Surnumerairs: in de bloedsomloop van de maatschappij

Surnumerairs: de meest geziene gezichten van het Opus Dei.

Het is het jaar 61 na Christus. Er zijn nauwelijks dertig jaar verstreken sinds Jezus’ hemelvaart, nadat Hij zijn leerlingen de duizelingwekkende zending toevertrouwd had om de vreugde van het Evangelie te brengen tot in de laatste uithoek van de aarde. Na vele avonturen is Paulus eindelijk in Rome aangekomen, waar hij ontvangen wordt door de beginnende christelijke gemeenschap. “Volle twee jaar vertoefde hij in een eigen huurwoning en ontving allen die bij hem kwamen. Hij predikte het Rijk Gods en gaf onderricht in de leer over de Heer Jezus Christus in alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering.” (Hand. 28, 30-31). Met die woorden eindigt het boek Handelingen der Apostelen. Het zou fijn geweest zijn als Lukas zijn relaas zou voortgezet hebben en ons de avonturen vertellen van die eerste jaren van uitbreiding van de jonge Kerk. Maar we begrijpen dat de evangelist reeds twee grote heldendaden verricht had: het beschikbaar materiaal over het leven van Jezus met inbegrip van zijn kindheid zoeken en ordenen; en hetzelfde doen met de wapenfeiten van enkele van de eerste apostelen. Bovendien, ook al had Lukas willen verder schrijven, hoe zou de geschiedenis van de Kerk verteld kunnen worden vanaf dat moment?

Zoals de eerste christenen

Het leven van enkele personen volgen en verhalen is een haalbare onderneming. Maar de uitbreiding die het christelijk geloof ervaart in de volgende decennia tot het alle “steden, eilanden, neder­zettingen, steden, dorpjes, het leger, het paleis, de senaat, het forum”[1] vervult… Wie kan zo’n geschiedenis vertellen? Midden in de tweede eeuw kan Justinus schrijven dat “er geen mensenras is, of ze nu barbaren of Grieken heten, of met willekeurige andere namen onder hen, dat omwille van de naam van de gekruisigde Jezus geen gebeden en dankgebeden aan de Vader aanbiedt”[2]. Hoe dit proces vertellen? Het zou nodig zijn het leven te verhalen van ieder van dat oneindig aantal gewone mensen, die het geloof in Jezus Christus belichaamden en het verspreidden in hun omgeving, een voor een, tot het doorgeven aan de volgende generatie, en zo een lange keten vormend die tot bij ons komt.

Al met al kunnen wij ons een zeker idee vormen van die stille revolutie dankzij de brieven in het Nieuwe Testament, de geschriften van de Kerkvaders, de heiligenlevens van de martelaren en de berichten die niet-christelijke auteurs van die periode schreven. Al dat materiaal laat ons toe enig idee te krijgen van het dagelijks avontuur van die eerste gemeenschappen, zo lijkend op de onze. In hen vermengden het geloof de hoop en de naastenliefde zich met lafheden, verraad en ontmoediging; heldhaftigheid met kleinzieligheid, heiligheid met zonde. Het zijn de draden van die geschiedenissen die de barmhartigheid van God gebruikt om het leven van de Kerk te gaan verweven. “In zijn genialiteit en barmhartigheid neemt Hij onze triomfen en mislukkingen en weeft prachtige wandtapijten”[3]

Alleen God kan de tel bijhouden van deze geschiedenis “want Hij wist zelf wat in de mens stak” (Joh. 2,25). Wij kunnen Hem toespreken met de woorden van de psalmist: “Gij zijt die mijn kern hebt gevormd, die mij weefde in de schoot van mijn moeder (…). Toen ik in het verborgene gevormd werd, als in diepten der aarde ontworpen. Uw oog zag mij, vormeloos nog, in uw boek waren alle geschreven de dagen van deze vorming” (Ps. 139,13-16). Wanneer wij in zijn aanwezigheid zullen zijn en eindelijk dit grote geschiedenisboek kunnen lezen dat God aan het schrijven is, zullen we ons verwonderen over de levens van zoveel heilige mensen die de Heilige Geest hebben laten werken in hun leven. Om dit verlangen te kanaliseren om de vreugde van het Evangelie aan allen te brengen, zei de heilige Jozefmaria op een keer: “Ik heb geen ander recept om doeltreffend te zijn dan dat van de eerste christenen (…). In het geestelijk leven hebben wij dezelfde middelen. Er is geen mogelijkheid vooruit te lopen. Hetzelfde recept: persoonlijke heiligheid!”[4]

