«Een Christen begint zijn dag, zijn gebeden en zijn werkzaamheden met het kruisteken, "in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen". De gedoopte wijdt de dag aan Gods heerlijkheid en doet een beroep op de genade van de Verlosser, die hem in staat stelt te handelen in de Geest, als kind van de Vader. Het kruisteken sterkt ons in bekoringen en in moeilijkheden.» [1]. Al sinds de eerste eeuwen van het christendom bestaat de gewoonte om de dag te beginnen door zich tot God te wenden. «Zodra u ontwaakt, voordat u zich opnieuw in de drukte van het leven stort, voordat er ook maar één gedachte in uw hart opkomt, ja, zelfs voordat u aan de zorg voor uw gezin denkt, wijd dan het ontwaken en het begin van uw gedachten aan de Heer»[2], schreef Cassianus al in de vijfde eeuw.
Jaren later gaf een Duitse heilige uit de dertiende eeuw woorden door die zij tijdens haar gebed van God had ontvangen: «Wanneer je ’s morgens ontwaakt, laat je eerste daad dan zijn mijn hart te begroeten en Mij het jouwe aan te bieden. (...) Wie bij het ontwaken vanuit het diepst van zijn hart een zucht van verlangen naar Mij slaakt en Mij vraagt gedurende de hele dag werkzaam te zijn in al zijn daden, zal Mij tot zich trekken. (...) Want nooit slaakt een mens een zucht van vurig verlangen naar Mij zonder Mij dichter naar zich toe te trekken dan Ik tevoren was»[3].
Don Alvaro legde in een interview uit hoe de heilige Jozefmaria deze gewoonte in de praktijk bracht: «Zodra hij wakker werd, beleefde hij het ‘heldhaftige ogenblik’: hij sprong uit bed en kuste de grond, terwijl hij als schietgebed een vurig “Serviam!” uitsprak. Hij droeg zijn hele dag aan de Heer op en maakte het kruisteken op zijn voorhoofd, zijn lippen en zijn borst, terwijl hij herhaalde: “Al mijn gedachten, al mijn woorden en alle daden van deze dag offer ik U op, Heer, evenals mijn hele leven, uit liefde.” Daarna kuste hij het kruisbeeld en de afbeelding van Onze-Lieve-Vrouw op zijn nachtkastje»[4]. De heilige Jozefmaria vertelde zelf dat hij op die momenten – en ook aan het einde van de dag – het gebed bad dat hij van zijn moeder had geleerd: «Ik herhaal het ’s ochtends en ’s avonds, met veel vreugde, en het doet me veel goed. Terwijl ik me aankleed, terwijl ik me scheer – er is niemand anders dan mijn God… –, bid ik hardop: “O mijn Vrouwe, o mijn Moeder, ik wijd mij geheel aan U toe. En als bewijs van mijn kinderlijke genegenheid wijd ik U op deze dag – op deze avond – mijn ogen, mijn oren, mijn tong, mijn hart… toe”; wat een prachtige opsomming!»[5].
De opdracht van de dag drukt het verlangen uit God te verheerlijken vanuit een dankbare houding, in alles wat we doen: zowel in wat wij als belangrijk beschouwen als in wat ons onbeduidend lijkt en aan de aandacht van anderen ontsnapt. Daarom schrijft de heilige Paulus aan de Kolossenzen: «En al wat gij doet in woord of werk, doet alles in de naam van Jezus de Heer, God de Vader dankend door Hem» (Kol. 3,17). En aan de Korintiërs: «Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods» (1 Kor. 10,31).
Deze devotie helpt ons een innerlijke houding te ontwikkelen waarin we voortdurend met de Heer willen leven, ons bewust zijn van Zijn aanwezigheid en alles wat we doen aan Hem opdragen. Soms zullen we dat uitdrukkelijk verwoorden: «Jezus, ik draag U dit uur werk op.» Op andere momenten zijn woorden niet nodig, omdat we Gods nabijheid ervaren in ons handelen en denken. Dat is de vrucht van «dit vermogen en deze houding om uit liefde te handelen, in het bijzonder door bereid te zijn dat te doen wat God in een concrete situatie van ons verwacht»[6].
