Thema 28: Het Eerste en Tweede gebod

Het eerste gebod van de Tien Geboden (de Decaloog) is van levensbelang: het is het enige mogelijke fundament voor een geslaagd mensenleven. De hoogste reden voor de menselijke waardigheid ligt in onze roeping tot gemeenschap met God. Liefde voor God moet ook de liefde omvatten voor degenen die door God worden bemind. Het tweede gebod verbiedt elk ongepast gebruik van Gods naam, in het bijzonder godslastering.

Het Eerste Gebod
"Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten" (Deut. 6,5). Deze woorden uit Deuteronomium roepen iedere mens op om in God te geloven, op Hem te hopen en Hem boven alles lief te hebben (vgl. Catechismus, 2134).

Hoewel we dit gebod gewoonlijk beknopt uitdrukken met de formulering "u zult God boven alles liefhebben", omvat het eerste gebod in werkelijkheid "het geloof, de hoop en de liefde" (vgl Catechismus, 2086). De liefde stelt ons immers in staat om God boven alles lief te hebben. Maar we kunnen niet bewogen worden tot de liefde die God verdient zonder Hem werkelijk te kennen door het licht van het geloof, en zonder Hem te erkennen als het hoogste goed waarnaar wij streven en dat wij met vertrouwen hopen te bereiken.

Jezus zelf bevestigde dat het eerste gebod is: ‘Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht’ (Mar. 12,28-30). Het is essentieel voor het leven van ieder mens dat dit gebod werkelijk de juiste plaats inneemt: het is het eerste gebod, niet alleen in de volgorde van de Tien Geboden, maar ook in het belang voor het leven van ieder persoon, omdat het de enige mogelijke grondslag is voor een geslaagd menselijk leven.

De betekenis van het Eerste Gebod
Onze vrijheid stelt ons in staat om ons zeer uiteenlopende doelen te stellen en daar door middel van keuzes naartoe te streven. Veel van deze doelen worden nagestreefd als middel om andere doelen te bereiken. Maar er is altijd één doel, die we het uiteindelijke doel kunnen noemen, dat we niet voor een ander doel willen, maar om zichzelf. Dit is het doel dat de persoon beschouwt als zijn hoogste goed, en waaraan hij de keuze en het streven naar alle tussenliggende doelen ondergeschikt maakt. Een persoon neemt beslissingen en gedraagt zich naargelang hij vindt dat iets hem dichter bij dit uiteindelijke doel brengt of niet, het meer of minder bevordert. Hij beoordeelt met dezelfde criteria of de inspanningen en opofferingen die de ene of de andere tussenliggende doelen vereisen, de moeite waard zijn. Het uiteindelijke doel dat iemand kiest, bepaalt de orde van de liefde in zijn leven.

Maar als iemand een verkeerd einddoel kiest — of handelt alsof hij dat heeft gedaan — een doel dat zijn leven uiteindelijk niet kan vervullen, ook al lijkt het dat te beloven (roem, rijkdom, macht...), dan worden al zijn beslissingen over tussenliggende doelen bepaald door deze ongeordende liefde. De vrijheid, die in haar uitoefening onderworpen is aan deze leugen, brengt de persoon uiteindelijk schade toe of vernietigt hem zelfs (vgl. bijvoorbeeld Catechismus, 29).

Wij zijn immers gemaakt naar de maat van God: “Het verlangen naar God is gegrift in het hart van de mens, want de mens is door en voor God geschapen; God houdt niet op de mens naar zich toe te trekken en de mens zal slechts in God de waarheid en het geluk vinden, die hij zonder ophouden zoekt: ‘De diepste grond van de menselijke waardigheid is gelegen in de roeping van de mens tot gemeenschap met God. Reeds vanaf zijn geboorte wordt de mens uitgenodigd tot een dialoog met God: immers, hij bestaat alleen, doordat hij door God uit liefde is geschapen en door Hem altijd uit liefde in stand wordt gehouden; hij leeft niet volledig volgens de waarheid, als hij die liefde niet vrijwillig erkent en zich niet aan zijn Schepper toevertrouwt.’ (Gaudium et Spes, 19,1) (Catechismus, 27).

