gebeurtenis was dat God zijn jarenlange inspanning om zijn leven in het heilig Misoffer te centreren had willen belonen, en dat Hij hem tegelijkertijd wilde bevestigen in de bovennatuurlijke waarde van deze weg als middel om eenheid in zijn leven te bereiken, wat zo karakteristiek is voor de geest van het Werk. Laten we dag in dag uit strijden om bij alle bezigheden ons hoofd bij Christus te hebben, ons bij zijn plannen aan te sluiten en verder in zijn kennis door te dringen.

Pie pellicane, Iesu Domine, me immundum munda tuo sanguine

O Pelikaan vol liefde, Jezu Heer, wil mij, onreine, wassen in uw bloed

Zich steeds meer zuiveren

Het beeld van een pelikaan die zijn kleintjes voedt met het bloed uit de wond in zijn borst, die hij met zijn eigen snavel gemaakt heeft, is een traditioneel eucharistisch symbool dat in zekere zin laat zien dat de aspecten van offer en gemeenschap in de Eucharistie niet van elkaar te scheiden zijn. In de heilige Mis wordt “het werk van onze verlossing gerealiseerd” 96 en ontvangen we het lichaam van Christus als voedsel, en zijn bloed als drank.

In dit Sacrament wordt duidelijk dat het bloed van Christus een verlossende werking heeft en tegelijkertijd voedt en verzadigt. Het is het Bloed dat alle zonden wegwast (vgl. Mt 26, 28) en de ziel weer zuivert (vgl. Apoc 7, 14). Het Bloed dat mannen en vrouwen voortbrengt met een zuiver lichaam en een rein hart (vgl. Zach 9, 17). Het Bloed dat dronken maakt, dronken van de heilige Geest, en dat de tongen losmaakt om te zingen en te spreken van de “magnalia Dei” (vgl. Hand 2, 11), de wonderwerken van God.

Omdat de Eucharistie het offer van Calvarië is, heeft het de kracht om elke zonde weg te wassen en alle genaden te verkrijgen. De andere sacramenten komen uit de Mis voort, als vanaf Calvarië, en leiden ons naar het offer van Christus, als naar hun doel. Maar het gewone sacrament dat door God is ingesteld om de doodzonden te vergeven is niet de Mis, maar de biecht. Zeg dit steeds weer in het apostolaat. De biecht is het sacrament van de verzoening met God en met de Kerk. Deze verzoening komt tot stand door de absolutie die volgt op de volledig oprechte en berouwvolle biecht - tegenover de priester - van alle doodzonden welke nog niet direct door dit sacrament zijn vergeven. 97 De Communie waardig ontvangen

Omdat de Eucharistie een uiting van liefde is waarin men deelt, vereist dit van degenen die het Lichaam en Bloed van de Heer willen ontvangen, dat zij door de genade met Jezus verenigd zijn. “Heb je wel eens bedacht hoe je je zou voorbereiden de Heer te ontvangen, als je maar één keer in je leven te communie zou kunnen gaan?

Laten we God danken omdat wij zo gemakkelijk tot Hem kunnen naderen, maar... laten we ons daar heel goed op voorbereiden.” 98

Zoals ik al eerder heb herinnerd, is de kwaliteit en de fijngevoeligheid van deze voorbereiding afhankelijk van de diepte en zuiverheid van ieders persoonlijk geestelijk leven, in het bijzonder van het geloof en met de liefde voor Jezus in het Sacrament. “We moeten de Heer in de Eucharistie ontvangen zoals de groten der aarde ontvangen worden. Nog beter zelfs! Met pracht en praal, met licht, met feestelijke gewaden... En als je me vraagt wat in dit geval met schoonheid, pracht en praal bedoeld wordt, zal ik je antwoorden: reinheid van je zintuigen, van elk zintuig; luister van elk van je vermogens; licht in heel je ziel.” 99

