Op weg naar het eeuwfeest (8): Het werk als plaats van ontmoeting met God

Geïnspireerd door de Heilige Schrift en de leer van de heilige Jozefmaría, wordt in dit artikel overwogen hoe het beroepsleven en het dagelijks leven een authentieke plaats van ontmoeting met God kunnen worden en een concrete weg naar heiligheid midden in de wereld.

Menselijk werk neemt vele vormen aan: het kan in stilte of in teamverband plaatsvinden, zichtbaar of onzichtbaar, met of zonder publieke erkenning. Afgezien van deze verschillen heeft de christelijke traditie werk echter altijd beschouwd als een realiteit die doordrongen is van een diepgaande geestelijke waardigheid.

De soorten en omstandigheden van menselijk werk zijn ontelbaar en zeer divers. Hoewel werk voor iedereen hetzelfde is vanwege de menselijke conditie, wordt ieder werk uitgevoerd in een eigen context, onderhevig aan (ingrijpende) veranderingen door de tijd heen en vaak ook in ons persoonlijke leven.

Sommige mensen werken in grote ruimtes van grote organisaties, waar ze voortdurend in contact staan met veel andere mensen, terwijl anderen zelfstandig werken en hun eigen werkomgeving bepalen. Sommige taken worden in teamverband uitgevoerd, terwijl andere juist stilte en afzondering vereisen; sommige werkzaamheden kunnen niet worden uitgevoerd zonder het gezoem van een machine, omdat ze handelingen vereisen die de menselijke kracht te boven gaan, terwijl andere juist totale stilte vereisen vanwege de noodzaak van concentratie, precisie en uiterst fijn handwerk.

Bij sommige beroepen, zoals die van artsen, leraren of receptionisten, is de dienstverlenende dimensie duidelijk aanwezig; bij andere daarentegen is dienstbaarheid aan de naaste impliciet en zijn persoonlijke relaties minder direct. Zich toeleggen op wetenschappelijk onderzoek staat niet gelijk aan het tevredenstellen van een klant; voedsel produceren is niet hetzelfde als een boek schrijven. Sommige inspanningen krijgen van nature erkenning en beloning, terwijl andere vaak onopgemerkt blijven.

Hun ambacht is hun gebed

Een passage uit de Heilige Schrift, in hoofdstuk 38 van het boek Wijsheid van Jezus Sirach, geeft op bijzonder levendige wijze de dynamiek weer van diverse menselijke bezigheden, met name handarbeid en ambachten, en benadrukt hun waardigheid voor God. De ambachtsman, de pottenbakker, de boer of de smid lijken zich niet bezig te houden met verheven zaken, noch behoren zij tot de raadgevers van koningen; hun activiteit vindt plaats ver van de sferen van macht en politieke beraadslaging. En toch kan de menselijke samenleving dankzij hun volhardende en stille werk zichzelf in stand houden en vooruitgang boeken:

“Zij allen [de arbeider, de ambachtsman, de smid en de pottenbakker] vertrouwen op hun handen, en in zijn eigen werk heeft ieder zijn wijsheid. Zonder hen is geen stad te bewonen en komen er gasten noch reizigers. Maar voor de raad van het volk heeft men hen niet nodig en in de volksvergadering brengen zij het niet ver. Zij zitten niet op een rechterstoel en van de rechtsregels hebben zij geen begrip. Zij geven blijk van vorming noch oordeel en wijze spreuken zal men van hen niet horen; maar zij houden de goederen van deze wereld in stand en hun enige behoefte is hun ambacht uit te oefenen” (Sir 38:31-34).

Door te bevestigen dat “hun ambacht hun gebed is”, erkent de door God geïnspireerde schrijver dat al het menselijk werk, zelfs datgene wat het minst invloedrijk of belangrijk lijkt onder de machtigen der aarde, een gebed is dat tot God opstijgt. We hoeven de wereld niet te verlaten om God te loven en met Hem te spreken; we kunnen tot Hem spreken door het werk dat we verrichten.

