Voor mij is leven Christus (VI): Geliefd, geroepen, met de overtuiging gezonden te zijn (I)

Leven met een gevoel van zending is weten dat wij door de Heer gezonden zijn om zijn liefde te brengen aan wie dicht bij ons staan. Dit betekent dat wij op elk moment - onder impuls van de heilige Geest - beslissen wat wij moeten doen, in overeenstemming met de zending die inhoud en zin geeft aan onze tijd op aarde.

Er is een scène in de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen die niets aan kracht heeft verloren. Na gevangen te zijn genomen, worden de apostelen op wonderbaarlijke wijze bevrijd door een engel, en in plaats van voor de autoriteiten te vluchten keren ze terug naar de tempel om te verkondigen. Ze zijn opnieuw gearresteerd en aan de hogepriesters voorgeleid. Deze, verbaasd over wat ze zien, vragen hen: Hebben wij u niet uitdrukkelijk verboden onderricht te geven in die Naam?” De apostelen antwoorden onverschrokken: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen” (Hand 5,28-29).

De eerste christenen hebben die diepe overtuiging geërfd. Het boek Handelingen bevat meerdere voorbeelden, en de geschiedenis van de eerste eeuwen van het christendom is welsprekend genoeg. Met de natuurlijkheid van wat echt is voelt ieder van ons steeds weer de behoefte om te getuigen: “Het is voor ons onmogelijk niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben”(Hand 4,20). De gelovigen zijn in staat straffen en zelfs de dood onder ogen te zien zonder hun vreugde te verliezen. Er is iets in hun hart dat hen gelukkig maakt, een volheid en een Leven die hen zelfs door de dood niet ontnomen kunnen worden. Ze kunnen niet anders dan dit met anderen delen. Voor ons, die veel later tot de Kerk zijn gekomen, rijst duidelijk de vraag: behoort dit alles bij het verleden? Of zouden ook wij op zo’n manier moeten leven?

De actualiteit van de oproep

Misschien lijkt het ons alsof er tussen ons en die eerste christenen een kloof gaapt, dat zij een mate van heiligheid bezaten die wij nooit kunnen bereiken; dat hun fysieke nabijheid met Jezus Christus (of tenminste met een van de Twaalf) hen weinig minder dan onberispelijk maakte en hen vervulde met een vuur dat niets en niemand kon doven. In werkelijkheid hoeven we alleen maar het Evangelie open te slaan om te beseffen dat het niet zo is.

We zien de apostelen vaak als mensen met zwakheden: net zo goed als wij. En ze hebben ook geen speciale intellectuele voorbereiding. Jezus zendt de eerste tweeënzeventig uit wanneer ze nog maar een paar weken met Hem hebben doorgebracht ... (vgl. Luc 10,1-12). De gelovigen van de vroege Kerk zijn echter over één ding heel duidelijk: dat de Heer Jezus Christus voor ieder van hen is gestorven en verrezen, dat Hij hun de gave van de Heilige Geest heeft gegeven en dat Hij op hen rekent om zijn Verlossing aan de hele wereld te brengen. Het is geen kwestie van voorbereiding, noch van het hebben van uitzonderlijke kwaliteiten voor het apostolaat; het is eenvoudig een kwestie van het aanvaarden van de oproep van Christus, ons open te stellen voor zijn Gave en te beantwoorden met ons eigen leven. Misschien is dat de reden waarom paus Franciscus ons er met woorden van de heilige Paulus aan heeft willen herinneren: “In Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht” (Ef 1,4).[1]

De Kerk van alle tijden is zich ervan bewust van Christus een oproep te hebben ontvangen en daarmee een taak; sterker nog, zijzelf is die roeping en is die taak: “de pelgrimerende Kerk is krachtens haar natuur op zending (missio) gericht, omdat zij volgens het plan van God, de Vader, haar oorsprong vindt in de zending van de Zoon en de zending van de Heilige Geest”.[2] Het is geen mooie wens, of een menselijke onderneming, maar "deze zending [is] de voortzetting en de ontplooiing, door de geschiedenis heen, van de zending van Christus zelf”.[3] Met andere woorden, de Kerk – en daarin ieder van haar gelovigen – is een voortzetting van de zending van Christus, die in de wereld werd gezonden om de Liefde van God aan zijn schepselen te openbaren en te verwezenlijken. En dat is mogelijk omdat de Heer Hem – en ons – de Heilige Geest heeft gezonden, die het beginsel is van diezelfde Liefde.