Om de Heer sacramenteel te ontvangen hoeven we natuurlijk niet te wachten tot we volmaakt zijn, want dan zouden we altijd aan het wachten zijn. Ook is er geen reden om de Mis niet bij te wonen omdat het gevoel tegenzit, of omdat we vaak verstrooid zijn. “Communiceer. Het is geen tekortschieten in eerbied. Communiceer juist vandaag, nu je net uit die strik bevrijd bent. Ben je vergeten dat Jezus gezegd heeft: Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken?” 100

Nóg minder reden is er om de heilige Communie niet langer te willen ontvangen omdat we denken dat het effect van het veelvuldig communiceren uitblijft. “Zoveel jaren heb ik dagelijks gecommuniceerd! Een ander zou heilig zijn geworden - heb je me gezegd - en ik ben nog altijd dezelfde! Kind, heb ik geantwoord, ga door met je dagelijkse communie en denk: wat zou er van mij geworden zijn, als ik niet dagelijks gecommuniceerd had?” 101

Een christen moet veeleer met het verstand beredeneren dat het veelvuldig communiceren, wat al sinds lang in de Kerk gebeurt, een teken van authentieke liefde is, die door de eigen ellende niet kan worden uitgedoofd. “Apostel, die innige vriendschap van Jezus met jou. Al zoveel jaren dicht bij Hem. Zegt je dat niets?” 102

Wanneer deze of andere valse argumenten de kop opsteken is het hard nodig om, vol dankbaarheid en met vertrouwen in Jezus, de houding van de honderdman aan te nemen, wiens woorden wij in de heilige Mis herhalen: Domine, non sum dignus! - Heer, ik ben niet waardig! We moeten niet vergeten dat wij, bij de majesteit en de volmaaktheid van Christus, die God en Mens is, als bedelaars zijn die niets bezitten, dat wij besmet zijn met de melaatsheid van de hoogmoed, dat wij de hand van God niet altijd zien bij wat ons overkomt, en dat we soms als verlamd staan tegenover zijn wil. Dit alles is geen rechtvaardiging om zich terug te trekken. Integendeel, het moet ons helpen het voorbeeld van onze stichter te volgen en vaak te herhalen: “Ik zou U willen ontvangen, Heer, met die zuiverheid, nederigheid en toewijding...”

Cuius una stilla salvum facere totum mundum quit ab omni scelere

Want iedere druppel draagt in zich de reinheid van al ’s werelds zonden

De werking van de Eucharistie aan anderen doen kennen

Deze woorden maken ons opnieuw bewust van een andere eigenschap die kenmerkend is voor de Eucharistie. De ‘overmaat’, het ‘overlopen’ van goddelijke liefde die ons steeds weer wordt aangeboden. Deze strofe van de eucharistische hymne verwijst naar het aspect van uitboeting dat dit sacrament in zich heeft. Een druppel bloed van de God-mens was voldoende om alle zonden van de mensheid uit te wissen. Maar Hij wilde ál zijn bloed vergieten. “Een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; onmiddellijk kwam er bloed en water uit” (Joh 19, 34). Onder de oude volken en in zekere zin ook nu, is bloed een teken van leven. Christus besloot al zijn bloed te vergieten, ook als uiting van de uitdrukkelijke wil zijn Leven voor ons te geven.

Laten we de volledige overgave van Jezus overwegen, en opnieuw bedenken dat “het wezen van de God-mens in Christus niet gescheiden kan worden van zijn taak als Verlosser”. 103 Dit is voor ons een aansporing om ons er niet tevreden mee te stellen dat we zelf een eucharistisch leven leiden: we moeten anderen aanmoedigen dat ook te doen.