De “ware geschiedenis” van het Werk

In dit relaas van trouw aan God te midden van persoonlijke zwakheden, voegt zich - omdat God het wil – het Opus Dei in dat “een deeltje van de Kerk is”[5]. Daarom botsen diegenen, die de geschiedenis van het Werk trachten te vertellen, op dezelfde moeilijkheid. “Met het Opus Dei gebeurt hetzelfde als met een ijsberg. Vaak ziet men het topje, bij wijze van spreken, een institutioneel, corporatief aspect of de actie van een individu met een publieke functie; de basis daarentegen ziet men niet: de overgrote meerderheid mensen die een gewoon leven leiden (…). Gewone mannen en vrouwen, het gros, die niet opgemerkt worden geen nieuws zijn: familieleden, collega’s en buren die een gewoon leven leiden en de evangeliserende missie van de Kerk realiseren op zowel capillaire als onopgemerkte wijze (…). De apostolische activiteit van die personen overtreft gelijk welke lijst van initiatieven en is onverwoordbaar, een echte “oeverloze zee” die verwijst naar de overdracht van het geloof onder de eerste christenen.

“Het gaat om de vriendschap, om ‘schouder aan schouder’, om vertrouwelijkheid tussen twee vrienden die elkaar waarderen en hun dromen, projecten en verdriet op het werk delen, in het dorpscafé na het werk op het veld, in een tv-programma met een maaltijd, na een partij padel, samen met andere ouders wachten tot de kinderen van school komen, aan de bushalte, in de ziekenzaal van de kliniek gedurende enkele minuten rust… In het brede panorama van onderlinge omgang, onthult een vriend aan een ander de grootsheid en de vreugde zich kind van God en broer van andere mensen te weten”[6]. In die vriendschappelijke ontmoetingen, een-op-een, op onverwachte plaatsen en momenten, wordt de ware geschiedenis van het Werk geschreven. De strijd om heiligheid in de meest uiteenlopende omstandigheden is het kenmerk van iedereen die geroepen is tot het Opus Dei, ongeacht het specifiek karakter van zijn roeping, maar misschien op bijzondere wijze in het leven van surnumerairs. Zij vormen “het grootste deel van de gelovigen van het Opus Dei”[7], daarom dat zij het meest voorkomende gezicht ervan zijn: zij tonen een grote “mobilisatie van heiligheid”[8] in de wereld, ondersteund en gestimuleerd door de andere gelovigen van deze familie.

In de eerste jaren bestond de meerderheid uit numerairs, onder meer omdat de heilige Jozefmaria moest kunnen steunen op mensen met de specifieke zending zich beschikbaar te stellen om samen met hem de vlam van het Werk te ontsteken en brandend te houden door vorming en leiding te geven. Op die manier kon het Opus Dei zijn eerste stappen zetten over heel de wereld, terwijl het een weg opende, door God gewild, voor een grote menigte mensen van alle omstandigheden. Terzelfdertijd herkende de heilige Jozefmaria vanaf het begin in vele mensen die bij hem kwamen de roeping tot het huwelijk. Ook voor hen had hij dezelfde boodschap van heiligheid. Wat een grote vreugde voelde hij daarom toen hij de deur naar het Werk kon openen voor de eerste surnumerairs! Zij waren er al sinds de stichting, maar er was nog geen juridische weg om ze op te vangen in een instelling van de Kerk, even belangrijk als de andere leden.

De heilige Jozefmaria hield nooit op de boodschap van het Opus Dei door te geven aan mensen die niet geroepen waren tot het celibaat. Totdat hij tenslotte de oplossing vond tijdens een reis naar Milaan in januari 1948. Bij zijn terugkeer Rome schreef hij enthousiast: “Er zijn grote en mooie verrassingen. Hoe goed is de Heer! (…) Voor het Werk opent zich een immens apostolisch panorama (…). Hoe breed en hoe diep is de weg die zich aanbiedt!”[9] Zo werd het vurig verlangen, dat de Heer op 2 oktober 1928 uitte, werkelijkheid: dat veel mensen, onder alle omstandigheden, ook mensen die de weg van het huwelijk gaan of willen gaan, de uitnodiging van God om zich te heiligen te midden van de wereld en die met zijn licht te vervullen, zouden ontvangen terwijl ze de geest van het Opus Dei belichamen.

