Bericht van de prelaat (10 augustus 2019)

Vanuit Canada moedigt mgr. Ocáriz ons aan om het persoonlijk gebed goed te verzorgen en hij vraagt de Heilige Geest om voortdurend - nu in het bijzonder - onze manier van bidden te vernieuwen.

Pastorale brieven en berichten
Opus Dei - Bericht van de prelaat (10 augustus 2019)

Mijn geliefde kinderen, moge Jezus jullie behoeden!

Hoe vaak hebben we in ons gebed stilgestaan bij “de noodzaak om altijd te bidden en daarin niet te versagen” (Lc 18,1)!

Toen de apostelen Jezus vroegen hen te leren bidden, antwoordde de Heer: “wanneer ge bidt, zegt dan: Onze Vader...” (Lc 11,2). Jezus zelf begint zijn gebed door zich tot de Vader te richten: in lofprijzing en dankzegging (vgl. Mt 11,25-26; Joh 11,41); bij het Laatste Avondmaal (vgl. Joh 17,5); in de hof van Olijven (vgl. Lc 22,42); aan het kruis (vgl. Lc 23,34,46). De heilige Jozefmaria verlangde voor iedereen 'het ware gebed van de kinderen van God'.[1] In vereniging met Jezus Christus - door Hem en in Hem - komen wij tot God de Vader, met eenvoud, oprechtheid en vertrouwen in zijn almachtige liefde (vgl. Joh 14,6).

Elke dag ons leven van gebed oppakken, betekent ons in goede en slechte tijden te laten vergezellen door Degene die ons het beste begrijpt en liefheeft. De dialoog met Jezus Christus opent nieuwe perspectieven, nieuwe manieren om de dingen te bezien, met steeds meer hoop. Onze Vader heeft ons geschreven dat alleen dít het middel is waarmee wij alles doen: het gebed.[2]

Ik vraag de Heilige Geest om voortdurend - nu op een bijzondere manier - onze manier van bidden te vernieuwen. Het initiatief komt van Hem: “de levende en ware God roept elke persoon onvermoeibaar op tot de mysterievolle ontmoeting die bestaat in het gebed.”[3]
Blijft me vergezellen op mijn reis door de Verenigde Staten en Canada; de geestelijke werkzaamheid ervan hangt ook af van het gebed van iedereen van jullie.


Met alle genegenheid, zegent jullie


jullie Vader


Vancouver, 10 augustus 2019


[1]Vrienden van God, nr. 243.

[2]Brief 19-3-1967, nr. 149.

[3]Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2567