Dat ieder van ons de omgang met de Heer in de Eucharistie zoekt en dat goed verzorgt, is niet genoeg. Hoe meer mensen we hiervoor weten te winnen, hoe beter. Dan zullen ook zij deze ongekende vriendschap ervaren. “Houd heel veel van Jezus in het Sacrament en probeer dat ook vele anderen dat doen. Alleen als Hij jullie grootste zorg is, zullen jullie dit aan anderen kunnen doorgeven, want dan zullen jullie overbrengen wat jullie leven is, wat jullie hebben, wat jullie zijn.” 104

Mijn dochters en zonen, gezien het trieste feit van de onwetendheid, ook onder veel katholieken, is het belangrijk de mensen uit te leggen wát de heilige Mis is, hoeveel waarde de Mis heeft, met welke gesteltenis men de Heer in de communie kan en moet ontvangen, hoe noodzakelijk het is Hem te bezoeken bij het tabernakel, hoe we uitdrukking kunnen geven aan de waarde en de zin van de “etiquette van de vroomheid”. 105

Hier ligt een onuitputtelijk terrein voor het persoonlijke apostolaat dat veel vruchten kan opleveren en door Gods zegen zal dat veel roepingen met zich meebrengen. Vanaf het begin heeft onze Stichter ons dat herhaald en voorgeleefd. “Om de wil van Christus, onze Koning te vervullen”, (hij verwijst met deze woorden naar de verbreiding van het Opus Dei over de hele wereld), “is het noodzakelijk dat jullie een diep innerlijk leven hebben, dat jullie eucharistische zielen zijn, dat jullie sterk zijn! Mensen van gebed. Want alleen dan zullen jullie bezield zijn met de geestdrift die de geest van het Werk vereist.” 106 Liefde voor versterving en boete

Als we werkelijk eucharistische zielen willen zijn, zielen van gebed, dan is het niet op zijn plaats om de vereniging met het Kruis te ontlopen. In tegendeel. We moeten dingen zoeken of aanvaarden die voor ons een versterving zijn. Don Álvaro heeft notitie genomen van een vraag die onze stichter bij gelegenheid aan een groep van zijn geestelijke kinderen stelde: “Wat kunnen we doen om apostelen in het Opus Dei te zijn, zoals de Heer dat wil?” En onmiddellijk ging hij energiek en met volle overtuiging verder: “De gekruisigde Christus in ons dragen! (...). De Heer luistert naar de smeekbeden van zielen die verstorven en boetvaardig zijn.” 107 Don Álvaro trok onmiddellijk een conclusie die hij zichzelf en de anderen voorhield: “Als we trouw willen zijn aan de opdracht om mede te verlossen, dan moeten we ons met Christus identificeren door onze hartstochten en de begeerten van ziel en lichaam te kruisigen (vgl. Gal 5, 24). Aan deze goddelijke paradox moeten we nieuw leven geven: Om te leven moet je sterven” ( De Weg , nr. 187). 108

Door het sacrament van het offer van de Zoon van God krijgen we de genade en de kracht om ons te vereenzelvigen met Christus aan het Kruis. De oorsprong en de wortel van een verstorven leven ligt zonder twijfel in de eucharistische devotie. Alleen als we - cum gaudio et pace , met vreugde en vrede - met Christus aan het Kruis genageld leven, zullen we terecht kunnen zeggen dat we authentieke eucharistische zielen zijn. Ook als wij in staat zijn ons “te onderwerpen en te vernederen uit Liefde” en als “onze gedachten, onze gevoelens, onze zintuigen en vermogens, onze woorden en onze daden, met elkaar verbonden zijn door de liefde voor Onze Lieve Vrouw en voor het Kruis van haar Zoon”. 109 Een eucharistische ziel is noodzakelijkerwijs een priesterlijke ziel, al zeker als zij door verlangens naar genoegdoening en offer wordt verteerd. Dan kan men zeggen dat dit een ziel is die “echt en volledig eucharistisch is”. 110