Al ons goed ligt in God, en buiten Hem is er geen waarachtig en volledig goed. Dit is, objectief gezien, ons uiteindelijke doel. Hoewel we het misschien niet weten, of het op sommige momenten in ons leven niet duidelijk begrijpen, kan alleen God ons verlangen naar geluk vervullen. En elke liefde die ons niet naar God leidt, en die ons van Hem wegvoert, is tegelijkertijd een verraad aan onszelf en een veroordeling tot toekomstige frustratie.

Ons hart is gemaakt om God lief te hebben en zich te laten vullen met zijn liefde; er is geen substituut of echt alternatief. Daarom is de enige adequate maatstaf om de oneindige liefde van God te aanvaarden "alles": liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel, met al onze kracht. Als we ons hart niet een liefde geven naar de maat van zijn verlangens, zal ons hart "zich wreken... en veranderen in een haard van bederf " (H. Jozefmaria, De Smidse, 204).

Liefde voor God
De liefde voor God waar het eerste gebod naar verwijst, houdt in:

a) Hem kiezen als het uiteindelijke doel van alles wat we besluiten te doen. Dit betekent dat we proberen alles te doen uit liefde voor Hem en voor Zijn glorie: "Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere van God" (1 Kor. 10,31). "Deo omnis gloria. Aan God alle eer."[1] Er mag geen doel boven dit doel worden verkozen, want geen enkele liefde verdient het om boven de liefde voor God te staan: "Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig" (Mat. 10,37). Een liefde die de liefde voor God uitsluit of daaraan ondergeschikt maakt, is noch authentiek, noch goed.

b) Zijn wil volbrengen met daden: "Niet ieder die tot Mij zegt: 'Heer, Heer!', zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is" (Mt. 7,21). We zijn geroepen om Gods wil uit te voeren, ook wanneer dit offers vraagt: "niet mijn wil, maar uw wil geschiede" (Lc. 22,42) – in de overtuiging dat dit de moeite waard is, omdat daar ons grootste goed ligt.

Gods wil is dat wij heilig worden (vgl. 1 Tess. 4,3), dat wij Christus van nabij volgen (vgl. Mat. 17,5) en doen wat nodig is om te leven volgens de leidraad van zijn geboden (vgl. Joh. 14,21). "Wil je werkelijk heilig worden? Vervul je kleine plicht van elk moment! Doe wat je moet, en geef je helemaal aan wat je doet."[2]

c) Leven met het besef dat we bij God in het krijt staan – de schuld van een kind aan een goede vader – en willen beantwoorden aan zijn liefde. Hij heeft ons eerst liefgehad, ons vrij geschapen en ons tot zijn kinderen gemaakt (vgl. 1 Joh. 4,19). Zonde is een afwijzing van Gods liefde (vgl. Catechismus, 2094), maar God vergeeft altijd en geeft Zichzelf altijd aan ons: de logica van God is er een van overvloed. "Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen. " (1 Joh. 4,10; vgl. Joh. 3,16). Elke Christen kan, samen met de heilige Paulus, zeggen dat Christus "mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij" (Gal. 2,20). "Alleen met een volledige overgave van lichaam en ziel kunnen wij aan zoveel liefde beantwoorden." [3] Dit antwoord is geen gevoel, maar een wilsdaad die al dan niet gepaard kan gaan met gevoelsmatige uitingen.

Het verlangen om uit liefde te beantwoorden, leidt tot de inzet om op verschillende manieren [4] onze relatie met God te cultiveren. Dit persoonlijke contact met Hem vormt en voedt op zijn beurt onze liefde. Daarom omvat het eerste gebod diverse uitingen van religie:

- Aanbidding: "De aanbidding is de eerste houding van de mens die ten overstaan van de Schepper erkent dat hij zijn schepsel is." (Catechismus, 2628). Dit is de meest fundamentele houding van religie (vgl. Catechismus, 2095). "De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen" (Mat. 4,10). "Moge je gebed altijd een oprechte en werkelijke aanbidding van God zijn." [5] De aanbidding van God bevrijdt ons van de verschillende vormen van afgoderij, ook die van vandaag, die tot slavernij leiden.