Zo zijn ook wij de vrucht van een roeping, en ons leven is een taak in de wereld en voor de wereld. Ons geestelijk leven en de opvatting die we van het apostolaat hebben veranderen wanneer we ze vanuit dit perspectief bekijken. De Heer heeft ons uitgekozen en Hij zendt ons de wereld in om het Heil dat we hebben ontvangen met allen te delen. “’Gaat, verkondigt het Evangelie... Ik zal met u zijn...’ Dat heeft Jezus gezegd… en Hij heeft het tegen jou gezegd.”[4] Tegen mij: tegen iedere man en iedere vrouw. In de aanwezigheid van God kunnen we overwegen: ‘Ik ben een christen omdat God mij heeft geroepen en mij heeft gezonden...’. En uit de grond van ons hart, bewogen door de kracht van zijn Geest, zullen we antwoorden met de woorden van de psalm: “Hier ben ik, (…) God, om uw wil te doen” (vgl. Ps 40,8-9).

De ervaring van een dwingend gebod

In de jaren vijftig reisde de heilige Jozefmaria door Europa om de eerste gelovigen van het Opus Dei te bezoeken die naar verschillende landen waren gegaan om het apostolaatswerk te beginnen. “Hij bad ’s middags vaak met degenen die hem vergezelden en liet hen nadenken over de evangelietekst waarin de Heer tegen de apostelen zegt: Ik heb u uitverkoren om uit te gaan..., ut eatis.[5] Het was als een refrein. Hij probeerde Jezus' woorden te laten weerklinken in het hart van degenen om hem heen. Zo wilde hij hen opnieuw bevestigen in de waarheid die zin gaf aan hun leven, zodat ze de overtuiging van een zending die hun hele bestaan vulde levend konden houden: “Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen, die blijvend mogen zijn” (Joh 15,16).

We hebben veel verhalen gelezen – en gehoord – van de eerste personen die de Heer volgden in het Opus Dei: de eerste kring, in het instituut Porta Coeli; het eerste studentenhuis, in de Ferrazstraat; het intense gezinsleven dat de heilige Jozefmaria tijdens de dramatische jaren van de Burgeroorlog probeerde te onderhouden; de eerste uitbreiding in Spanje; de aankomst in Rome; de snelle expansie over de hele wereld... Die jonge – en niet meer zo jonge – mensen volgden de stichter in het besef dat ze een authentieke roeping van God volgden. Door het Werk hadden zij Jezus Christus ontmoet en een schat ontdekt waarvoor het de moeite waard was hun hele leven te geven: de Liefde van Christus, de zending om die Liefde aan de hele wereld te brengen, om veel mensen dichter bij de warmte ervan te brengen, om de harten met dat goddelijke vuur te ontsteken. Ze hadden niemand nodig om hen daaraan te herinneren: ze voelden de noodzaak om het vuur te verspreiden. Het is heel begrijpelijk: “Het goede streeft er altijd naar zich mee te delen. Iedere authentieke ervaring van waarheid en schoonheid zoekt uit zichzelf haar verspreiding”.[6]

Sommigen waren jong en enthousiast; anderen misschien koeler en rationeler; maar ze waren er allemaal van overtuigd dat achter die jonge priester en het werk dat hij verrichtte een expliciete wil van God schuilging. Daarom waren ze in staat de uitnodiging van de Heer te volgen, alles achter te laten en Hem te volgen. Ze hadden ervaren wat de heilige Jozefmaria hun herhaalde: “Vergeet niet, mijn kinderen, dat wij geen zielen zijn die zich met andere zielen verenigen om iets goeds te doen. Dit is veel... maar het is weinig. Wij zijn apostelen die een dwingende opdracht van Christus vervullen”.[7] En omdat zij Jezus in alle vrijheid volgden, viel die opdracht hen niet zwaar. Integendeel. Het is wat de stichter hen herhaaldelijk vertelde: “Die bovennatuurlijke overtuiging van de goddelijkheid van de onderneming zal jullie uiteindelijk zo'n enthousiasme en zo’n intense liefde voor het Werk geven, dat jullie je heel blij zullen voelen om je op te offeren om dit te realiseren”.[8] Niemand hoefde de betekenis van deze woorden uit te leggen: ze beleefden hem.