Wanneer wij daadwerkelijk van de Mis kunnen zeggen: “onze Mis, Jezus”, omdat Jezus de Mis celebreert met ieder van ons, en ieder van zichzelf een offer maakt om aan God op te dragen, verenigd met het offer van Christus, dan duurt de Mis vierentwintig uur per dag. “Houd veel van Jezus. Verlang ernaar eerherstel te geven, heb een diep berouw. Genoegdoening is nodig, allereerst voor onszelf, zoals de priester doet voordat hij naar het altaar gaat. En wij, die ook een priesterlijke ziel hebben, maken een Mis van onze dag waarbij we heel verenigd zijn met Christus, de priester, om een heilig offer aan de Vader op te dragen, dat voor onze persoonlijke zonden en die van alle mensen genoegdoening geeft (...). Behandel de Heer goed, zowel in de Mis als gedurende de dag.” 111 Iesu, quem velatum nunc aspicio, oro, fiat illud quod tam sitio,

ut te revelata cernens facie, visu sim beatus tuæ gloriæ

Jezu, die mijn oog gesluierd ziet, ik bid U wat ik diep verlang,

U eens te zien met ongedekt gelaat, geluk te vinden in de aanschouwing van uw glorie

Verlangen het gelaat van Christus te zien

Het Adoro te devote wordt met een strofe afgesloten die als volgt is samen te vatten: Heer, ik zou U willen zien! Het is begrijpelijk dat het zo eindigt, want de Eucharistie is het “onderpand van de toekomstige heerlijkheid” 112 en een vooruitlopen op het definitieve leven. “De Eucharistie is echt een stukje van de hemel dat zich voor de wereld opent. Het is de straal van de heerlijkheid van het hemelse Jeruzalem, die door de wolken heen van onze geschiedenis breekt en met zijn licht onze weg beschijnt.” 113

Deze schat heeft een centrale plaats in de Kerk en loopt vooruit op de eeuwigheid. Zij maakt ons tot deelgenoten van het “Bruiloftsmaal van het Lam”, waar de gelukzaligen voor het aangezicht van God en van hun Christus staan (vgl. Apok 19, 6-10). Voor ons is dit, door de genade van God, nu al bereikbaar, hoewel nog niet volledig, maar slechts ten dele (vgl. 1 Cor 13, 10-12). Door de gave van het sacrament wordt het nieuwe leven dat we bij het doopsel ontvingen, groter en sterker. In de eeuwigheid zal het tot volheid komen.

Doordat we Jezus in de heilige Communie ontvangen kunnen we met een serene houding tegenover de dood en tegenover de onzekerheid van het oordeel staan. Hij heeft ons immers verzekerd: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag” ( Joh 6, 54). “Wie zich met Christus in de Eucharistie voeden, hoeven niet tot het hiernamaals te wachten om het eeuwige leven te ontvangen: zij bezitten het al op aarde als de eerste vruchten van een toekomstige volheid, die de mens in zijn totaliteit zal omvatten. Want in de Eucharistie ontvangen wij ook de belofte van onze lichamelijke verrijzenis bij het einde van de wereld.” 114 Het geloof en de hoop in de Eucharistie houden veel angsten ver bij ons vandaan.

De heilige Eucharistie is “door de genade van God de meest heilige en verheven handeling van ons, mensen, in dit leven. Door het Lichaam en het Bloed van de Heer te ontvangen ontdoen wij ons in zekere zin al van de boeien van ruimte en tijd en verenigen wij ons met God in de hemel, waar Christus zelf elke traan uit onze ogen zal wissen, waar de dood niet meer zal zijn, noch het geweeklaag of de vermoeienis, want de oude wereld zal al voorbij zijn” (vgl. Apok 21, 4). 115

