“Sterkte en geduld: kalmte”

Als je – door je blik op God gericht te houden – je kalmte weet te bewaren in geval van zorgen; als je kleinigheden, rancunes en afgunst leert te vergeten, zul je je veel energie besparen die je nodig hebt om met succes te kunnen werken ten dienste van de mensen. (De Voor, 856)

Wie sterk is, heeft geen haast om de vrucht van zijn deugd binnen te halen. Sterkte laat ons in alle rust genieten van die menselijke en goddelijke deugd, geduld. “Dank zij uw geduld zult gij uw ziel behouden. (Luc 21, 19) Het bezit van de ziel is mogelijk door het geduld dat werkelijk oorsprong en behoedster van alle deugden is. Wij bezitten de ziel met het geduld, want in het leren beheersen vanonszelf beginnen we te bezitten wat we zijn” (H. Gregorius de Grote, Homiliae in Evangelia, 35, 4 (PL 76, 1261)). Dat geduld prikkelt ons vol begrip tegenover anderen te zijn, in de overtuiging dat zielen, net als goede wijn, beter worden met de jaren.

Sterkte en geduld: kalmte. Maar niet de kalmte die in het belang van persoonlijke rust geen aandacht heeft voor zijn broers en zussen en niet voor de grote taak, die iedereen aanbelangt, het op grote schaal verspreiden van het goede over de wereld. Kalmte omdat er altijd vergeving mogelijk is, omdat er voor alles een geneesmiddel is; behalve voor de dood en de dood is —voor de kinderen Gods— het leven. Kalmte, al was het maar om verstandig te kunnen handelen. Wie de kalmte bewaart is in staat zijn verstand te gebruiken, de voors en tegens af te wegen, met rijp beraad de gevolgen te overzien van gemaakte plannen. En dan kan hij besluitvaardig handelen.

Vrienden van God, 78-79