De leer van de heilige Jozefmaría sluit aan bij dit Bijbelse perspectief, dat kenmerkend is voor de wijsheidstraditie van het Oude Testament. Hij predikte voortdurend dat elk werk een plek kan worden waar men God ontmoet en dat geen enkele menselijke taak, hoe bescheiden die ook mag lijken, verstoken is van een goddelijke toeschouwer. Aangezien voor de overgrote meerderheid van de mensen het dagelijkse werk de gebruikelijke context van het leven is, is het juist daar, in dat dagelijkse werk, dat we geroepen zijn om de christelijke deugden te beleven en zo, in eenheid met Jezus Christus, op weg te gaan naar heiligheid.

“Welnu, het Opus Dei is ontstaan om ertoe bij te dragen dat zij begrijpen dat hun leven, juist zoals het is, een gelegenheid kan zijn voor een ontmoeting met Christus, dat wil zeggen, een weg van heiligheid en apostolaat. Christus is in elke rechtschapen menselijke activiteit aanwezig: het leven van een gewone christen, dat sommigen maar te eenvoudig en te kleinzielig vinden, kan en moet een heilig en heiligmakend leven zijn.” (Gesprekken, nr. 60).

In een van de vorige artikelen hebben we stilgestaan bij de gevolgen van het feit dat het vleesgeworden Woord een ware menselijkheid op zich nam, met het hele netwerk van relaties dat daarbij hoort, en bovendien een bepaald beroep uitoefende, namelijk dat van timmerman. Uit deze realiteit vloeien ten minste twee implicaties voort die van bijzonder belang zijn voor ons thema.

Ten eerste dat het gewone leven – zoals het door de Zoon van God op aarde werd aangenomen en geleefd – een sfeer schept waarin iedereen zich met Christus kan identificeren en zich daardoor kan heiligen. Ten tweede dat de veelheid aan omstandigheden die eigen zijn aan het dagelijks bestaan en het dagelijks werk, deze roeping een werkelijk universele dimensie verleent, waardoor zij toegankelijk wordt voor de overgrote meerderheid van mannen en vrouwen van alle tijden.

Deze laatste overweging, die door de stichter van het Opus Dei werd samengevat in de woorden: “de goddelijke wegen van de aarde zijn geopend„ (Instrucción, mei 1935, nr. 1), benadrukt de nauwe band tussen de heiliging van het werk en de universele roeping tot heiligheid. Dit verband roept echter enkele vragen op. Wat is de relatie tussen deze twee realiteiten in de leer van de heilige Jozefmaría? Wat is er origineel aan zijn gedachtegoed, in vergelijking met de theologische traditie van zijn tijd?

De universaliteit van de heiligheid en de missie van het Opus Dei

De universele roeping tot heiligheid vloeit, strikt genomen, niet voort uit de universele dimensie van de diverse aardse activiteiten die door mannen en vrouwen worden verricht. In wezen is de universele roeping tot heiligheid een uitdrukking van de roeping tot identificatie met Jezus Christus die elke gelovige bij de doop als een  geschenk en een taak ontvangt. Iedere gedoopte is geroepen om heilig te zijn; bovendien is ieder mens heilig, voor zover hij of zij bestemd is om een levend lid te zijn van het Mystieke Lichaam van Christus. Hiertoe behoren ook degenen die nooit zullen werken: bijvoorbeeld degenen die de wereld verlaten om zich aan de contemplatie te wijden, of degenen die geen beroep of vak hebben.

Aan iedereen, ongeacht zijn of haar levensomstandigheden – leek, religieus, priester; gezond of ziek; midden in de wereldse bezigheden of daarvan afgezonderd – richt God een oproep om zich te vormen naar zijn Zoon, die voor ons mens is geworden. Hoewel dit perspectief duidelijk aanwezig is in het Nieuwe Testament en in de traditie van de eerste eeuwen van het christendom, is het gedurende lange perioden in de geschiedenis in de vergetelheid geraakt. In leven gehouden door enkele auteurs uit de moderne en hedendaagse tijd, zoals de heilige Franciscus van Sales, de heilige Alfons Maria de Liguori en de heilige John Henry Newman, onder anderen, zal het vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw het middelpunt worden van de boodschap van de heilige Jozefmaría, en vervolgens met gezag worden overgenomen door het Tweede Vaticaans Concilie in zijn leer over het Volk van God (vgl. Lumen gentium, hoofdstuk 2).