Dit sacrament staat op de drempel van het tijdelijke naar het eeuwige leven. Dit geldt wanneer het bij de ziekenzalving aan de stervenden wordt toegediend, maar vooral omdat het Christus passus bevat, Christus die reeds verheerlijkt is. In de sacramentele orde behoort het tot het aardse leven, substantieel tot het leven hierna. Ook daarom kunnen we zeggen dat de eucharistische vroomheid ons steeds meer Opus Dei maakt, en ons aanspoort om contemplatieve zielen te zijn in de wereld. Wij leiden immers een leven van liefde, zowel hier op aarde als in de hemel, “niet ‘tussen’ hemel en aarde, want wij zijn van de wereld. We zijn tegelijkertijd op aarde en in het paradijs! Dit kan de formule zijn om aan te geven hoe we vorm geven aan ons leven zolang we in in hoc sæculo - op deze aarde zijn”. 116 Onderpand van het eeuwige leven

Het verlossingsplan van God begint in deze ‘voorlaatste, aardse fase van het leven en komt volledig tot vervulling in de fase die gaat komen, in de eeuwigheid. 117 Zo geeft het geloof een zekere kennis van aangezicht tot aangezicht, en is het een aanzet tot de eeuwige en zalige aanschouwing. In de Eucharistie vloeit het verlangen naar de eeuwige glorie vooral voort uit de liefde, als de vrucht van de omgang. De eucharistische ziel verlangt ernaar Degene die hij verborgen in het Brood aanbidt, te kunnen aanbidden terwijl hij Hem ziet. De intense omgang met een verborgen liefde wekt een onweerstaanbaar verlangen naar het volledig bezitten van die liefde. “Ga met de allerheiligste Mensheid van Jezus om… Hij zal een onverzadigbare honger in je ziel leggen, een ‘waanzinnig’ verlangen om zijn gelaat te mogen aanschouwen.” 118

De heilige Jozefmaria voelde een ongeduld in zijn hart dat heiligen altijd hebben gekend. “Mensen die van elkaar houden, proberen elkaar te zien. Verliefde mensen hebben alleen maar oog voor hun geliefde. Dat is toch vanzelfsprekend? Het is een behoefte van het menselijke hart. Ik zou liegen door te ontkennen dat ik er naar verlang het gelaat van Jezus Christus te zien. ‘Vultum tuum, Domine, requiram’ ( Ps 26, 8); Heer, ik zoek uw gelaat. Ik doe mijn ogen graag dicht om te denken aan het moment dat zal komen wanneer God het wil, waarop ik Hem kan zien, niet ‘als in een spiegel, onduidelijk... maar van aangezicht tot aangezicht’. (1 Cor 13, 12). Ja, kinderen, ‘mijn hart dorst naar God, de levende God: wanneer zal het moment komen waarop ik het aangezicht van God zal zien?’ ( Ps 41, 3).” 119

De eucharistische vroomheid zal dit verlangen in ons doen groeien, totdat we alleen nog maar bij Christus willen zijn. Maar dat betekent niet dat we de wereld de rug toekeren. Integendeel, we zullen de wereld nog hartstochtelijker beminnen, want ons hart is heel verenigd met het Hart van Christus. De omgang met de Heer in de Eucharistie zal ons de overtuiging geven dat het geluk niet ligt in aardse goederen - die zullen oud worden en verdwijnen - maar dat het geluk er in ligt voor altijd bij Hem te zijn. Hij is het echte geluk en dat bezitten we in dit Sacrament als de “oneindige schat, de kostbaarste parel”. 120 “Bij het uitreiken van de heilige Communie had die priester zin om uit te schreeuwen: Ik reik je het Geluk aan!” 121 De heilige Maagd Maria, de vrouwe van de Eucharistie

Met de aanroeping “vrouwe van de Eucharistie” heeft Johannes Paulus II de Kerk het voorbeeld van Maria als ‘school’ en ‘gids’, voorgelegd. Wij kunnen van haar leren om vol verwondering bij het mysterie van de Eucharistie aanwezig te zijn, deze goed te ontvangen, te aanbidden en ervoor te danken. 122 Met het licht van het geloof begrijpen wij dat heel goed. Zo was het ook bij onze stichter. Hij hield ons voor dat de Maagd Maria in de heilige Mis “in zekere zin betrokken is omdat zij nauw verbonden is met de heilige Drie-eenheid, en ook omdat zij de Moeder is van Christus, van zijn vlees en zijn bloed. Zij is de Moeder van Jezus Christus, volmaakt God en volmaakt Mens. Jezus, die in de schoot van de Maagd Maria werd ontvangen, zonder tussenkomst van een man, maar alleen door de kracht van de heilige Geest, heeft het bloed van zijn Moeder. Dat bloed is als offer opgedragen op Calvarië en in de heilige Mis.” 123