- Dankzegging (vgl. Catechismus, 2638):, omdat alles wat we zijn en alles wat we hebben van God komt: "Wat heb je dat je niet gekregen hebt? En als je alles cadeau gekregen hebt, waarom die drukte alsof alles van jezelf kwam?" (1 Kor. 4,7).

- Smeekbede: om vergeving voor de daden en houdingen die ons van God scheiden (zonde); en om hulp, ook voor anderen, de Kerk en de hele mensheid. Jezus neemt deze twee soorten smeekbeden op in het Onze Vader. Het smeekgebed van de Christen is vol vertrouwen, omdat het een kinderlijk verzoek is dat via Christus wordt gedaan: "wat gij de Vader ook zult vragen, Hij zal het u geven in Mijn naam" (Joh. 16,23; vgl. 1 Joh. 5,14,15).

- Liefde uit zich ook in het offer: iets goeds aan God aanbieden als uitdrukking van de innerlijke overgave van de eigen wil, dat wil zeggen, van gehoorzaamheid. Christus heeft ons verlost door het Offer van het Kruis, dat zijn volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader tot in de dood manifesteert (vgl. Fil. 2,8).

- Gebed en offer zijn onafscheidelijk: "het gebed krijgt waarde door het offer." [6] Beide maken, in hun verschillende vormen, deel uit van de verering van God, wat de verering van latria of aanbidding wordt genoemd. De eredienst bij uitstek is de Heilige Mis, waarin Christus zelf aan de Vader, door de Heilige Geest, volmaakte aanbidding, dankzegging, smeekbede om vergeving van zonden en gebed om zijn genade aanbiedt. Christenen, die door het doopsel ledematen van Christus zijn geworden, hebben het vermogen ontvangen om zichzelf in Hem te offeren, vooral in de viering van de Eucharistie. Op deze manier laten we Jezus toe onze offers op te nemen en ze, verenigd met de zijne, aan de Vader aan te bieden door de Heilige Geest (vgl. Catechismus, 2100).

– De liefde voor God moet tot uiting komen in de waardigheid van de eredienst: het naleven van de liturgische voorschriften van de Kerk, de "etiquette van de vroomheid” [7], en de zorg en netheid van de voorwerpen die bestemd zijn voor de goddelijke eredienst. “De vrouw, die bij Simon de melaatse in Betanië kostbare balsem over het hoofd van de Meester uitgoot, herinnert ons aan de plicht om in de eredienst van God royaal te zijn. Alle pracht, luister en schoonheid schijnen mij nog niet voldoende.” [8]

Geloof en hoop in God
Geloof, hoop en liefde zijn de drie "goddelijke of theologale" deugden (deugden die op God zijn gericht). De grootste hiervan is de liefde (vgl. 1 Kor 13,13), die aan het geloof en de hoop hun "vorm" en bovennatuurlijk "leven" geeft (zoals de ziel leven geeft aan het lichaam). Maar de liefde veronderstelt geloof, want alleen wie God kent – als de vrucht van zijn vrijheid – kan Hem liefhebben. De liefde veronderstelt ook hoop, want alleen wie zijn verlangen naar geluk in de vereniging met God legt, kan Hem liefhebben. Anders zal ieder mens, tot eigen schade, datgene liefhebben waarin hij zijn verlangens heeft gelegd.

Het geloof is een geschenk van God, een licht in het verstand dat ons in staat stelt de waarheid die God heeft geopenbaard te kennen en daarmee in te stemmen, om deze tot de onze te maken. Deze goddelijke deugd houdt in dat we geloven wat God heeft geopenbaard, maar ook dat we God zelf geloven die het heeft geopenbaard (op Hem vertrouwen).

Er is geen tegenstelling tussen geloof en rede, en die kan er ook niet zijn. De rede, geleid door het licht van het geloof, is onmisbaar om het geloof te assimileren en erin te verdiepen, waardoor we (om het zo uit te drukken) Gods manier van kijken naar de werkelijkheid steeds meer tot de onze maken.