Wat kenmerkt dan de missie van het Opus Dei, en op welke manier draagt de prediking over de heiliging van het werk – met zijn drie dimensies van het werk heiligen, zichzelf heiligen in het werk en anderen heiligen door het werk – bij tot het begrip van de universele roeping tot heiligheid die aanwezig is in de Kerk van Jezus Christus?

Uit de inhoud van de Brieven en Instructies, en met name uit de passages waarin de heilige Jozefmaría de missie omschrijft van de nieuwe instelling die hij geroepen voelt te bevorderen, kunnen we afleiden dat het pastorale doel van het Opus Dei erin bestaat spirituele en ascetische middelen aan te reiken waarmee de roeping tot heiligheid kan worden beantwoord in de context van het werk en het dagelijks leven. Met andere woorden: christenen helpen om een christelijke stempel te drukken op het werk, de samenleving en de activiteiten die midden in de wereld worden ontplooid.

“Hoe duidelijk was die algemene oproep tot heiligheid in het dagelijks leven, in het beroep, zonder de eigen omgeving te verlaten, voor wie het Evangelie kon lezen! Toch hebben de meeste christenen dit eeuwenlang niet begrepen: er ontwikkelde zich geen ascetische fenomeen waarbij velen op die manier naar heiligheid zouden streven, zonder hun plek te verlaten, door hun beroep te heiligen en zichzelf te heiligen door hun beroep” (Carta 3, nr. 91).

“Mijn dochters en zonen, de geest van het Opus Dei omvat de prachtige waarheid dat ieder waardig en nobel werk op menselijk gebied een goddelijke taak kan worden. Er bestaat geen tegenstrijdigheid tussen de christelijke moraal, de christelijke volmaaktheid en welk geoorloofd beroep dan ook, intellectueel of handmatig, of men het nu belangrijk of bescheiden vindt.” (Carta 14, nr. 5).

De heilige Jozefmaría begrijpt dat de boodschap van Jezus Christus alle milieus en alle hoeken van de samenleving kan bereiken via de leken die in alle beroepen en activiteiten aanwezig zijn, en zo bijdragen aan de verzoening van de wereld met God.

“We kunnen gemakkelijk naar alle werkplekken gaan, zelfs naar seculiere milieus, waar God wordt genegeerd of gehaat, en ons onderdompelen in onze gewone professionele taken: iets wat inherent is aan de essentie van onze roeping en wat, indien het ons ontnomen zou worden, ons alle mogelijkheden tot heiliging volgens onze geest zou ontnemen, evenals alle mogelijkheden tot apostolaat in de wereld.” (Carta 13, nr. 115).

“Het is nu twee jaar geleden dat ik, in vanwege de behoeften van het Werk, naar Rome ben verhuisd. Het Werk begrijpelijk maken voor de leiders van de Universele Kerk was in die tijd mijn voornaamste bezigheid; er kwam een moment waarop ik besloot een illustratie als voorbeeld te gebruiken. Tijdens een gesprek met kardinaal Lavitrano liet ik hem de foto zien van een van jullie broers, een operazanger, tijdens een theateroptreden. En ik merkte op: ‘Ziet u dat wij gewone mensen zijn, dat het onze taak is om alle beroepen en alle manieren van werken te heiligen die eigen zijn aan mensen die zich niet van de wereld afzonderen?’” (Carta 14, nr. 2).

Om de missie van het Opus Dei te vervullen, begreep de heilige Jozefmaría dat de leken een specifieke vorming nodig hadden die hen in staat zou stellen om in de beroepswereld en in het dagelijks leven getuigenis af te leggen van het Evangelie. Het ging er uiteindelijk om zich te voeden met wat men een ‘spiritualiteit van het werk’ zou kunnen noemen, aangepast aan de culturele en sociale omstandigheden van onze tijd.