Aan de voet van het Kruis verenigde Maria haar innerlijke smart - “kom en zie of er iemand zo geleden heeft als ik” ( Kl 1, 12) - met die van haar Zoon. Zo werkte zij op de Calvarieberg mee aan de Verlossing. “Zij is, met de Kerk en als Moeder van de Kerk, aanwezig bij iedere Eucharistieviering.” 124 Zij is de Middelares van alle genaden. Zij werkt met de Zoon mee bij het verspreiden van de oneindig heiligmakende kracht van het heilig Misoffer dat alleen Jezus kan volbrengen.

Mijn dochters en zonen, wanneer wij ons op de een of andere manier hebben gespiegeld aan de figuur van Dimas - de berouwvolle moordenaar -, of aan de apostel Thomas, waarom zouden we dan niet naar Maria kijken zodat we Jezus in het Sacrament beter leren kennen, meer van Hem gaan houden, van Hem leren, Hem volgen en Hem “goed behandelen”? Bij deze persoonlijke inspanning die ons geestelijk leven steeds weer vernieuwt en ons doet verlangen naar heiligheid en apostolaat, zullen we geholpen worden door de beschouwing van de geheimen van de rozenkrans: vanaf de aankondiging, waarbij we zien hoe de Maagd Maria zonder voorwaarden te stellen het vleesgeworden Woord opneemt in haar allerzuiverste schoot, tot aan haar verheerlijking, wanneer God haar met lichaam en ziel in de glorie ontvangt en haar kroont als Koningin, als onze Vrouwe en Moeder.

“Door Maria gaan we altijd naar Jezus en keren we ook naar Hem terug.” 125 Laten we aan onze Moeder vragen dat ze ons altijd bij de hand neemt - speciaal in dit Eucharistisch Jaar - opdat wij de Heer in het Sacrament met woorden en daden zeggen: “Ik aanbid U, ik houd van U!” Adoro te devote! Laten we daarbij ook naar onze Stichter luisteren die er op aandringt: “roep Maria en Jozef aan, want op de een of andere wijze zijn zij aanwezig in het tabernakel, net zoals zij aanwezig waren in Betlehem en Nazaret (...). Vergeet dat niet!” 126

Met alle liefde, zegent jullie

jullie prelaat

+ Javier

Rome, 6 oktober 2004, twee jaar na de heiligverklaring van de heilige Jozefmaria.

1 TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Decr. Presbyterorum ordinis , nr. 5.

2 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 87. Vgl. TWEEDE VATICAANS CONCILIE, dogm. const. Lumen gentium , nr.11; Decr. Presbyterorum ordinis , nr. 14.

3 CONCILIE VAN TRENTE, ses. XIII, Decreet over de heilige Eucharistie , c.1 (Denz. 1651).

4 Vgl. Ibid ., can.2 (Denz. 1652).

5 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 538.

6 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een meditatie, 14-IV-1960.

7 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 83.

8 Vgl. Ibid ., nr. 84.

9 HEILIGE JOHANNES CHRYSOSTOMUS, Homilieën over het evangelie van Sint Matteüs , 82, 4 (PG 58, 743).

10 Vgl. De Weg , nrs. 269, 537, 554; De Smidse , nrs. 831, 991; Als Christus nu langs komt , nr. 151.

11 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 267.

12 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 84.

13 Ibid .

14 HEILIGE JOZEFMARIA, Homilie Priester voor eeuwig , 13-IV-1973.

15 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 64.

