Het menselijk leven is heilig
“Het menselijk leven is heilig omdat het vanaf zijn oorsprong de vrucht is van Gods scheppende activiteit en voor altijd een speciale relatie blijft bewaren met zijn Schepper, zijn enige einddoel…niemand mag, in welke situatie dan ook, voor zich het recht opeisen om rechtstreeks aan een onschuldig menselijk wezen het leven te ontnemen” (Catechismus, 2258).
De mens is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God (vgl. Gen. 1,26–27). Elk menselijk wezen is het enige schepsel in deze wereld dat God om zichzelf liefheeft. [1] Wij zijn bestemd om God eeuwig te kennen en lief te hebben. Hierin ligt het uiteindelijke fundament van de heiligheid en waardigheid van het menselijk leven en, in zijn morele dimensie, van het gebod “Gij zult niet doden”. De encycliek Evangelium vitae (1995), die een prachtige beschouwing biedt over de unieke waarde van het menselijk leven en over de roeping van iedere persoon tot het eeuwige leven en de gemeenschap met God, benadrukt: “Uit de heiligheid van het leven ontstaat zijn onschendbaarheid” (nr. 40). Na de zondvloed wordt in het verbond dat met Noach wordt gesloten duidelijk vastgesteld dat het feit dat de mens naar Gods beeld is geschapen de grondslag vormt voor de veroordeling van moord (vgl. Gen. 9,6).
Het feit dat het menselijk leven in onze handen is gelegd, vereist dat wij weten hoe wij het in samenwerking met God moeten beheren. Dit vraagt om een houding van liefde en dienstbaarheid, en niet van willekeurige heerschappij: het gaat erom een dienende, geen absolute heerschappij te voeren, een weerspiegeling van de unieke heerschappij van God. [2]
Het boek Genesis stelt het misbruik van het menselijk leven voor als een gevolg van de erfzonde. Jahweh openbaart zich steeds als de beschermer van het leven: zelfs dat van Kaïn, nadat hij zijn broer Abel had gedood. Niemand mag het recht in eigen handen nemen, en niemand mag zich het recht aanmatigen om te beschikken over het leven van zijn naaste (vgl. Gen. 4,13–15).
Hoewel dit gebod specifiek betrekking heeft op het menselijk leven, herinnert het ons ook aan de noodzaak zorg te dragen voor andere levende wezens en voor ons gemeenschappelijk huis. In de encycliek Laudato si’ (2015) lezen we: “Anderzijds is, wanneer het hart waarlijk openstaat voor een universele gemeenschap, niets en niemand van die broederschap uitgesloten. Dientengevolge is het ook waar dat onverschilligheid of wreedheid tegen de andere schepsels van deze wereld uiteindelijk altijd op de een of andere manier wordt overgebracht op de behandeling die wij aan andere mensen voorbehouden. We hebben maar één hart,[1] en het zal niet lang duren, voordat dezelfde ellende die ertoe brengt een dier te mishandelen, ook zichtbaar wordt in de relatie met andere personen. Iedere mishandeling van welk schepsel dan ook “is in strijd met de menselijke waardigheid” (nr. 92).
Dit gebod vindt, evenals de andere, zijn volle betekenis in Christus, en meer bepaald in de Bergrede: “Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: ‘Gij zult niet doden’. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin, en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden.” (Mat. 5,21–24). “Zo is het diepste element van Gods gebod om het menselijk leven te beschermen de eis tot eerbied en liefde voor iedere persoon en voor zijn leven.” [3]
Morele plicht om leven en gezondheid te bewaren
Het menselijk leven moet worden ontvangen als een kostbaar geschenk van God dat beschermd en bewaard moet worden. De Catechismus leert dat wij op redelijke wijze zorg moeten dragen voor onze gezondheid, steeds rekening houdend met de noden van anderen en met het algemeen welzijn (nr. 2288). Tegelijk herinnert hij ons eraan dat gezondheid geen absolute waarde is. De Christelijke moraal verzet zich tegen een neo-heidense opvatting die de verheerlijking van het lichaam bevordert en die kan leiden tot de ondermijning van menselijke relaties (nr. 2289).