In dit licht kunnen we ook de rol begrijpen die hij toekende aan de priesters die hij in de nieuwe instelling wilde incardineren: de gewijde priesters moeten in hun bediening de leken, die midden in de wereld staan, de nodige geestelijke begeleiding en vorming bieden, zodat zij hun gemeenschappelijk priesterschap ten volle kunnen uitoefenen.

Hoewel de universele roeping tot heiligheid niet voortvloeit uit het loutere bestaan van meerdere werkcontexten die vatbaar zijn voor heiliging, heeft de verkondiging van de stichter van het Opus Dei in de Kerk bijgedragen aan het versterken van de overtuiging dat “men in het werk en door het werk heilig kan en moet zijn” en dat heiligheid daarom een doel is dat Jezus Christus werkelijk aan iedereen voorstelt.

Met andere woorden: het Opus Dei is niet noodzakelijk om de universele roeping tot heiligheid te verkondigen, evenmin is er in de Kerk een instelling die dit als exclusieve missie of charisma toe eigent. God heeft echter het Opus Dei gewild om op concrete wijze te laten zien dat deze heiligheid ook mogelijk is voor degenen die werken en een gewoon leven leiden te midden van de wereld, en om hen van de geestelijke en ascetische middelen te voorzien die nodig zijn om dit te bereiken.

De nieuwheid van deze verkondiging tekent zich des te scherper af tegen de achtergrond van de overheersende kerkelijke opvattingen die tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw in het Westen. Vanuit die optiek werd de roeping tot heiligheid vaak opgevat als een uitnodiging om het gewone werk en het dagelijks leven achter te laten en een nieuwe levensstaat – als priester of religieus - te omarmen, waarbij men de realiteit van de wereld achter zich moest laten.

“Vaak heb ik de neiging om alle mannen en vrouwen toe te roepen, dat ze dáár waar ze werken - op kantoren en in bedrijven, in de media en de politiek, in het onderwijs, de werkplaats, de mijn en op het land -, gesterkt door hun geestelijk leven en de gemeenschap der heiligen, dragers van God moeten zijn. Het is het onderricht van de apostel Paulus: ‘Eert dan God met uw leven en draagt Hem altijd bij u.’”(De Smidse, nr. 945)

“Veel materiële, technische, economische, sociale, politieke en culturele zaken worden, als ze aan zichzelf worden overgelaten, of als ze in handen zijn van mensen die het licht van ons geloof missen, enorme hinderpalen voor het bovennatuurlijk leven: zij gaan als het ware een gesloten blok vormen dat vijandig staat tegenover de Kerk.

Jij - als onderzoeker, schrijver, wetenschapper, politicus, arbeider -  hebt als christen de plicht om die werkterreinen te heiligen. Besef dat het hele heelal - zoals de Apostel schrijft - zucht als in barensweeën, in afwachting van de bevrijding van de kinderen van God.” (De Voor, nr. 311)

Een spiritualiteit voor de werkende wereld

Talrijk zijn de leringen en voorbeelden waarmee de stichter van het Werk zijn geestelijke kinderen aanspoorde om het werk en het gewone leven te beschouwen als de bevoorrechte plek van hun ontmoeting met God, en niet als iets dat hen afleidt, scheidt of verwijdert van het ideaal van heiligheid. Een van de teksten die hierom bekend staat is de homilie van 8 oktober 1967, gehouden op de campus van de Universiteit van Navarra en vervolgens gepubliceerd onder de titel “De wereld hartstochtelijk liefhebben”. Daarin bevestigt de heilige Jozefmaria dat het geestelijk leven en het gewone werk voor de gelovige geen soort ‘dubbel leven’ mogen vormen: men wordt de onzichtbare God gewaar in de meest zichtbare en materiële werkelijkheden. Bovendien, als we niet leren God te ontdekken in het gewone leven, zullen we Hem nauwelijks elders vinden.