Geven wat niet lukt
Tijdens zijn eerste jaren in Madrid begaf de wekker van de heilige Jozefmaria het regelmatig. Omdat hij toen niet het geld had om hem te laten herstellen, vertrouwde hij zich toe aan zijn beschermengel met het verzoek hem elke ochtend op het afgesproken tijdstip wakker te maken. En «Relojerico» (letterlijk: ‘kleine horlogemaker’) – zoals hij zijn beschermengel noemde – stelde hem nooit teleur: stipt op het afgesproken uur werd hij wakker, zoals hij de avond voordien had gevraagd. Daarmee was de gunst echter nog niet volledig. Meteen begon de eerste strijd van de dag, waarvan hij wist dat hij die niet op eigen kracht kon winnen: uit bed komen. In zijn Apuntes íntimos (Persoonlijke aantekeningen), beschrijft hij hoe hij op een dag die dagelijkse uitdaging beleefde:
«Vanmorgen werd ik – zoals altijd wanneer ik er nederig om vraag, ongeacht hoe laat ik ben gaan slapen – uit een diepe slaap gewekt, alsof iemand mij riep, met de vaste overtuiging dat het tijd was om op te staan. En inderdaad: het was kwart voor zes. Gisteravond had ik de Heer, zoals gewoonlijk, gevraagd mij de kracht te geven mijn luiheid bij het ontwaken te overwinnen. Want – ik beken het tot mijn schaamte – juist met zoiets kleins heb ik ontzettend veel moeite, en er zijn heel wat dagen waarop ik, ondanks die bovennatuurlijke oproep, nog even blijf liggen. Toen ik zag hoe laat het was, bad ik, streed ik... en bleef ik toch liggen. Uiteindelijk, toen mijn wekker – die al een tijd kapot is – kwart over zes sloeg, stond ik op. Vol schaamte wierp ik mij op de grond, erkende mijn fout – serviam! –, kleedde mij aan en begon met mijn gebed. Welnu: tussen halfzeven en kwart voor zeven zag ik geruime tijd hoe het gezicht van mijn Maagd van de Kussen zich vulde met vreugde, met blijdschap (“La Virgen de los besos” is een Mariabeeld dat de heilige Jozefmaria gewoon was te kussen). Ik keek aandachtig toe. Het leek alsof zij glimlachte; tenminste, zo kwam het mij voor, al bewogen haar lippen niet. Heel rustig heb ik mijn Moeder vele lieve woorden gezegd.»[7]
Die kleine nederlaag werd uiteindelijk een bron van vreugde. De heilige Jozefmaria wist immers de dingen niet alleen vanuit zijn eigen standpunt te bekijken, maar ook vanuit het perspectief van Onze-Lieve-Vrouw en van de Heer. Jezus, de mensgeworden God, weet heel goed dat dit voor velen een bijzonder moeilijk moment van de dag is. Daarom mogen we ons voorstellen dat Hij ontroerd is als wij, ondanks de slaperigheid en de verwarring van het ontwaken, niet vergeten ons verlangen te vernieuwen om Hem te dienen en te verheerlijken, door alles wat de nieuwe dag zal brengen aan Hem op te dragen. Want dat is uiteindelijk wat wij verlangen: dat deze dag een «levende, heilige offergave» wordt, «die God kan aanvaarden» (Rom. 12,1).