Wij doen geen apostolaat, wij zijn apostelen!

Het overdenken van de verhalen van het begin laat ons niet onverschillig. Sinds de apostolische verkondiging zijn er vele eeuwen verstreken. Sinds de stichting van het Werk zijn er nog geen honderd jaar verstreken. De hele geschiedenis van de Kerk laat ons begrijpen dat de oproep van de Heer door de eeuwen heen blijft weerklinken, in het hart van elke gelovige – in het onze –. De Liefde is in ons leven binnengekomen, we zijn door Christus aangeraakt (vgl. Fil 3,12): het is aan ieder van ons die Liefde te omarmen en ons leven door Hem te laten omvormen. Het een gaat hand in hand met het ander. Hoe meer ons leven op Christus is gericht, des te meer “wordt de overtuiging dat onze roeping een zending is versterkt met een volledige en vreugdevolle overgave”.[9]

Net als die eerste christenen vonden de eerste mannen en vrouwen in het Werk Jezus Christus, omarmden ze met al hun kracht zijn Liefde en de zending die Hij hen voorhield, en zagen ze hoe hun leven op een prachtige manier veranderde. In hen werd datgene vervuld waaraan de prelaat ons kort na zijn verkiezing wilde herinneren: “We zijn vrij om te houden van een God die roept, van een God die liefde is en die de liefde in ons legt om Hem te beminnen en van de anderen te houden. Deze liefde geeft ons het volle besef van onze zending, die niet ‘een apostolaat is dat af en toe of bij toeval wordt beoefend, maar altijd en uit hoofde van de roeping, als het ideaal van het hele leven”.[10]

De apostolische zending die ons hele leven vult, is geen opdracht die iemand ons oplegt, noch een last die aan onze dagelijkse plichten moet worden toegevoegd; het is de meest nauwkeurige uitdrukking van onze eigen identiteit, die de roeping ons heeft geopenbaard: “Wij doen geen apostolaat, wij zijn apostelen!”.[11] Tegelijkertijd versterkt het beleven van die zending onze identiteit als apostelen. In die zin is het leven van de heilige Paulus altijd een bron van inspiratie. Als je het verslag van zijn reizen leest, is het opvallend hoe vaak zijn zending niet het verwachte resultaat oplevert. Bij zijn eerste reis wordt hij bijvoorbeeld door de Joden in Antiochië van Pisidië afgewezen en later uit de stad verdreven; hij wordt, met de dood bedreigd, gedwongen Iconium te ontvluchten; hij wordt gestenigd in een stad in Lycaonië... (vgl. Hand, 13-14).

De apostel der heidenen verliest daardoor echter niet de oproep uit het oog die Jezus op weg naar Damascus tot hem richtte en die Hij vervolgens in die stad concretiseerde. Daarom wordt hij nooit moe te herhalen: “De liefde van Christus laat ons geen rust” (2 Kor 5,14). Zelfs wanneer hij schrijft aan een gemeenschap die hem nog niet kent, schrikt hij er niet voor terug zich voor te stellen als “Paulus, dienstknecht van Christus Jezus door Gods roeping apostel, bestemd voor de dienst van het evangelie” (Rom 1,1). Dat is hij: de apostel uit roeping. En vervolgens richt hij zich tot de gelovigen als “geroepen als gij zijt door (…) Jezus Christus. God heeft u lief en riep u tot zijn heilige gemeente” (Rom 1,6-7). Paulus weet dat hij door God geroepen is, maar hij is zich er evenzeer van bewust dat in werkelijkheid alle gelovigen dat zijn.[12] De overtuiging van zijn zending brengt hem ertoe een broederschap te beleven die verder gaat dan aardse banden.

