Voor mij is leven Christus (VII): Apostelen midden in de wereld, met de overtuiging gezonden te zijn (II)

De dynamiek die eigen is aan het apostolaat is de naastenliefde, die een goddelijke gave is: "In een christen, in een kind van God, vormen vriendschap en liefde één geheel: een goddelijk licht dat warmte geeft." (De Smidse, 565). De Kerk groeit door de naastenliefde van haar gelovigen, pas daarna komen structuur en organisatie, als vruchten van die naastenliefde om haar ten dienste te staan.

De eigenlijke dynamiek van het apostolaat is de naastenliefde, en deze is een gave van God: “In (…) een kind van God vormen vriendschap en liefde één geheel: een goddelijk licht dat warmte geeft”.[1]

De Kerk groeit door de naastenliefde van haar gelovigen, en pas daarna komen de structuur en organisatie, als vruchten van die naastenliefde en om deze ten dienste te staan.

De heilige Lucas geeft een levendige beschrijving van het leven van de eerste gelovigen in Jeruzalem na Pinksteren: “Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst. En elke dag bracht de Heer er meer bijeen, die gered zouden worden” (Hand 2, 46-47). Maar spoedig zouden ze hindernissen op hun weg vinden: de gevangenneming van Johannes en Petrus, het martelaarschap van Stefanus en tenslotte de openlijke vervolging.

Juist in deze context vertelt de evangelist iets verrassends: “Zij nu, die zich verspreid hadden, trokken rond en verkondigden het woord van de Blijde Boodschap” (Hand 8,4). Het is voor iedereen opvallend dat de leerlingen, in een tijd waarin hun leven ernstig gevaar liep, de verkondiging van het Heil niet hebben opgegeven. En dit is geen op zichzelf staande gebeurtenis, maar weerspiegelt een constante dynamiek. Iets verderop vinden we een soortgelijk bericht: “Naar aanleiding van Stefanus was er, zoals gezegd, een vervolging losgebroken. Zij die hierdoor verspreid waren, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij het woord alleen maar aan de Joden predikten (Hand 11,19). Wat bewoog die eerste gelovigen om tot degenen die zij ontmoetten over de Heer te spreken, zelfs op het moment dat ze op de vlucht waren voor vervolging? De vreugde die zij hebben ervaren en die hun hart vervult ontroert hen: “Wat wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij ook aan u, opdat gij gemeenschap moogt hebben met ons” (1 Joh 1,3). Ze verkondigen het gewoon “om ons aller vreugde volkomen te maken” (1 Joh 1,4). De Liefde die zij op hun weg hebben ontdekt … die moeten ze delen. Vreugde werkt aanstekelijk. En zouden wij christenen van nu dat niet ook kunnen beleven?

De weg van de vriendschap

Er is een heel veelzeggend detail in deze scène uit het boek Handelingen. Onder degenen die zich hadden verspreid waren “mannen uit Cyprus en Cyrene, die na hun komst in Antiochië zich ook tot de Grieken richtten en hun de Heer Jezus verkondigden” (Hand 11,20). De christenen bewogen zich dus niet in speciale kringen, noch wachtten ze totdat ze ideale plaatsen zouden vinden om het Leven en de Vrijheid die ze hadden ontvangen te verkondigen. Ieder deelde zijn geloof op natuurlijke wijze, in zijn directe omgeving, met de mensen die God op zijn weg had geplaatst. Zoals Filippus met de Ethiopiër die uit Jeruzalem terugkeerde, en zoals het getrouwde paar Aquila en Priscilla met de jonge Apollo (vgl. Hand 8,26-40; 18, 24-26). De liefde van God die hun hart vervulde, bracht hen ertoe zich om al deze mensen te bekommeren en met hen die schat te delen, “die ons groot maakt en die hen die hem aanvaarden goed en gelukkig kan maken”.[2]

Als we verenigd met God leven, kunnen we ons wenden tot degenen die ons het meest nabij zijn om te delen wat wij beleven. Meer nog, we zullen steeds meer mensen willen bereiken om met hen het nieuwe Leven te delen dat de Heer ons geeft. Op deze manier zal men, net als toen, kunnen zeggen: “De hand des Heren was met hen, zodat een groot aantal het geloof aannam en zich tot de Heer bekeerde” (Hand 11,21).