“De deugd van de matigheid zet ons ertoe aan om alle vormen van overdrijving te vermijden: misbruik van spijs en drank, alcohol, tabak en medicijnen. Wie in staat van dronkenschap of door een onbeheerste zucht naar snelheid de veiligheid van anderen en van zichzelf in gevaar brengt, zowel op de weg als op zee of in de lucht, laadt een zware schuld op zich.” (nr. 2290). Daarom is ook het gebruik van drugs een ernstige overtreding, omdat het zware schade toebrengt aan de gezondheid (vgl. nr. 2291).
De brief Samaritanus bonus (2020) wijst erop dat de ontwikkeling van de geneeskunde ons helpt bij onze plicht om het menselijk leven en de gezondheid te bewaren en te verzorgen. Tegelijkertijd herinnert zij ons aan de noodzaak om alle diagnostische en therapeutische mogelijkheden te gebruiken met een wijze morele onderscheiding, waarbij alles vermeden moet worden wat onevenredig of zelfs ontmenselijkend kan zijn.
De Kerk leert dat orgaandonatie voor transplantaties geoorloofd is en een daad van naastenliefde kan zijn, op voorwaarde dat zij een volledig vrije en onbaatzuchtige handeling is, [4] en dat zij de orde van rechtvaardigheid en liefde respecteert. “Een persoon kan alleen datgene schenken waarvan hij zich kan ontdoen zonder ernstig gevaar of schade voor zijn eigen leven of persoonlijke identiteit, en om een rechtvaardige en evenredige reden. Het is vanzelfsprekend dat vitale organen alleen na de dood kunnen worden geschonken.” [5]
Het vijfde gebod verbiedt het doden van een mens. Het verbiedt ook het slaan, verwonden of toebrengen van enig onrechtvaardig lichamelijk letsel aan zichzelf of aan de naaste, evenals het beledigen van anderen met kwetsende woorden of hun kwaad toewensen. Dit gebod verbiedt eveneens het doden van zichzelf (zelfmoord). De encycliek Evangelium vitae wijdt het derde deel aan de behandeling van aanslagen op het leven en neemt daarbij de voorafgaande morele traditie op. In dit gedeelte worden vrijwillige doodslag, abortus en euthanasie plechtig veroordeeld.
“Het vijfde gebod veroordeelt de directe en vrijwillige doodslag als een zware zonde. De moordenaar en zij die vrijwillig meewerken aan een moord, begaan een zware zonde die om wraak van de hemel roept (vgl. Gen. 4,19)” (Catechismus, 2268). [6] Evangelium vitae heeft op definitieve en onfeilbare wijze de volgende negatieve norm geformuleerd: “Met de autoriteit die Christus aan Petrus en zijn opvolgers heeft gegeven, en in gemeenschap met de bisschoppen van de Katholieke Kerk, verklaar ik daarom dat het directe en vrijwillige doden van een onschuldig menselijk wezen altijd een ernstig zedelijk vergrijp is. Deze leer, gegrondvest op die ongeschreven wet die de mens, in het licht van het verstand, vindt in zijn eigen hart (vgl. Rom. 2,14–15), is opnieuw bevestigd door de Heilige Schrift, doorgegeven door de Traditie van de Kerk en onderwezen door het gewone en algemene Leergezag.” [7]
Deze veroordeling sluit de mogelijkheid van wettige zelfverdediging niet uit, die soms een werkelijk moreel spanningsveld vormt. Zoals Evangelium vitae eveneens leert: “(kan) de gewettigde zelfverdediging (...) niet alleen een recht zijn, maar (ze) wordt zelfs een ernstige plicht voor degene die verantwoordelijk is voor andermans leven, voor het algemeen welzijn van het gezin of van de gemeenschap. Helaas gebeurt het dat de noodzaak om de aanvaller onschadelijk te maken soms vereist dat men hem doodt” (nr. 55).