Doctrinele vorming is belangrijk om tot een standvastig geloof te komen en zo de liefde voor God en voor anderen uit liefde voor God te voeden: voor heiligheid en apostolaat. Een leven uit geloof is een leven dat op geloof is gegrondvest en daarmee in overeenstemming is.

De hoop is eveneens een geschenk van God. Zij doet ons verlangen naar de vereniging met Hem, waarin ons geluk bestaat. Tegelijk behoedt zij ons voor ontmoediging, omdat wij vertrouwen dat God zelf ons deze vereniging zal schenken. Hij zal ons, ook al weten we niet hoe, de bekwaamheid en de middelen schenken om dit doel te bereiken (vgl. Catechismus, 2090).

Wij Christenen moeten ons "verblijden in de hoop" (vgl. Rom. 12,12), want als we trouw zijn, wacht ons het geluk van de hemel: het zien van God van aangezicht tot aangezicht (1 Kor. 13,12), wat bekendstaat als de zalige aanschouwing. "Als wij kinderen zijn, dan ook erfgenamen; erfgenamen van God tezamen met Christus, daar wij delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn verheerlijking" (Rom. 8,17).

Het christelijke leven is een weg naar geluk, niet alleen in de toekomst, maar ook hier op aarde, want nu al proeven we, dankzij de zekerheid die de ware hoop ons schenkt, al iets van dat eeuwige geluk. Maar zolang ons aardse leven duurt, weten we dat dit geluk verenigbaar is met pijn en met het Kruis. De hoop stelt ons in staat te leven in de zekerheid dat het de moeite waard is om uit liefde [9] te werken en te lijden, zodat met onze medewerking Gods wonderbaarlijke plannen voor ons leven vervuld kunnen worden.

"De hoop stelt niet teleur! Ze is niet gebaseerd op wat wij kunnen doen of zijn, noch op wat wij misschien geloven. Haar fundament, dat wil zeggen het fundament van de Christelijke hoop, is datgene waarop wij het meest vertrouwen en zeker van kunnen zijn, namelijk de liefde die God zelf voor ieder van ons koestert" (Paus Franciscus, Algemene Audiëntie, 15 februari 2017).

Liefde voor anderen en voor jezelf uit liefde voor God
In zijn antwoord op de vraag over het eerste gebod voegde Jezus eraan toe: "Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf" (Mat. 22,39). Hij verwijst hier niet naar dit gebod als het tweede van de Tien Geboden, maar veeleer naar de tweede essentiële kern die, samen met de liefde voor God, verschillende geboden van de Decaloog omvat. Jezus beschrijft dit voorschrift als "gelijkwaardig aan" het eerste: het is onderscheiden van het eerste gebod en is er niet identiek aan of inwisselbaar mee, maar het is er wel onafscheidelijk van. Daarom is het belang ervan vergelijkbaar met dat van het eerste gebod.

Liefde voor God moet de liefde omvatten voor degenen die door God worden bemind. "Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben." (1 Joh. 4,20-21). Men kan God niet liefhebben zonder alle mensen lief te hebben, die door God naar Zijn beeld en gelijkenis zijn geschapen en door Zijn genade geroepen zijn om Zijn kinderen te zijn. (vgl. Catechismus, 2069).

"Wij moeten ons tegenover kinderen van God gedragen als kinderen van God”: [10]

a) Je gedragen als een kind van God, als een andere Christus. De liefde voor anderen heeft de liefde van Christus als regel: "Een nieuw gebod geef Ik u: dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet u ook elkaar liefhebben. Hieraan zullen allen weten dat u mijn leerlingen bent." De Heilige Geest is in onze harten gezonden, zodat wij kunnen liefhebben als kinderen van God, met de eigen liefde van Christus (vgl. Rom. 5,5).

b) Anderen zien als kinderen van God en als Christus: "Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringste van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan" (Mat. 25,40). Hun het ware goed toewensen, dat wat God wil: dat zij heilig en dus gelukkig mogen zijn. De eerste uiting van liefde is het apostolaat. Deze liefde leidt ook tot zorg voor de materiële behoeften van anderen; hun spirituele en materiële noden begrijpen en tot de uwe maken; kunnen vergeven; barmhartigheid tonen (vgl. Mat. 5,7). "De liefde is lankmoedig en goedertieren; de liefde is niet afgunstig, zij geeft niet om de schone schijn … De liefde zoekt zichzelf niet; zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. Zij verheugt zich niet over onrecht" (1 Kor. 13,4-6). De broederlijke vermaning (vgl. Mat. 18,15).