16 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een bijeenkomt, oktober 1972.

17 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 90.

18 Vgl. HEILIGE THOMAS VAN AQUINO, Summa Theologiae , II-II, q. 84, a. 2; HEILIGE JOHANNES VAN DAMASCUS, Over het orthodoxe geloof , 4, 12 (PG 94, 1133).

19 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een bijeenkomt, 4-IV-1970.

20 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nrs. 539, 538. Vgl. De Voor , nrs. 685, 686; De Smidse , nr. 887.

21 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 161.

22 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een meditatie, 14-IV-1960.

23 «Lauda, Sion, Salvatorem, / lauda ducem et pastorem / in hymnis et canticis. / Quantum potes, tantum aude: / quia maior omni laude, / nec laudare sufficis» «Loof, o Sion, uw Verlosser / loof uw Leidsman en uw Herder / in gezang en liederen. / Loof Hem luid, naar best vermogen: / Hij gaat alle lof te boven / loven kunt gij nooit genoeg». Romeins Missaal, Hoogfeest van Sacramentsdag, Sequentie Lauda Sion ).

24 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 838. Vgl. nrs. 832, 837.

25 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 824.

26 HEILIGE JOZEFMARIA, De Voor , nr. 818.

27 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 533.

28 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 151.

29 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 156.

30 HEILIGE JOZEFMARIA, Homilie Priester voor eeuwig , 13-IV-1973.

31 ROMEINS MISSAAL, Sacramentsdag, Sequentie, Lauda Sion .

32 HEILIGE JOZEFMARIA, Brief 28-III-1973 , nr. 7.

33 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 153.

34 CONCILIE VAN TRENTE, ses. XIII: Decreet over de heilige Eucharistie , hoofdstuk 4 (Denz. 1642).

35 PAULUS VI, Credo van het Volk van God , 30-VI-1968. Vgl. JOHANNES PAULUS II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nr. 15.

36 Vgl. bijvoorbeeld PIUS XII, Encycliek Mediator Dei , 20-XI-1947; PAULUS VI, Encycliek Mysterium fidei , 3-IX-1965; JOHANNES PAULUS II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003; Katechismus van de Katholieke Kerk , nrs. 1322-1419.

37 Vgl. TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Dogm. const. Dei Verbum , nr. 10.

38 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 84.

39 Ibid , nr. 109.

40 Ibid , nr. 6.

41 HEILIGE JOZEFMARIA, Brief 28-III-1973 , nr. 10.

42 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 80.

43 Ibid , nr. 6.

44 Vgl. HEILIGE JOZEFMARIA, De Voor , nr. 817.

45 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 155.

46 CONCILIE VAN TRENTE, ses. XXII, Leer over het heilig Misoffer , hst. 2 (Denz. 1743).

47 JOHANNES PAULUS II, encycliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nr. 12.

48 CONCILIE VAN TRENTE, ses. XIII, Decreet over de heilige Eucharistie, hst. 7 (Denz. 1647).

49 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 533.

50 Ibid .

51 HEILIGE THOMAS VAN AQUINO, Collationes 4 over het Geloof .

52 Ibid .

53 HEILIGE JOZEFMARIA, Brief 24-III-1931 , nr. 61.

54 HEILIGE JOZEFMARIA, Homilie Priester voor eeuwig , 13-IV-1973, nr. 39.

55 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 509.

56 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 887.

57 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 556.

58 HEILIGE JOZEFMARIA, De Kruisweg , 12e statie, nr. 4.

59 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 876.

60 HEILIGE JOZEFMARIA, Vrienden van God , nr. 232.

61 Ibid .

62 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 827.

63 HEILIGE JOZEFMARIA, Brief 28-III-1973 , nr. 7.

64 JOHANNES PAULUS II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nr. 14.

65 HEILIGE JOZEFMARIA, De Kruisweg , 5e statie.

66 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een bijeenkomst, 25-VI-1972.