Abortus
“Het menselijk leven moet volstrekt geëerbiedigd en beschermd worden vanaf het moment van de conceptie” (Catechismus, 2270). Daarom geldt “dat rechtstreekse abortus, dat wil zeggen gewild als doel of als middel, altijd een zwaar zedelijk misdrijf vormt, aangezien dit het opzettelijk doden van een onschuldig menselijk wezen betekent.” [8] “Geen enkele omstandigheid, doel, of wet kan een handeling geoorloofd maken die in zichzelf ongeoorloofd is, aangezien zij tegen de wet van God ingaat die geschreven staat in ieder mensenhart, kenbaar is door het verstand zelf en verkondigd wordt door de Kerk.” [9]
Vandaag wordt abortus in veel landen gezien als een recht en als een onmisbaar middel om de vooruitgang van de reproductieve gezondheid van vrouwen voort te zetten. Dit maakt het moeilijk om de leer van de Kerk hierover te begrijpen en is een van de redenen waarom veel mensen tot deze ingrepen overgaan in een vaak onoverwinnelijke onwetendheid. Bovendien kan, wanneer men geconfronteerd wordt met een ongewenste zwangerschap, de sociale en familiale druk zo groot zijn dat de persoonlijke verantwoordelijkheid van de vrouw die haar toevlucht neemt tot een abortus, vaak wordt verminderd.
Alle initiatieven die moeders helpen hun zwangerschap voort te zetten, vooral wanneer zij met bijzondere moeilijkheden worden geconfronteerd, verdienen daarom waardering. De staat heeft op dit gebied een belangrijke rol te spelen, aangezien het gaat om de bescherming van een bijzonder kwetsbare bevolkingsgroep. Ook het werk dat wordt verricht om correcte informatie te verstrekken over de realiteit van abortus en over de negatieve psychologische en existentiële gevolgen ervan – soms ernstige – voor degenen die voor deze optie kiezen, is zeer lovenswaardig.
Zelfmoord en euthanasie
Sommigen menen ten onrechte dat het verbod om te doden alleen betrekking heeft op anderen, en dat het Christendom zich niet tegen zelfmoord zou moeten verzetten, althans in bepaalde omstandigheden, met het argument dat er geen expliciete veroordeling daarvan in de Heilige Schrift te vinden is. Zoals Evangelium vitae (nr. 66) ons echter in herinnering brengt: “zelfmoord is altijd moreel onaanvaardbaar op dezelfde wijze als moord. De overlevering van de Kerk heeft dit altijd als een ernstig kwade keuze afgewezen.” De Catechismus benadrukt: “Zichzelf doden is ernstig in tegenspraak met de ware eigenliefde. Het is ook een zonde tegen de naastenliefde, want men verbreekt ten onrechte de band van solidariteit met de gezinsleden en met de nationale en menselijke samenleving, tegenover wie wij verplichtingen hebben. Zelfmoord is in strijd met de liefde tot de levende God.” (2281). [10] Iets heel anders is het aanvaarden van de eigen dood om het leven van een ander te redden; dat is een daad van heroïsche naastenliefde.
Het is waar dat bepaalde psychologische, culturele en sociale conditionerende factoren de subjectieve verantwoordelijkheid bij zelfmoord kunnen verzwakken of zelfs tenietdoen, en de Kerk vertrouwt de zielen van hen die deze uiterste daad hebben gesteld toe aan God. Dit betekent echter niet dat de keuze om opzettelijk een einde te maken aan het eigen leven gerechtvaardigd is.