Het gebod “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf” (Mat. 22,39) drukt ook uit dat er een juiste liefde voor jezelf bestaat, die ertoe leidt dat men naar zichzelf kijkt en zichzelf waardeert zoals God dat doet, en voor zichzelf het goede zoekt dat God wil: heiligheid en daarmee geluk in Hem.

Er bestaat ook een ongeordende zelfliefde, egoïsme, die ertoe aanzet de eigen wil boven die van God te stellen en de eigen belangen boven de dienst aan anderen. Een juiste zelfliefde kan niet bestaan zonder strijd tegen het egoïsme. Deze inspanning houdt zelfverloochening in, en zelfgave aan God en aan anderen. "Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden" (Mat. 16,24-25). De mens “kan zich zelf niet volledig vinden zonder een eerlijk wegschenken van zich zelf.” [11]

Zonden tegen het Eerste Gebod

Zonden tegen het eerste gebod zijn zonden tegen de theologale deugden:

a) Tegen het geloof: atheïsme, agnosticisme, opzettelijke twijfel, religieuze onverschilligheid, ketterij, apostasie (geloofsafval), schisma, enzovoorts. (vgl. Catechismus, 2089). Het is ook in strijd met het eerste gebod om vrijwillig het eigen geloof in gevaar te brengen. In strijd met de verering van God zijn heiligschennis, simonie, bepaalde praktijken van bijgeloof, magie, enzovoorts, en satanisme (vgl. Catechismus, 2111-2128).

b) Tegen de hoop: wanhoop over de eigen redding (vgl. Catechismus, 2091), en, aan het andere uiterste, het vermetel vertrouwen dat de goddelijke barmhartigheid zonden zal vergeven zonder bekering of berouw, of zonder de noodzaak van het sacrament van de Biecht (vgl. Catechismus, 2092). Het is ook in strijd met deze deugd om de hoop op iemands uiteindelijk geluk te stellen in iets buiten God.

c) Tegen de liefde: elke zonde is in strijd met de liefde, maar direct daartegenover staan de afwijzing van God en ook lauwheid, wat ertoe leidt dat men niet serieus verlangt Hem met heel ons hart lief te hebben.

Het Tweede Gebod

Het tweede gebod van de Decaloog is: U zult de naam van de Heer, uw God, niet ijdel gebruiken. Dit gebod verplicht ons de naam van God te eren en te respecteren (vgl. Catechismus, 2142). Deze mag niet worden uitgesproken "tenzij om hem te zegenen, te loven en te prijzen" (Catechismus, 2143). Anders verliest de mens in meer of mindere mate het realiteitsbesef: hij vergeet wie God is en wie hij zelf is, en valt ten prooi aan de verleiding van de eerste zonde van de mensheid.

"De naam brengt het wezen, de identiteit en de zin van het leven van een persoon tot uitdrukking. God heeft een naam. Hij is geen naamloze kracht." (Catechismus, 203). God laat zich echter niet vatten in menselijke begrippen; er bestaat geen enkel idee dat Hem kan weergeven, noch een naam die de goddelijke essentie volledig kan uitdrukken. God is "Heilig", wat betekent dat Hij absoluut superieur is en boven elk schepsel staat. God is transcendent.