Op dezelfde manier zouden wij op de vraag ‘Wie ben ik?’ kunnen antwoorden: ‘Ik ben iemand die door God wordt bemind en door Jezus Christus is gered; uitverkoren om apostel te zijn, geroepen om veel mensen de Liefde te brengen die ik heb ontvangen. Daarom is het apostolaat voor mij geen opdracht... maar een noodzaak’. Nu we Jezus Christus hebben ontmoet, weten we dat we zout en licht zijn, en daarom kunnen we niet nalaten smaak te geven en te verlichten, waar we ook zijn. Dit is een van die ontdekkingen die het geestelijk leven revolutionair veranderen, en die niemand voor mij kan doen.

Met de kracht van de Heilige Geest

Wanneer we de Heer in ons leven ontdekken, wanneer we ons geliefd, geroepen, uitverkoren weten, en we besluiten Hem te volgen, “is het alsof er een licht in ons is ontstoken; het is een mysterieuze impuls, die de mens dwingt zijn edelste krachten te wijden aan een activiteit die door de uitoefening ervan een manier van leven wordt”.[13] De apostolische zending is in de eerste plaats “alsof er een licht in ons is ontstoken”. De duisternis van het bestaan, die erin bestaat dat we de zin van ons leven niet met zekerheid kennen, verdwijnt. De uitnodiging die Jezus Christus tot ons richt, stelt ons in staat ons verleden te begrijpen en biedt ons tegelijkertijd een duidelijke weg voor de toekomst. Jezus zelf heeft zo zijn leven op aarde geleefd. Wanneer de menigten Hem vragen ergens te blijven, weet Hij dat Hij zijn reis moet voortzetten, “want daarvoor ben Ik gezonden” (Luc 4,43). Zelfs tegenover zijn Lijden blijft hij sereen en vol vertrouwen, en voor de Romeinse rechter aarzelt hij niet: “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid” (Joh 18,37).

Leven in de overtuiging dat we gezonden zijn is weten dat we te allen tijde door de Heer uitgestuurd worden om de personen om ons heen zijn Liefde te brengen: daarvoor zijn wij geschapen. En het betekent ook op ieder moment te beslissen wat we moeten doen in overeenstemming met die zending die inhoud en doel geeft aan onze tijd op aarde. Er kunnen moeilijkheden, obstakels en conflicten zijn; er zullen momenten van duisternis zijn; maar de ster die het noorden aanwijst, blijft altijd helder stralen aan het firmament. Mijn leven heeft een reden, er is een licht dat me in staat stelt me te oriënteren.

Dat licht van de zending is tegelijkertijd een impuls. Maar deze is niet te vergelijken met een menselijke kracht. Natuurlijk zullen er in ons leven momenten zijn van een gevoel van enthousiasme, waarin we een brandend verlangen ervaren om het vuur van Christus te ontsteken in onze naasten. Maar iedereen die de Heer al enige tijd volgt, heeft kunnen vaststellen dat de menselijke impuls komt en gaat. Daar is niets verkeerds aan: het is menselijk, en de heiligen zijn de eersten die dat hebben meegemaakt, zoals we – zonder er nader op in te gaan – weten over het leven van de zalige Alvaro del Portillo. Zoals bekend moest hij al gauw na zijn verzoek om toelating tot het Werk de stichter schrijven om te erkennen dat zijn enthousiasme was bekoeld.[14]