Een tweede idee dat we in het licht van de geschiedenis kunnen beschouwen is dat de Kerk, meer dan door een structurele en georganiseerde actie, groeide – en groeit – door de naastenliefde van zijn gelovigen. De structuur en de organisatie zouden later komen, juist als een vrucht van die liefde en ten dienste ervan. In de geschiedenis van het Werk hebben we iets soortgelijks gezien. Degenen die de heilige Jozefmaria voor het eerst volgden, hielden van de anderen met een oprechte genegenheid en dat vormde de omgeving waarin de weg voor de boodschap van God werd geopend. Zoals wordt verteld over het eerste studentenhuis: “Die van Luchana 33 [de straatnaam van dit huis] waren vrienden die verenigd waren door de christelijke geest die de Vader hen leerde. Degenen die zich op hun gemak voelden door de sfeer rond de priester Jozefmaria en de mensen om hem heen kwamen daardoor terug. Wie een uitnodiging kreeg voor het studentenhuis Luchana, bleef daar uit vriendschap steeds komen”.[3]

Het is goed ons deze aspecten van de geschiedenis van de Kerk en van het Werk te herinneren, omdat met de groei die de Kerk en het Werk in de loop der jaren hebben doorgemaakt het risico bestaat dat we meer vertrouwen op hun apostolische activiteiten dan op het persoonlijke apostolaat van iedereen. De Vader heeft ons er de laatste tijd aan herinnerd: “De huidige omstandigheden van de evangelisatie maken het, zo mogelijk, nog noodzakelijker prioriteit te geven aan het persoonlijk contact, aan dit relationele aspect dat het middelpunt is van het apostolaat zoals de heilige Jozefmaria het in de evangelieverslagen aantrof”.[4]

Eigenlijk is het logisch dat het zo is. Als de dynamiek van het apostolaat de naastenliefde is, die een gave van God is, “[vormen] in een kind van God vriendschap en liefde één geheel: een goddelijk licht dat warmte geeft”.[5]

Vriendschap is liefde en, voor een kind van God, is het authentieke naastenliefde. Het gaat er dus niet om vrienden te hebben om apostolaat te kunnen doen, maar vriendschap en apostolaat zijn uitingen van eenzelfde liefde. Meer nog: “Vriendschap is apostolaat; vriendschap is dialoog, waar we licht geven en ontvangen, waar projecten uit voortkomen, waar we elkaars horizonten openen; waar we ons verheugen over het goede en elkaar steunen bij moeilijkheden; waar we het goed met elkaar hebben, omdat God wil dat we gelukkig zijn”.[6] Het is de moeite waard onszelf af te vragen: hoe zorg ik voor mijn vrienden? Deel ik met hen de vreugde die voortkomt uit het besef hoeveel ik er voor God toe doe? En aan de andere kant, probeer ik meer mensen te bereiken, mensen die misschien nog nooit een gelovige hebben ontmoet, om hen dichter bij de liefde van God te brengen?

Op de kruispunten van de wereld

Dat ik het evangelie predik, is voor mij geen reden om te roemen: ik kan niet anders. Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig! (1 Kor 9,16). Deze woorden van de heilige Paulus zijn een voortdurende oproep aan de Kerk. Op dezelfde manier is zijn bewustzijn van door God voor een zending geroepen te zijn een altijd actueel model: “Deed ik het uit eigen beweging, dan had ik recht op loon; maar zo is het niet, het is een taak die mij is toevertrouwd” (1 Kor 9,17). De apostel van de heidenen was zich ervan bewust geroepen te zijn om de naam van Jezus Christus uit te dragen “onder heidenen en koningen en onder de zonen van Israël” (Hand 9,15), en dus had hij een heilige drang om ze allemaal te bereiken.

Toen de Heilige Geest hem op zijn tweede reis naar Griekenland leidde, werd het hart van Paulus groter en vuriger toen hij overal om zich heen de dorst naar God voelde. De heilige Lucas vertelt dat hij in Athene, toen hij wachtte op zijn metgezellen die in Berea waren achtergebleven, “pijnlijk werd getroffen door de vele afgodsbeelden die hij in de stad zag” (Hand 17,16). Hij ging eerst, zoals hij gewoonlijk deed, naar de synagoge. Maar dat leek hem weinig en zodra hij kon ging hij naar de Areopagus, totdat de Atheners zelf hem vroegen allen toe te spreken om “deze nieuwe leer die door u voorgedragen wordt” uiteen te zetten (Hand 17,19). En zo verkondigde Paulus op de Areopagus van Athene, waar de meest actuele en invloedrijke filosofische stromingen elkaar ontmoetten, de naam van Jezus Christus.