In de afgelopen decennia heeft euthanasie in veel landen terrein gewonnen, waarbij een derde persoon de dodelijke handeling verricht op verzoek van de betrokkene. Euthanasie in de eigenlijke en juiste betekenis moet worden verstaan als een handeling of nalatigheid die door haar aard en bedoeling de dood veroorzaakt om elk lijden te beëindigen. De Kerk heeft altijd geleerd “dat euthanasie een zware schending is van de wet van God, aangezien zij het opzettelijk en zedelijk onaanvaardbaar doden betekent van een menselijke persoon … Afhankelijk van de omstandigheden houdt deze praktijk een kwaadwilligheid in die eigen is aan zelfmoord of moord.” [11] Dit is een van de gevolgen die ernstig ingaan tegen de waardigheid van de menselijke persoon, waartoe het hedonisme en het verlies van de Christelijke betekenis van het lijden kunnen leiden.
Het is belangrijk euthanasie te onderscheiden van andere handelingen die plaatsvinden in het kader van passende medische zorg aan het levenseinde, zoals het stopzetten van bepaalde behandelingen die op een gegeven moment als buitengewoon of onevenredig worden beschouwd ten opzichte van de nagestreefde doelen. Ook moet zij worden onderscheiden van de zogeheten “palliatieve sedatie”, een therapeutisch middel voor sommige terminale situaties waarin gewone behandelingen niet volstaan om de patiënt voor ernstig lijden te behoeden. Het is soms niet gemakkelijk om de meest passende keuzes te bepalen. Daarom biedt de brief Samaritanus bonus enkele criteria die kunnen helpen om goede beslissingen te nemen.
Met betrekking tot abortus en euthanasie moet men zich herinneren dat het respect voor het leven erkend moet worden als de grens die geen enkele individuele of staatsactiviteit mag overschrijden. Het onvervreemdbare recht van iedere onschuldige menselijke persoon op leven is een constitutief element van de burgerlijke samenleving en haar wetgeving, en dient als zodanig erkend en gerespecteerd te worden door zowel de samenleving als de politieke autoriteiten (vgl. Catechismus, 2273). [12]
Daarom geldt: “Wetten van deze soort [die abortus toestaan] houden niet alleen geen verplichting voor het geweten in, maar wekken veeleer de ernstige en duidelijke plicht op, om zich ertegen te verzetten met behulp van het beroep op gewetensbezwaren.” [13]
De doodstraf
Eeuwenlang werd de doodstraf gerechtvaardigd als een doeltreffend middel om de bescherming van het algemeen welzijn te verzekeren, en zelfs als een manier om in gevallen van zware misdrijven de gerechtigheid te herstellen. Het leergezag van de Kerk heeft zijn onderricht hierover geleidelijk verder ontwikkeld, rekening houdend met de steeds grotere mogelijkheden om het algemeen welzijn van de burgers te beschermen door middel van passende systemen van vrijheidsberoving. De huidige formulering in de Catechismus (nr. 2267) beschouwt de doodstraf als ontoelaatbaar, omdat zij een aantasting vormt van de onschendbaarheid en de waardigheid van de menselijke persoon, en stelt dat de Kerk zich inzet voor de volledige afschaffing ervan overal ter wereld.
Ontvoering en gijzelneming zijn moreel verwerpelijk, omdat zij betekenen dat mensen louter als middel tot verschillende doelen worden gebruikt en hun vrijheid op onrechtvaardige wijze wordt ontnomen. Terrorisme en foltering zijn eveneens in ernstige mate in strijd met rechtvaardigheid en naastenliefde.