Bij dit alles is het van belang niet uit het oog te verliezen dat de werkelijke kracht, de dynamiek die ons ertoe brengt ons eigen ‘ik’ opzij te zetten om anderen te dienen “geen strategie [is], maar de kracht van de Heilige Geest, ongeschapen Liefde”.[15] Inderdaad, “geen enkele motivatie zal voldoende zijn, als het vuur van de Geest niet brandt in de harten”, en juist daarom, “om het missionaire vuur levend te houden, is een vastberaden vertrouwen in de Heilige Geest noodzakelijk, omdat ‘Hij onze zwakheid te hulp komt (Rom 8,26). Maar dat edelmoedig vertrouwen moet gevoed worden en daarvoor moeten we Hem voortdurend aanroepen”.[16] De gelovigen van het Opus Dei roepen Hem dagelijks aan tijdens de Heilige Mis, in sommige mondelinge gebeden zoals de Rozenkrans of de Preces (Gebeden) van het Werk. Bij sommige gelegenheden zal het ons ook helpen een speciaal gebed tot Hem te richten, zoals de sequentie van Pinksteren, de hymne Veni Creator Spiritus, of zoveel andere gebeden die door de eeuwen heen aan Hem zijn opgedragen. In al deze gebeden vragen wij Hem tot ons te komen, ons te veranderen, ons te vervullen met de Liefde en kracht die ook de Heer hebben bezield. We zullen Hem dan vragen: “Geest van liefde, schepper en heiligmaker van de zielen, wiens eerste werk is ons te veranderen zodat we een andere Christus worden, help me om op Jezus te lijken, om te denken als Jezus, om te spreken als Jezus, om lief te hebben als Jezus, om te lijden als Jezus, om in alles te handelen als Jezus.”[17]

Zo zal de transformerende impuls van de Heilige Geest ons een hart geven dat net als het hart van Jezus Christus in vuur en vlam staat, en de apostolische zending zal het bloed worden dat ons hart doet kloppen. Als we ons laten meeslepen door de Liefde van God, als we open blijven staan voor zijn ingevingen en letten op zijn kleine aanwijzingen, dan wordt het apostolaat onze identiteit. We hoeven ons niet voor te nemen om een apostel te zijn, en we hoeven ons ook niet op een bepaalde plaats of in een bepaalde context te bevinden. Net zoals iemand een arts is (en niet alleenhandelt als een arts), en niet ophoudt arts te zijn in welke plaats of omstandigheid dan ook (in een bus waar iemand duizelig wordt, tijdens de vakantie, door de week en in het weekend, enz.), zo zijn wij apostelen in elke plaats en omstandigheid. In wezen is het zo eenvoudig: gewoon zijn wat we al zijn: Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God (Rom 8,14). Het belangrijkste is dat we open blijven staan voor de werking van de Parakleet (de Trooster en Heiligmaker), aandachtig “om te herkennen hoe wij de zending beter kunnen vervullen die ons in het Doopsel is toevertrouwd”[18] en die de vervulling van ons eigen leven vormt.


[1] Paus Franciscus, apost. exh. Gaudete et exsultate, 19-3-2018, nr. 2.

[2] 2e Vaticaans Concilie, decr. Ad gentes, 7-12-1965, nr. 2.

[3] Ibid., nr. 5.

[4] H. Jozefmaria, De Weg, nr. 904.

[5] A. Vázquez de Prada, The founder of Opus Dei, dl. 3.

[6] Paus Franciscus, apost. exh. Evangelii Gaudium, 24-11-2013, nr. 9.

[7] H. Jozefmaria, Instructie 19-3-1934, nr. 27; in De Weg. Critisch-historische ed., noot bij nr. 942.

[8] Ibid. nr. 49; in The founder of Opus Dei, dl. 1.

[9] F. Ocáriz, pastorale brief, 14-2-2017, nr. 8.

[10] Ibid., nr. 9.

[11] Ibid.

[12] Kerk betekent letterlijk: de bijeengeroepenen. Vgl. YouCat: nr. 121.

[13] H. Jozefmaria,Brief 9-1-1932, nr. 9.

[14] Vgl. H. Jozefmaria, De Weg. Kritisch-historische ed., comm. Bij nr. 994.

[15] F. Ocáriz, pastorale brief, 14-2-2017, nr. 9.

[16] Paus Franciscus, apost. exh. Evangelii Gaudium, 24-11-2013, nrs. 261 en 280.

[17] A. Riaud, De werking van de Heilige Geest in de zielen.

[18] Paus Franciscus, apost. exh. Gaudete et exsultate, 19-3-2018, nr. 174.

Lucas Buch