Niettemin, zodat wij God kunnen aanroepen en Hem persoonlijk kunnen aanspreken, heeft God zich in het Oude Testament "geleidelijk en onder verschillende namen aan zijn volk geopenbaard" (Catechismus, 204). De naam die Hij aan Mozes openbaarde, geeft aan dat God het Zijn zelf is, door zijn essentie, dat Hij zijn bestaan van niemand heeft ontvangen en dat alles uit Hem voortkomt: "Toen sprak God tot Mozes: 'Ik ben die is' En ook: 'Dit moet gij de Israëlieten zeggen: Hij-is zendt mij tot u.' ... dit is mijn naam voor altijd" (Ex. 3,14-15). Uit ontzag voor Gods heiligheid sprak het volk Israël zijn naam niet uit, maar verving deze door de titel "Heer" (Adonai in het Hebreeuws; Kyrios in het Grieks) (vgl. Catechismus, 209). Andere namen voor God in het Oude Testament zijn: Elohim (volheid of grootheid) die Gods majesteit weergeven; El-Shaddai (machtig, almachtig).

In het Nieuwe Testament maakt God het mysterie van zijn innerlijk leven bekend: dat Hij een enkele God is in drie goddelijke Personen: Vader, Zoon en Heilige Geest. Christus leert ons God "Vader" te noemen (Mat. 6,9): Abba, dat een informele en intieme Hebreeuwse manier is om Vader te zeggen (vgl. Rom. 8,15). God is de Vader van Jezus en ook onze Vader, hoewel Hij niet op dezelfde manier Vader is voor ons als voor Christus. Jezus is immers de eniggeboren Zoon en wij zijn kinderen door adoptie. Maar deze speciale "adoptie" maakt ons werkelijk tot zijn kinderen (vgl. 1 Joh. 3,1), broeders en zusters van Christus (vgl. Rom. 8,29), omdat de Heilige Geest in onze harten is gezonden en wij delen in de goddelijke natuur. (Vgl. Gal. 4,6; 2 Pet. 1,4). Wij zijn kinderen van God in Christus. Daarom kunnen wij God werkelijk aanspreken als Vader, zoals de heilige Jozefmaria adviseert: “God is een Vader vol tederheid, vervuld van oneindige liefde. Noem Hem door de dag vaak ‘Vader’ en zeg Hem —tussen Hem en u alleen, in uw hart— dat u Hem bemint, dat u Hem aanbidt: dat u zich trots en sterk voelt nu u zijn kind bent.” [12]

In het Onze Vader bidden we: "Uw naam worde geheiligd." De term 'heiligen' moet hier worden begrepen in de zin van "erkennen als heilig, op een heilige manier ermee omgaan" (Catechismus, 2807). Dit is wat wij doen wanneer wij God aanbidden, loven of danken. Maar de woorden 'Uw naam worde geheiligd' zijn ook een van de smeekbeden uit het Onze Vader: door deze uit te spreken, vragen we dat zijn naam door ons geheiligd mag worden. Dat wil zeggen: dat wij door ons leven Hem eer bewijzen en anderen ertoe brengen Hem te verheerlijken (vlg. Mt. 5,16). “Of zijn naam al dan niet bij alle volkeren geheiligd wordt, hangt af van ons leven en, onlosmakelijk daarmee verbonden, van ons gebed” (Catechismus, 2814).

Het respect voor de naam van God vereist ook respect voor de naam van de Heilige Maagd Maria, van de heiligen en van de heilige werkelijkheden waarin God op de een of andere manier aanwezig is. Dit omvat op de eerste plaats de Heilige Eucharistie, die de werkelijke tegenwoordigheid is van Jezus Christus, de tweede Persoon van de Allerheiligste Drie-eenheid, in ons midden.

Het tweede gebod verbiedt elk ongepast gebruik van Gods naam en in het bijzonder godslastering: "Godslastering is rechtstreeks in strijd met het tweede gebod. Men spreekt van godslastering, wanneer iemand tegen God - inwendig of uitwendig - woorden van haat spreekt, Hem verwijten maakt, Hem uitdaagt, kwaad spreekt van God, in zijn woorden blijk geeft van een gebrek aan eerbied tegenover Hem, of de naam van God misbruikt (…) Het is eveneens godslasterlijk de naam van God te gebruiken om misdadige praktijken te verhullen, om volkeren te onderwerpen, om mensen te folteren of te doden (…) Godslastering is op zichzelf een zware zonde" (Catechismus, 2148).