Tegelijk zag de stichter van het Werk in zulke momenten een uitgelezen gelegenheid om onze kwetsbaarheid in de handen van de Heer te leggen en Hem om hulp te vragen. Er kunnen immers perioden zijn waarin de strijd en onze eigen tekortkomingen ons zwaarder lijken te wegen. «Misschien bekruipt u op een bepaald moment twijfel, de verleiding te denken dat er een treurige teruggang is, of dat er nauwelijks sprake van vooruitgang is. Zelfs kan de overtuiging post vatten, dat er niettegenstaande onze moeite ons te beteren sprake is van een verslechtering.» [8]. Wanneer de avond valt, kan er teleurstelling opkomen als we de kloof zien tussen wie we zouden willen zijn en wie we werkelijk zijn, tussen onze voornemens en wat er uiteindelijk van terechtgekomen is. Juist dan is het tijd de dag af te sluiten met een daad van kinderlijk berouw en vol hoop uit te zien naar de nieuwe morgen. God de Vader schept ons immers iedere dag opnieuw. Zoals wij bidden met de woorden van Psalm 2, vernieuwt Hij ons en schenkt Hij ons telkens weer nieuwe genade, zodat wij morgen kunnen opnemen wat vandaag niet is gelukt.
Elke dag die God ons schenkt, is een nieuwe kans om opnieuw te beginnen, om «in het reine te komen met onze eigen geschiedenis», «de volgende stap te zetten» en niet «gegijzeld te blijven door onze verwachtingen en de teleurstellingen die erop volgen».[9] Iedere ochtend kunnen wij ons voornemen hernieuwen «niet op te geven, niet te vervallen tot luiheid of nietsnutten, de bezigheden met meer hoop, met meer optimisme aan te vatten. Wees ervan overtuigd, dat u en ik als verliezer uit een schermutseling te voorschijn kunnen treden, en toch met een oprechte akte van liefde die nederlaag te boven zullen komen.» [10]. Want Jezus is de eerste die «onze zwakheid begrijpt en ons als over een hellend vlak naar zich toe trekt.» [11].
De drang om te dienen
De heilige Jozefmaria wilde dat de gelovigen van het Werk de dag begonnen met een diepe buiging, waarbij zij de grond kussen of met hun hoofd bijna de grond raken, terwijl zij serviam! zeggen.[12] Dit uiterlijke gebaar drukt nederigheid en een volledige overgave aan de dienst van God uit. Dezelfde houding wilde hij ook terug laten komen op een ander moment van de dag: tijdens de preces. Het is veelzeggend dat juist dit de eerste gemeenschappelijke handeling van het Opus Dei is geweest: de stichter en de drie toenmalige leden van het Werk knielden neer, kusten de grond en baden samen de preces.
Het woord serviam komt niet letterlijk in de Heilige Schrift voor. Wel klinkt in het boek Jeremia het non serviam van Israël, dat besluit het verbond met de Heer te verbreken (vgl. Jer. 2,20). In deze eerste toespraak van de profeet klaagt God de ontrouw van zijn volk aan. Hun zonde is niet alleen ondankbaarheid, maar ook onredelijkheid: zij hebben de bron van levend water verlaten om voor zichzelf gebarsten waterreservoirs te bouwen. Dit beeld, ontleend aan Israëls ervaring in de woestijn, keert terug in het verhaal van de bekoringen van Christus, waarin de geschiedenis van Israëls beproevingen als het ware wordt samengevat. Op het voorstel van de duivel «Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt.», antwoordt Jezus: «Weg, satan: er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.”» (Mt 4, 9-10).