“Behalve bij medische indicatie van strikt therapeutische aard zijn direct opzettelijke amputatie, verminking of sterilisatie, toegepast op onschuldige personen, in strijd met de zedenwet.” (Catechismus, 2297)
Na het noemen van misdrijven tegen het lichaam verwijst de Catechismus in zijn uitleg van het vijfde gebod naar “misdrijven tegen de ziel”, en in het bijzonder naar ergernis (scandalum). Jezus veroordeelde dit in zijn prediking tot zijn leerlingen: “Maar als iemand een van deze kleinen die in Mij geloven aanstoot geeft, zou het beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals hing en hem liet verdrinken in het diepste van de zee.” (Mat. 18,6). “Ergernis is de houding die of het gedrag dat anderen ertoe brengt om kwaad te begaan.” [14] Zij is een ernstige misstap, omdat zij er, door handelen of nalaten, toe leidt dat anderen zondigen. Ergernis kan worden veroorzaakt door onrechtvaardige opmerkingen, door het bevorderen van immorele voorstellingen, boeken en tijdschriften, door het volgen van modes die strijdig zijn met de zedigheid, enzovoort. [15]
De encycliek Fratelli tutti (2020) nodigt ons uit tot een “open broederlijkheid die toelaat ieder mens te erkennen, te waarderen en lief te hebben ongeacht zijn of haar fysieke aanwezigheid, ongeacht waar hij of zij geboren is of leeft” (nr. 1). Deze broederlijkheid is in staat om ware sociale en internationale vrede te funderen.
“Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden” (Mat. 5,9). Het is eigen aan de geest van het goddelijk kindschap om zaaiers van vrede en vreugde te zijn. [16] “Vrede op aarde kan niet tot stand komen zonder de bescherming van het persoonlijk eigendom, de vrije communicatie tussen de mensen, de eerbied voor de menselijke waardigheid van personen en volkeren, en de toegewijde beoefening van de broederlijkheid. … . Zij is het werk van de gerechtigheid (vgl. Jes. 32,17) en de vrucht van de naastenliefde” (Catechismus, 2304).
De menselijke geschiedenis heeft vele oorlogen gekend — en kent die nog steeds — die vernietiging en haat bevorderen. Hoewel zij soms als onvermijdelijk worden voorgesteld, zijn het altijd “valse antwoorden, die de problemen die ze moeten oplossen helemaal niet oplossen en uiteindelijk niet meer doen dan nieuwe elementen van vernietiging invoegen in het weefsel van de nationale en mondiale samenleving.”[17] “Omwille van de rampen en de ongerechtigheden die elke oorlog met zich meebrengt, vraagt de Kerk met aandrang aan iedereen te bidden en zich in te zetten, opdat God in zijn goedheid ons moge bevrijden van de oude slavernij van de oorlog (vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 81,4)” (Catechismus, 2307).
De Catechismus leert dat er sprake kan zijn van een “wettige zelfverdediging door militaire macht”. Maar “de zwaarwichtigheid van een dergelijke beslissing brengt mee, dat ze aan strenge voorwaarden van morele toelaatbaarheid gebonden is.” (Catechismus, 2309). En hij benadrukt: “Gelijktijdig zijn vereist: - dat de schade die door de aanvaller aan het volk of de volkerengemeenschap wordt toegebracht van blijvende aard is, dat ze belangrijk is en met zekerheid vaststaat; - dat alle andere middelen om de schade een halt toe te roepen onuitvoerbaar of ondoeltreffend gebleken zijn; - dat er een serieus vooruitzicht is op een gunstig resultaat; - dat het gebruik van wapengeweld geen grotere kwalen en meer wanorde teweegbrengt dan het kwaad dat men wil uitschakelen. De vernietigende kracht van de moderne wapens moet zeer zwaar wegen bij de beoordeling van deze laatste voorwaarde.” [18]
De wapenwedloop “waarborgt de vrede niet. In plaats van de oorzaken van de oorlog weg te nemen, loopt men het gevaar die nog te vergroten. Het verkwisten van onmetelijke rijkdommen, die nodig zijn voor het vervaardigen van steeds maar nieuwe wapens, belemmert de hulp aan noodlijdende bevolkingen” (Catechismus, 2315). “De bewapeningswedloop is de grootste plaag van de mensheid en berokkent een ondraaglijke schade aan de armen.” (Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 81). De overheid heeft het recht en de plicht om de productie van en de handel in wapens te reguleren (vgl. Catechismus, 2316). [19]
Basisbibliografie
Catechismus van de Katholieke Kerk, 2258–2330.