Evenals de apostel zijn ook “wij (…) geroepen om met initiatief en spontaniteit bij te dragen aan de verbetering van de wereld en de cultuur van onze tijd, zodat deze zich openstellen voor de plannen van God voor de mensheid: cogitationes cordis eius, de projecten van zijn hart blijven bestaan van geslacht op geslacht (Ps 33 [32],11).[7]

Het is normaal dat in veel christelijke gelovigen het verlangen wordt geboren om die plaatsen te bereiken “waar een grote invloed mogelijk is op de toekomstige opbouw van de maatschappij”.[8] Tweeduizend jaar geleden waren dat Athene en Rome. Wat zijn vandaag de dag die plaatsen? Zijn daar christenen die “de goede geur van Christus” kunnen verspreiden (vgl. 2 Kor 2,15)? En zouden wij niet iets kunnen doen om dichter bij die plaatsen te komen die vaak niet eens meer fysieke plaatsen zijn? Laten we denken aan de grote plaatsen waar veel mensen belangrijke beslissingen nemen, die van vitaal belang zijn voor hun leven … maar laten we ook denken aan diezelfde centra in onze stad, in onze buurt, op onze werkplek. Wat kan de aanwezigheid van hen die een rechtvaardiger en meer solidair mensbeeld voorstaan, die geen onderscheid maken tussen rijk of arm, gezond of ziek, autochtoon of allochtoon, enz. op deze plaatsen doen?

Wel beschouwd maakt dit alles deel uit van de eigen roeping van de lekengelovigen in de Kerk. Zoals het Tweede Vaticaans Concilie voorstelde, zijn ze “door God geroepen om door het vervullen van hun eigen opdracht, bezield met de geest van het evangelie, bij wijze van zuurdeeg als het ware van binnen uit tot de heiliging van de wereld bij te dragen: zo komt het dat zij vooral door hun levensgetuigenis hun geloof, hoop en liefde uitschitteren en Christus aan de anderen bekendmaken”.[9]

Deze roeping die alle lekengelovigen gemeen hebben wordt op bijzondere wijze geconcretiseerd in degenen onder ons die de roeping tot het Opus Dei hebben ontvangen. De heilige Jozefmaria beschreef het apostolaat van zijn dochters en zonen als “een intraveneuze injectie in de bloedsomloop van de samenleving”.[10] Hij zag dat ze ijverig waren om Christus uit te dragen overal “waar mensen werken: in de fabriek en op het laboratorium, op het land, in de werkplaats, in de drukke straten van de wereldsteden en op de eenzame bergpaden”[11] waardoor zij Hem met hun werk “aan de top van alle activiteiten plaatsen”.[12]

Met het verlangen om deze constitutieve eigenschap van het Werk levend te houden, heeft de Vader ons in zijn eerste brief als prelaat aangemoedigd om “bij iedereen het enthousiasme en de inzet voor het beroep te bevorderen: zowel bij degenen die nog studeren en een groot verlangen moeten hebben om de maatschappij op te bouwen, als bij degenen die een beroep uitoefenen. Het is goed dat zij, met zuivere bedoelingen, een heilige ambitie voeden om het ver te brengen en een spoor na te laten”.[13]

Het gaat er niet om “bij de tijd te blijven” uit een verlangen naar originaliteit, maar om zich ervan bewust te worden dat “up-to-date zijn, het begrijpen van de moderne wereld voor de gelovigen van het Opus Dei, iets natuurlijks en als het ware iets instinctiefs is. Immers, zijn zij het niet, die samen met hun medeburgers, hun gelijken, deze wereld opbouwen en aan de tijd aanpassen?”[14] Dit is een prachtige taak, die van ons een constante inzet vraagt om onze kleine wereld te verlaten en onze ogen op te heffen naar de onmetelijke horizon van de Verlossing: de hele wereld wacht op de leven gevende aanwezigheid van de christenen! Wij, daarentegen, “hoe vaak voelen wij ons ertoe gedreven op de behaaglijke oever te blijven! Maar de Heer roept ons uit te varen en de netten uit te werpen in dieper water (vgl. Luc 5,4). Hij nodigt ons uit ons leven te besteden aan zijn dienst. Als wij ons vastklampen aan Hem, hebben wij de moed al onze charisma’s in dienst van de ander te stellen. Konden wij ons toch maar door zijn liefde gedreven voelen (vgl. 2 Kor 5,14) en zeggen met de heilige Paulus: “Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!” (1 Kor 9,16).[15]