De stichter van het Opus Dei heeft met zijn prediking vormgegeven aan wat we een ‘spiritualiteit van het werk voor onze tijd’ zouden kunnen noemen. Zijn hele leven lang gaf hij concrete adviezen om het gebed te voeden en een authentiek contemplatief leven te leiden te midden van de dagelijkse bezigheden. Zo stelde hij bijvoorbeeld voor om ons werk te verenigen met het eucharistisch offer, en spoorde hij zijn geestelijke kinderen aan om de hele dag te veranderen in een voortzetting van de heilige Mis.

Hij herinnerde er ook aan dat het getuigenis van het geloof een bevoorrechte plaats heeft in beroepsmatige relaties en in ieders werkomgeving, vooral door de rechtvaardigheid en naastenliefde te beleven bij het werken, met menselijke bekwaamheid en professionaliteit. Het gaat niet alleen om bidden aan het begin, in het midden of aan het einde van ons werk, maar om het werk zelf om te vormen tot gebed.

Er zijn vele manieren om de aanwezigheid van God te bewaren tijdens de lange uren van de werkdag: ons bewust te zijn van de tegenwoordigheid van God de Vader, die liefdevol naar ons kijkt; ons er steeds weer bewust van te worden dat we vóór Christus, met Christus en in Christus werken; luisteren naar de ingevingen van de Heilige Geest, die ons helpt te zien wat God op elk moment van ons vraagt en hoe we de gerechtigheid kunnen beleven en de naastenliefde in de omgang met de mensen om ons heen. De heilige Jozefmaría raadde aan de dag te vullen met kleine gestes, akten van liefde: een blik werpen op een afbeelding van de Maagd Maria of op een crucifix op ons bureau; onze gedachten richten op het dichtstbijzijnde tabernakel (cf. De Smidse, nrs 745-746); samen met de Kerk het Angelus bidden bij het inluiden van het middaguur; repetitieve en mechanische handelingen omzetten in een gelegenheid om in stilte korte gebeden op te zeggen; achter de documenten die we bestuderen en doorwerken de mensen zien die we geroepen zijn te dienen; God zoeken in de gezichten van anderen; medemensen in nood troosten, met woorden en het goede voorbeeld; onze minst aangename taken – die vaak de meest noodzakelijke zijn – als eerste uitvoeren en ze verenigen met het offer van Christus; en ten slotte ons bureau of onze werkplek beschouwen als een altaar waarop we ons dagelijks verenigen met onze Mis.

“Door je in je beroepswerk op God te richten zullen geloof, hoop en liefde een rol gaan spelen. De gebeurtenissen, contacten en problemen op je werk zullen voedsel geven voor je gebed. Bij de inspanning om je dagelijks werk vooruit te brengen zul je het kruis tegenkomen dat zo essentieel is voor de christen. Zwakheden en mislukkingen horen bij menselijke ondernemingen, ze zullen je realistischer maken, nederiger en met meer begrip voor de anderen. Bij successen en bij alles wat je blij maakt zul je de behoefte hebben om dank te zeggen en je zult merken dat je niet voor jezelf leeft, maar voor de mensen en voor God.” (Christus komt langs, nr. 49).

Het werkzame leven is geen belemmering voor het gebedsleven. Integendeel, het is een omgeving waarin ons gebed wortel kan schieten en zich diepgaand kan ontvouwen. Daarin ontdekken we het verborgen offer dat betekenis geeft aan wat we doen en de geestelijke betekenis er van onthult:

“Onze status als kinderen van God zal ons ertoe aanzetten - ik herhaal het opnieuw - om bij alle menselijke activiteiten een contemplatieve geest te hebben; om licht, zout en gist te zijn, door het gebed, de versterving, de vorming in de leer en de deskundigheid in ons beroep. Dit programma zullen we realiseren: naarmate we meer in de wereld zijn, zullen we meer in God opgaan.” (De Smidse, nr. 740).

“Je vraagt me: Waarom dat kale houten kruis? - En ik schrijf uit een brief over: ‘Bij het opkijken van de microscoop valt de blik op het lege zwarte kruis. Dit kruis zonder Gekruisigde is een symbool. Het heeft een betekenis die de anderen niet zullen zien. En hij die, vermoeid als hij is, op het punt stond met het werk op te houden, brengt zijn ogen weer naar het oculair en werkt verder, want het eenzame kruis vraagt schouders om het te dragen’.” (De Weg, nr. 277).