Johannes Paulus II, Evangelium vitae, 25 maart 1995, hoofdstuk III.
[1] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et spes, 24.
[2] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Evangelium vitae, 25 maart 1995, 52.
[3] Ibid., 41.
[4] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Toespraak, 20 juni 1991, 4; Catechismus, 2301.
[5] Ibid., 4.
[6] “Het vijfde gebod verbiedt om ook maar iets te doen met de bedoeling iemand indirect ter dood te brengen. De morele wet verbiedt, iemand zonder ernstige reden aan doodsgevaar bloot te stellen of hulp te weigeren aan een persoon in levensgevaar.” (Catechismus, 2269)
[7] Heilige Johannes Paulus II, Evangelium vitae, 57.
[8] Ibid., 62.
[9] Ibid., 62. Zo groot is de ernst van de misdaad van abortus dat de Kerk deze misdaad bestraft met de canonieke straf van excommunicatie latae sententiae [de straf treedt automatisch in werking] (vgl. Catechismus, 2272).
[10] “Men moet niet wanhopen met betrekking tot de eeuwige zaligheid van mensen die zichzelf gedood hebben. God kan, langs wegen die Hij alleen kent, ervoor zorgen dat ze nog de kans krijgen op een heilbrengend berouw. De Kerk bidt dan ook voor diegenen die zich het leven hebben benomen.” (Catechismus, 2283).
[11] Heilige Johannes Paulus II, Evangelium vitae, 65.
[12] “… deze rechten van de mens hangen noch van de afzonderlijke individuen noch van de ouders af en vertegenwoordigen ook geen concessie van de samenleving en de staat: ze behoren tot de menselijke natuur en zijn eigen aan de persoon krachtens de scheppingsdaad, waaraan hij zijn oorsprong heeft ontleend. … op het moment dat een positieve wet een categorie menselijke wezens berooft van de bescherming welke de burgerlijke wetgeving hun moet verlenen, wijst de staat de gelijkheid van allen voor de wet af. Wanneer de staat zijn macht niet in dienst stelt van de rechten van ieder burger, en vooral van wie het zwakste is, worden de grondslagen van de rechtsstaat zelf ondermijnd” (Congregatie voor de Geloofsleer, Donum vitae, 22 februari 1987, III).
“Hoeveel misdaden worden er niet gepleegd in naam van de gerechtigheid! - Als jij vuurwapens zou verkopen en iemand zou je het geld voor zo'n wapen geven om je moeder ermee dood te schieten, zou je het hem dan verkopen? Maar betaalde hij dan niet de vastgestelde prijs? Hoogleraar, journalist, politicus, diplomaat: denk na” (Heilige Jozefmaria, De Weg, 400).
[13] Heilige Johannes Paulus II, Evangelium vitae, 73.
[14] Catechismus, 2284.
[15] “Zo maken zich schuldig aan ergernis diegenen die wetten uitvaardigen of sociale structuren invoeren die leiden tot zedelijke ontaarding, tot verval van het godsdienstige leven of tot ‘sociale omstandigheden die, al dan niet gewild, een Christelijke levenshouding in overeenstemming met de geboden, uiterst moeilijk en praktisch onmogelijk maken’ (Pius XII, Toespraak, 1 juni 1941)” (Catechismus, 2286).
[16] Vgl. Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, 124.
[17] Paus Franciscus, Fratelli tutti, 255.
[18] Dit zijn de traditionele elementen van de zogeheten leer over de zogenaamde “rechtvaardige oorlog”. “De beoordeling van deze voorwaarden voor morele gewettigdheid komt toe aan het prudente oordeel van hen, die voor het algemeen welzijn verantwoordelijk zijn.” (Catechismus, 2309). Bovendien is men “moreel verplicht, zich te verzetten tegen bevelen die een genocide opleggen.” (Catechismus, 2313).
[19] Paus Franciscus, Fratelli tutti, 256–262.