Beschikbaarheid om het Werk te verwezenlijken

Naast het verlangen om veel mensen de Verlossing te brengen, is het hart van de apostel vol van “zorg voor al de gemeenten” (vgl. 2 Kor 11,28). Er zijn noden in de Kerk geweest vanaf het begin: het boek Handelingen vertelt hoe Barnabas “een akker [had] die hij verkocht en waarvan hij het geld meebracht om het aan de voeten van de apostelen neer te leggen” (Hand 4,37). Sint Paulus herinnert in veel van zijn brieven aan de collecte die hij voorbereidde voor de christenen in Jeruzalem. Ook op dit punt is het Werk geen uitzondering geweest. Slechts een week na zijn eerste aankomst in Rome, op 30 juni 1946, schreef de heilige Jozefmaria in een brief aan de leden van de Generale Raad, die toen in Madrid waren, dat hij van plan was zo spoedig mogelijk weer bij hen te komen en meteen naar Rome terug te gaan. Hij had nl. dringend zeshonderdduizend peseta’s van ze nodig. Dit leek met hun slechte financiële situatie raar. Maar het was noodzakelijk om in Rome een huis te kopen.[16]

En dat was nog maar het begin van de economische noden met betrekking tot de huizen in Rome en net als de eerste christenen beschouwde iedereen in het Werk het als een persoonlijke zaak. In zijn laatste jaren vertelde Don Javier vaak met ontroering de geschiedenis van de twee priesters die naar Uruguay gingen om daar het Opus Dei te beginnen. Toen ze een tijdje in het land waren, ontvingen ze een belangrijke donatie, die hen uit hun benarde positie zou hebben gered. Ze aarzelden echter geen moment om de hele som naar Rome te sturen voor de huizen daar.

De materiële behoeften hielden niet op tijdens het leven van de heilige Jozefmaria, maar ze bleven – en zullen altijd blijven bestaan. Godzijdank neemt het aantal apostolaatswerken over de hele wereld toe, maar we moeten ook denken aan het onderhoud van de reeds bestaande. Daarom is het belangrijk dat we ons verantwoordelijkheidsgevoel levend houden om die noden te verhelpen. Zoals de Vader ons eraan herinnert: “zal onze liefde voor de Kerk ons ertoe aanzetten middelen te zoeken om de apostolaatswerken vooruit te brengen”.[17]

Het gaat er niet alleen om dat wij ons steentje bijdragen, maar vooral dat die inspanning voortkomt uit onze liefde voor het Werk. Hetzelfde kan gezegd worden van een andere prachtige uiting van ons geloof in de goddelijke oorsprong van de roeping om het Opus Dei op aarde te verwezenlijken. We kennen de vreugde die de heilige Jozefmaria beleefde aan de vreugdevolle overgave die hij bij zijn dochters en zonen zag. In een van zijn laatste brieven dankte hij de Heer voor hun “totale beschikbaarheid – binnen de plichten van hun persoonlijke staat in de wereld – voor de dienst aan God in het Werk”.[18] De onzekerheid en tegenstellingen in Kerk en wereld deden hun edelmoedige overgave met een heel bijzonder licht schitteren: “jongeren en minder jongeren zijn met de grootste natuurlijkheid van hier naar daar gegaan, of hebben trouw en zonder het moe te worden volhard op dezelfde plaats; ze zijn van omgeving veranderd als dat nodig was; ze hebben een baan opgegeven en zich ingezet voor een heel ander werk dat om apostolische redenen belangrijker was; ze hebben nieuwe dingen geleerd en zij hebben graag aanvaard zich te verbergen en te verdwijnen om plaats te maken voor anderen: stijgen en dalen”.[19]

Hoewel dus het voornaamste werk van het Werk het persoonlijk apostolaat van elk van zijn gelovigen is [20]

, mogen we niet vergeten dat het Werk ook op collectieve wijze een aantal sociale, educatieve en charitatieve activiteiten ontplooit. Het zijn allemaal verschillende uitingen van dezelfde vurige liefde die God in ons hart heeft gelegd. Bovendien vraagt de vorming die door het Werk wordt gegeven “een bepaalde, weliswaar erg eenvoudige structurering”[21], beperkt maar onmisbaar. Hetzelfde gevoel van zending dat ons ertoe brengt om veel mensen te bereiken en te proberen zuurdesem, zout en licht te zijn op de plaatsen waar belangrijke besluiten over het leven worden genomen, houdt in ons een gezonde zorg voor deze noden van het hele Werk in stand.