Hoe kunnen we in de 21e eeuw God in ons werk vinden?

De stelling dat menselijk werk en beroepsactiviteiten dé plek zijn om God te ontmoeten, klinkt wellicht als een vrome kreet, iets wat je kan terugvinden in geestelijke literatuur, maar wat verder losstaat van onze dagelijkse ervaring in de 21e eeuw. Voor sommigen lijkt een expliciete verwijzing naar God in de seculiere wereld van arbeidsverhoudingen wellicht zelfs een kunstmatige of abstracte strategie om echte problemen te verhullen: dringende sociale kwesties, de complexe gevolgen van werkloosheid en migratie, conflicten tussen werknemers en werkgevers, burgers en de staat, concurrenten op de markt, of rivalen die streven naar leidinggevende posities binnen hetzelfde bedrijf.

Vooral in de geïndustrialiseerde westerse samenlevingen worden veel werkomgevingen geteisterd door angst en competitiviteit, persoonlijke en groepsspanningen, haast en gefragmenteerde relaties, en andere factoren die vaak leiden tot achterdocht en wantrouwen. In onze hedendaagse consumptiemaatschappij verwijst ‘goed werken’ misschien niet naar het beoefenen van deugden, maar naar het maximaliseren van winst, het vergroten van de zichtbaarheid in de media of het versterken van een bedrijfsmerk.

Het versnelde productietempo en de beperkte tijd die voor besluitvorming wordt uitgetrokken, werken stress in de hand en doen afbreuk aan de kwaliteit van persoonlijke relaties, waardoor deze vaak worden gereduceerd tot instrumentele banden en naar het virtuele vlak worden verplaatst. Voor veel mensen lijkt werk een last waaruit men wil ontsnappen, geen realiteit die moet worden geheiligd. Het echte leven lijkt pas te beginnen als de werkdag voorbij is; pas dan, volgens deze opvatting over werk, keren we terug naar ‘jezelf zijn’, in staat om ons te wijden aan onze dierbaren, onze interesses en al het andere wat ons, menselijk gesproken, voldoening schenkt. Bij sommige pensioenfeesten horen we uitroepen als: “Eindelijk vrij!”, een cultureel symptoom van een opvatting over werk als slavernij, een last, een beperking.

Als dit de wereld is waarin we leven, is de onvermijdelijke vraag: wat kan de boodschap van de stichter van het Opus Dei over de heiliging van het werk zeggen tegen de mannen en vrouwen van onze tijd? Het zal ongetwijfeld iets contra-cultureels zijn. De heilige Jozefmaría was zich hier al volledig van bewust toen hij enkele van zijn geestelijke overwegingen schreef, die later werden gebundeld in De Voor:

“Sommigen laten zich in hun werk leiden door vooroordelen: uit principe vertrouwen ze niemand en ze zien vanzelfsprekend de noodzaak niet om te proberen hun werk te heiligen. Als je dat tegen hen zegt, antwoorden ze dat je ze niet nog meer lasten moet geven dan ze al hebben door hun werk, dat ze met tegenzin, als ware het een zware druk, verdragen.

Dit is een van de veldslagen van vrede die je moet winnen: dat je God vindt in je werkzaamheden en - mét Hem en net als Hij - dienstbaar bent aan anderen.” (De Voor, nr. 520).

Hij nodigt alle mensen uit - ook degenen die het christelijk geloof niet delen - om oprechte, constructieve menselijke relaties te smeden, waarbij de talenten van ieder mens worden erkend en gewaardeerd, en werk wordt gezien als dienstbaarheid en niet louter als zelfbevestiging. Hij nodigt werknemers uit zich te laten leiden door christelijke naastenliefde en zich in te zetten voor het bevorderen van eenheid, niet van verdeeldheid, en van vertrouwen, niet van vijandigheid.

Hij herinnert ons er ook aan dat de waardigheid en het belang van een taak niet worden afgemeten aan de behaalde resultaten of de gegenereerde voordelen, maar aan de liefde waarmee deze wordt uitgevoerd en aan de geest van dienstbaarheid die eraan ten grondslag ligt.