67 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een meditatie, 9-IV-1937.

68 HEILIGE JOZEFMARIA, Vrienden van God , nrs. 301 – 303.

69 HEILIGE JOZEFMARIA, Vrienden van God , nr. 249.

70 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 835.

71 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 154.

72 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 129.

73 HEILIGE JOZEFMARIA, Homilie Priester voor eeuwig , 13-IV-1973.

74 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 542.

75 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 23.

76 HEILIGE JOZEFMARIA, De Voor , nr. 688.

77 PIUS XII, Encycliek Mediator Dei , 20-XI-1947, nr. 20.

78 JOHANNES PAULUS II, enc. Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nr. 12. Vgl. CONCILIE VAN TRENTE, ses. 22, Leer over het heilig Misoffer , hst. 2 (Denz. 1743).

79 Katechismus van de Katholieke Kerk , nr. 1364.

80 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een bijeenkomst, 22-V-1970.

81 JOHANNES PAULUS II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nr. 11.

82 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een meditatie, 14-IV-1960.

83 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nrs. 86-87.

84 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 541.

85 Vgl. Als Christus nu langs , nrs. 88-91.

86 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 69.

87 ROMEINS MISSAAL, Sacramentsdag, Sequentie Lauda Sion .

88 HEILIGE THOMAS VAN AQUINO, Summa Theologiae , III, q. 79, a. 1.

89 HEILIGE LEO DE GROTE, Homilie 12 over het Lijden , 7 (PL 54, 357).

90 Katechismus van de Katholieke Kerk , nr. 1396.

91 CONCILIE VAN EFESE, jaar 431 (Denz. 262).

92 HEILIGE JOZEFMARIA, Vrienden van God , nr. 296.

93 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een meditatie, 19-III-1975.

94 HEILIGE JOZEFMARIA, Gesprekken met Mgr. Escrivá , n. 123.

95 HEILIGE JOZEFMARIA, De Kruisweg , 11e statie, nr. 4.

96 TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Dogm. const. Lumen gentium , nr. 3.

97 Vgl. JOHANNES PAULUS II, Apost. exhort. Reconciliatio et poenitentia , 2-XII-1984, nr. 31, I.

98 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 828.

99 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 834.

100 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 536.

101 Ibid ., nr. 534.

102 Ibid ., nr. 321.

103 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 122.

104 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een bijeenkomst, 4-IV-1970.

105 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 541.

106 HEILIGE JOZEFMARIA, Instrucción , 1-IV-1934, nr. 3.

107 Opgenomen door don ÁLVARO DEL PORTILLO, Brief , 16-VI-1978.

108 Ibid .

109 Ibid .

110 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 826.

111 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een bijeenkomst, 6-X-1968.

112 TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Const. Sacrosanctum Concilium , nr. 47.

113 JOHANNES PAULUS II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nr. 19.

114 JOHANNES PAULUS II, Encykliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nr. 18.

115 HEILIGE JOZEFMARIA, Gesprekken met Mgr. Escrivá , nr. 113.

116 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een meditatie, 27-III-1975.

117 Vgl. JOHANNES PAULUS II, Encycliek Evangelium vitæ , 25-III-95, nr. 2.

118 HEILIGE JOZEFMARIA, De Kruisweg , 6e statie, nr. 2.

119 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een meditatie, 25-XII-1973.

120 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 432.

121 HEILIGE JOZEFMARIA, De Smidse , nr. 267.

122 Vgl. JOHANNES PAULUS II , Encycliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nrs. 53-58.

123 HEILIGE JOZEFMARIA, Als Christus nu langs komt , nr. 89.

124 JOHANNES PAULUS II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia , 17-IV-2003, nr. 57.

125 HEILIGE JOZEFMARIA, De Weg , nr. 495.

126 HEILIGE JOZEFMARIA, Aantekeningen van een gesprek, 6-VI-1974.