Veel gelovigen van het Opus Dei – celibatair en gehuwd – verrichten apostolische arbeid van zeer uiteenlopende aard. Sommigen houden zich bezig met de taken van vorming en bestuur van het Werk. Hoewel dit niet de essentie van hun roeping vormt, maakt de beschikbaarheid voor deze taken deel uit van hun manier om Opus Dei te zijn. Daarom moedigt de Vader hen aan om, naast een “groot enthousiasme en de inzet voor je beroep, (…) beschikbaar te zijn om je, wanneer dat nodig is, met datzelfde beroepsenthousiasme te wijden aan de taken van vorming en bestuur”.[22]

Het gaat er niet om die taken te aanvaarden als een opgelegde opdracht, die niets met het eigen leven te maken heeft. Integendeel, het is iets dat voortkomt uit het besef door God geroepen te zijn voor een grootse taak en, net als de heilige Paulus, zichzelf “de slaaf van allen [te maken], om er zoveel mogelijk voor Christus te winnen” (1 Kor 9,19). Die taken zijn in feite een “professionele taak, die een specifieke en zorgvuldige opleiding vereist”.[23] Daarom ontvangt iemand die een dergelijke opdracht aanvaardt, deze met een gevoel van zending, om hem uit te voeren met het verlangen zijn steentje bij te dragen. En om dezelfde reden mag zo’n taak die persoon niet uit de wereld halen, maar juist de manier zijn waarop hij midden in de wereld blijft, deze met God verzoent en de spil is waar zijn heiliging om draait.

In de vroege Kerk waren de leerlingen “één van hart en één van ziel” (Hand 4,32). Ze beleefden een aanstekelijke broederschap: “Niemand is zwak of ik ben het ook. Niemand komt ten val of het grijpt me in de ziel (2 Kor 11,29). Op de plaats waar zij de vreugde van het Evangelie hadden gevonden, vulden ze de wereld met licht. Iedereen voelde de drang om zoveel mogelijk mensen de Verlossing van Christus te brengen. Iedereen wilde meewerken aan het werk van de apostelen: met hun eigen leven van overgave, met hun gastvrijheid, met materiële hulp of met de bereidheid tot dienstbaarheid, zoals de reisgenoten van de heilige Paulus. Het is geen beeld van het verleden, maar een prachtige realiteit, die wij belichaamd zien in de Kerk en in het Werk, en waartoe wij heden geroepen zijn om in ons leven gestalte te geven, met al de actualiteit van onze vrije beantwoording aan de gave van God.

[1] H. Jozefmaria, De Smidse, nr. 565.

[2] Paus Franciscus, apost. exh. Gaudete et exsultate, 19-3-2018, nr. 131.

[3] J. L. González Gullón, DYA –La Academia y Residencia en la historia del Opus Dei (1933-1939), Rialp, Madrid, blz. 196.

[4] F. Ocáriz, pastorale brief, 14-2-2017, nr. 9.

[5] H. Jozefmaria, De Smidse, nr. 565.

[6] F. Ocáriz, pastorale brief, 9-1-2018, nr. 14.

[7] F. Ocáriz, pastorale brief, 14-2-2017, nr. 8.

[8] Ibid., nr. 29.

[9] 2e Vaticaans Concilie, dogm. const. Lumen gentium, nr. 31.

[10] H. Jozefmaria, Instructie, 19-3-1934, nr. 42.

[11] H. Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 105.

[12] Ibid., nr. 183.

[13] F. Ocáriz, pastorale brief, 14-2-2017, nr. 8.

[14] H. Jozefmaria, Gesprekken, nr. 26.

[15] Paus Franciscus, apost. exh. Gaudete et exsultate, 19-3-2018, nr. 130.

[16] vgl. A. Vázquez de Prada, The founder of Opus Dei, dl. 3.

[17] F. Ocáriz, pastorale brief, 14-2-2017, nr. 8.

[18] H. Jozefmaria, Brief, 14-2-1974, nr. 5.

[19] Ibid.

[20] vgl. H. Jozefmaria, Gesprekken, nr. 51.

[21] Ibid., nr. 63.

[22] F. Ocáriz, pastorale brief, 14-2-2017, nr. 8.

[23] H. Jozefmaria, Brief, 29-9-1957, nr. 9.

Lucas Buch