Het tweede gebod verbiedt ook de meineed (vgl. Catechismus, 2150). Een eed doen of zweren is God tot getuige nemen van wat men beweert (bijvoorbeeld om een belofte te garanderen of een getuigenis te bekrachtigen). Het is geoorloofd om een eed af te leggen wanneer dat noodzakelijk is en wanneer dit gebeurt met waarheid en rechtvaardigheid: bijvoorbeeld in een rechtszaak of bij het aanvaarden van een ambt (vgl. Catechismus, 2154). Buiten dergelijke gevallen leert onze Heer ons om niet te zweren: "Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen'" (Mat. 5,37; vgl. Jak. 5,12; Catechismus, 2153).

De naam van de Christen

"De mens is het enige schepsel op aarde dat om zichzelf door God is gewild."[13] De mens is niet "iets" maar "iemand", een persoon. "Hij alleen is geroepen om door kennis en liefde te delen in het leven van God. Hij is met dit doel geschapen en dit is de diepste grond voor zijn waardigheid" (Catechismus, 356). In het doopsel ontvangt elke persoon een naam die zijn unieke, onherhaalbare aard voor God en voor anderen weergeeft (vgl. Catechismus, 2156, 2158). Dopen wordt ook wel "kerstenen" genoemd. De eigennaam van elke gedoopte persoon is ‘Christen’, volgeling van Christus: "Het was in Antiochië dat de leerlingen [zij die zich na de evangelisatie bekeerden] voor het eerst Christenen werden genoemd" (Hand. 11,26).

God roept ieder mens bij zijn naam (vgl. 1 Sam. 3,4-10; Jes. 43,1; Joh. 10,3; Hand. 9,4). Hij houdt van iedereen persoonlijk. Van eenieder verwacht Hij een antwoord van liefde: “U zult de HEER uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten.” Niemand kan ons vervangen in dat antwoord. De heilige Jozefmaria moedigt ons aan: "Overweeg nog eens in alle rust die goddelijke vermaning die de ziel vervult van onrust en, tegelijkertijd, de geneugten van suikerbrood en honing brengt: redemi te, et vocavi te nomine tuo: meus es tu (Jes. 43, 1); Ik heb u verlost, geroepen bij uw naam: gij zijt van Mij. Laten wij God niet ontstelen wat van Hem is. Een God die ons zozeer heeft liefgehad, dat Hij voor ons gestorven is, die ons van eeuwigheid, voor de schepping der wereld, uitverkoren heeft, opdat wij heiligen zullen zijn in zijn aanwezigheid (vgl. Ef. 1,4)." [14]


Basisbibliografie

Catechismus van de Katholieke Kerk, 203-213, 2064-2132, 2142-2195.

Benedictus XVI-Joseph Ratzinger, Jezus van Nazareth. Van de Doop in de Jordaan tot de gedaanteverandering (2007), hoofdstuk 5, 2.


Aanbevolen literatuur

Benedictus XVI, Deus Caritas est, 25 december 2005, 1-18.

Benedictus XVI, Spe Salvi, 30 november 2007.

Paus Franciscus, Lumen Fidei, 29 juni 2013.

Heilige Jozefmaria, Homilieën Een leven van geloof, De hoop van de christen, Met de kracht van de liefde, in: Vrienden van God, 190-237.

Heilige Jozefmaria, Homilie De omgang met God, in: Vrienden van God, 142-153.


[1] Heilige Jozefmaria, De Weg, 780.
[2] Ibid., 815. Vgl. ibid., 933.
[3] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, 87.
[4] Vgl. Heilige Jozefmaria, De Weg, 91.
[5] Heilige Jozefmaria, De Smidse, 263.
[6] Heilige Jozefmaria, De Weg, 81.
[7] Vgl. Ibid., 541.
[8] Ibid., 527. Vgl. Mat. 26,6-13.
[9] Vgl. Heilige Jozefmaria, De Smidse, 26.
[10] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, 36.
[11] Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 24.
[12] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, 150.
[13] Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 24.
[14] Heilige Jozefmaria, Vrienden van God, 312.