“Er bestaan geen banen van weinig belang: ze zijn allemaal van groot belang. Het belang van een beroep hangt af van de persoonlijke omstandigheden van degene die het uitoefent, van de menselijke ernst waarmee hij het verricht, en van de liefde voor God die hij erin legt. Het beroep van de boer, die zichzelf heiligt door het land te bewerken; en dat van de professor, die cultuur met geloof verenigt; en dat van de ambachtsman, die van huis uit werkt; en dat van de bankier, die economische middelen vruchtbaar maakt ten behoeve van de gemeenschap; en dat van de politicus, die in zijn taak een dienst aan het algemeen welzijn ziet; en dat van de arbeider, die de inspanning van zijn handen aan de Heer aanbiedt” (Brief 14, nr. 5).

De stichter van het Opus Dei leert gelovigen dat werk, gezin en geestelijk leven geen afzonderlijke sferen zijn, maar dimensies die bedoeld zijn om te worden geïntegreerd in een geheiligd en heiligend bestaan. Hij herinnert ons eraan dat ons apostolaat en onze relatie met God niet beginnen wanneer de werkdag eindigt, maar juist voortkomen en zich ontvouwen in de uitoefening van het werk zelf.

Evenzo oppert hij dat de professionele mentaliteit die we door ons werk ontwikkelen, ook andere levensdomeinen kan verrijken: ze helpt ons bij de opvoeding van onze kinderen, bij onze deelname aan het sociale leven en bij het op verantwoorde wijze invullen van onze vrije tijd. Hij leert ons dat we op onze werkplek kunnen blijven liefhebben als we thuis ons gezin weten te beminnen; dat de Mis die elke gelovige beleeft door het gemeenschappelijk priesterschap zich kan uitstrekken over alle 24 uren van de dag; dat elke minuut een eeuwige waarde heeft; en dat elk moment een kans is om God en anderen lief te hebben.

Voor de heilige Jozefmaría is werk ook het kanaal om onze energie en onze verlangens naar dienstbaarheid in te zetten ten behoeve van het algemeen welzijn, en niet alleen voor ons persoonlijk voordeel: iemand die zijn werk wil heiligen “kan zich niet afwenden van de zorgen of noden van zijn medemensen.” (De Smidse, nr. 453). Deze horizon van dienstbaarheid maakt ons persoonlijk werk zinvol en waardevol.

Ten slotte heeft de aansporing van de heilige Jozefmaría om te leven als “contemplatieven midden in de wereld” directe gevolgen voor de context van het dagelijkse werk. Wie een contemplatieve blik aanneemt in de verschillende activiteiten van de werkdag, weet God te danken voor de deugden van de mensen om hem heen; hij vergeeft misverstanden en beledigingen vanuit het hart; hij heeft aandacht voor de eenzamen, de lijdenden en de achterblijvers; hij erkent de waardigheid van elke persoon in het beeld en de gelijkenis van God.

Wie God in zijn werk ontwaart, kijkt met een blik van een kind naar de schepping; vol bewondering voor haar schoonheid en de ordening van haar wetten, laat zich verrassen door technologische verworvenheden en het menselijke vernuft, en verheugt zich om het kunnen opbouwen van de samenleving door relaties aan te gaan, gekenmerkt door naastenliefde en gerechtigheid. En zij loven God voor de genade dat zij door hun eigen werk mogen meewerken aan het tot volle bloei brengen van de schepping.

“We herkennen God niet alleen in het schouwspel van de natuur, maar ook in de ervaringen bij ons werk, bij onze inspanningen. Zo werken is gebed, is dankzegging, want wij weten dat God ons op aarde gewild heeft, dat we door Hem worden bemind en erfgenamen zijn van zijn beloften.” (Christus komt langs, nr. 48).


Deze reeks wordt gecoördineerd door professor Giuseppe Tanzella-Nitti. Er zijn ook andere auteurs bij betrokken, van wie sommigen hoogleraar zijn aan de Pauselijke Universiteit van het Heilig Kruis (Rome).