Het non serviam (ik zal niet dienen) drukt in het kort de opstand tegen God uit. Daarom verstond de heilige Jozefmaria de zending die de Heer hem had toevertrouwd vanuit het perspectief van de dienstbaarheid. Het Werk moest een «voortdurende en schitterende bevestiging» zijn: tegenover het non serviam: SERVIAM!; tegenover «wij willen niet dat Hij over ons heerst»: Regnare Christum volumus – wij willen dat Christus heerst; tegenover menselijke glorie: Deo omnis gloria – aan God alle eer; en ten slotte de grote bevestiging van het heil voor allen: Omnes, cum Petro, ad Iesum per Mariam – allen, met Petrus, naar Jezus door Maria.[13] Zo verwoordde onze Vader geleidelijk wat reeds vanaf 1928 in de kiem aanwezig was. In een van de handgeschreven documenten die het dichtst bij de stichting van het Werk staan, lezen we in twee kolommen: «Omnes, cum Petro, ad Jesum per Mariam - Deo omnis gloria», met daaronder: «Actio – Oratio – Expiatio». Onder beide kolommen staat één enkel woord: «Serviam.»[14]
Het symbolische gebaar waarbij men zich opnieuw naar de aarde buigt, knielt en serviam! uitspreekt, verwijst ook naar de oorspronkelijke opdracht van de mens om de schepping te bewerken en te behoeden (vgl. Gen. 2,15). Het eerste van deze twee werkwoorden, abad in het oorspronkelijke Hebreeuws, betekent immers «dienen» of «zich ten dienste stellen van iemand of van iets». Het tekent de menselijke conditie: de mens is een slaaf maar hij blijft vrij om te kiezen wie hij wil dienen – God of een schepsel, of dat nu satan, de farao of zichzelf is. In die zin geeft het serviam! uitdrukking aan de fundamentele keuze om opnieuw te leven overeenkomstig de waarheid waarmee de mens vanaf het begin is geschapen.[15]
* * *
Vanaf het eerste begin benadrukte de heilige Jozefmaria dat de roeping tot het Opus Dei een goddelijke roeping is «om een bijzondere dienst te bewijzen aan de Kerk en aan alle zielen. De enige ambitie, het enige verlangen van het Opus Dei en van elk van zijn kinderen is de Kerk te dienen, zoals zij gediend wil worden, binnen de specifieke roeping die de Heer ons heeft gegeven.»[16]
Dat verlangen om God te dienen en Hem eer te brengen, dat vanaf het begin het Werk heeft bezield, blijft ook vandaag zichtbaar telkens wanneer haar gelovigen de dag beginnen. Dat het serviam en het opdragen van de dag het eerste zijn wat wij doen, heeft een diepe symbolische betekenis. Het drukt het verlangen uit de levenshouding van Jezus na te volgen, «die niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen» (Mc. 10,45). Van daaruit krijgt alles wat wij doen zijn ware glans. Zoals paus Franciscus zegt: «De waarde van een mens hangt niet af van de rol die hij vervult, van zijn succes, van het werk dat hij doet of van het geld dat hij bezit. Nee, daar hangt het niet van af. Grootheid en succes worden in Gods ogen aan een andere maatstaf afgemeten: aan de dienstbaarheid. Niet aan wat men heeft, maar aan wat men geeft. Wil je uitblinken? Dien. Dat is de weg.»[17]
[1]. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2157.
[2]. Johannes Cassianus, Colaciones, nr. 21.
[3]. Heilige Mechtild van Hackebor, Liber specialis gratiae.
[4]. Alvaro del Portillo, Entrevista sobre el fundador del Opus Dei, Rialp, Madrid, 1993, p. 52.
[5]. Van onze Vader, in Andrés Vázquez de Prada, El fundador del Opus Dei, Rialp, Madrid, 1983, p. 41.
[6]. J Echevarria, pastorale brief, 9-I-2018, nr. 5.
[7]. Van onze Vader, Apuntes íntimos, nr. 701; in Andrés Vázquez de Prada, El fundador del Opus Dei, vol. 1, Rialp, Madrid, 1997, nr. 139, p. 469.
[8]. Heilige Jozefmaria. Vrienden van God, nr. 217.
[9]. Paus Franciscus, Patris corde, nr. 4.
[10]. Heilige Jozefmaria. Vrienden van God, nr. 217.
[11]. Heilige Jozefmaria. Christus komt langs, nr. 75.
[12]. Vgl. De spiritu, nr. 117.
[13]. Cuaderno IV, nº 386, 11-XI-1931, cit. in De Weg, kritisch-historische uitgave samengesteld door Pedro Rodríguez, nr. 226.
[14]. Ibid., p. 227.
[15]. Voor meer informatie over het serviam, Juan Rego, «Las Preces del Opus Dei: comentario histórico-teológico», Studia et Documenta, vol. 16, 2022, pp. 247-249. Zie ook het artikel over de preces.
[16]. Heilige Jozefmaria, Brief 8, nr. 1.
[17]. Paus Franciscus, Angelus, 19-IX-2021.