Het Opus Dei is iedere persoon van het Opus Dei

“Onder de surnumerairs – schreef de heilige Jozefmaria enkele jaren na het ontvangen van de eerste drie – is er de hele scala van sociale omstandigheden, beroepen en functies. Alle omstandigheden en situaties van het leven zijn geheiligd door die kinderen van mij, mannen en vrouwen, die zich, binnen hun staat en hun situatie in de wereld, toeleggen op het zoeken van de christelijke volmaaktheid met de volheid van hun roeping”[10]. Alomvattende roeping: dat is wat de stichter van het begin klaar zag. Iedere surnumerair is geroepen tot bereid zijn om ieder moment van zijn leven – de familie, het werk, ontspanning, sociaal leven – werk van God te zijn; hij/zij is geroepen om God in alle dingen te beschouwen en met durf zijn roeping te beantwoorden, “gekker van Hem dan Maria Magdalena, dan Teresia van Avila, en dan de kleine Teresia, meer weg van Hem dan Augustinus, dan Dominicus en Franciscus, dan Ignatius en Xaverius”[11]. De heiligheid waartoe de gelovigen van het Werk geroepen zijn, of ze nu celibatair of gehuwd zijn, is dezelfde als die van die grote heiligen; Iedereen wordt uitgenodigd om de alomvattende roeping tot het Opus Dei te beleven, niet slechts een deel. Daarom moeten alle surnumerairs zich de woorden van de zalige Guadalupe eigen maken: “Het Werk ben ikzelf en ik zou niet meer anders kunnen zijn. Welke vreugde geeft het mij dit zo duidelijk en altijd, sinds de eerste dag en steeds meer, te voelen!”[12].

Deze vreugdevolle realiteit belicht in gelijke mate het avontuur en de verantwoordelijkheid van de surnumerairs: op dezelfde manier waarop die arbeiders in Jezus’ parabel van de talenten de goederen van zijn heer ontving opdat hij daarmee zou handelen (cf. Mt 25,14), hebben diegenen die deze roeping kregen een geschenk van God voor de wereld in hun handen. Ze zijn geen medewerkers van een werk dat anderen doen. “Dit zou ieder enthousiast moeten maken en bemoedigen om zich geheel te geven, om te groeien naar het unieke en eenmalige plan dat God vanaf alle eeuwigheid voor hem of haar heeft gewild”[13]. De Prelaat van het Opus Dei benadrukte in zijn brief over de roeping tot het Werk dat de roeping tot surnumerairs “zich niet beperkt tot het beleven van enkele vrome gewoonten, vormingsmiddelen volgen en deelnemen aan een of andere apostolische activiteit, maar dat het jullie hele leven omvat, omdat alles in jullie leven een ontmoeting met God en apostolaat kan zijn. Lid zijn van het Opus Dei betekent dat we het Opus Dei verwezenlijken in ons eigen leven en dat we er, in de gemeenschap van de heiligen, aan bijdragen om het wereldwijd te verwezenlijken. Of, zoals onze stichter het in beeldende woorden uitdrukte: het Opus Dei maken door zelf Opus Dei te zijn”[14].

Dat kan je bijvoorbeeld zien in het leven van Aurora Nieto, de eerste vrouw die als surnumerair bij het Werk kwam. Zij was “een jonge weduwe met drie kleine kinderen, die in Salamanca woonde. Zij had voor leraar gestudeerd en ze had meer dan een baan om haar familie groot te brengen (…) Ze koesterde een stil verlangen (…) om apostolaat te doen met jongeren, met studenten aan de universiteit, midden in de wereld (…). Zij vreesde dat haar familiale en economische verplichtingen het onmogelijk zouden maken, maar de heilige Jozefmaria verzekerde haar dat er [in het Opus Dei] plaats was voor haar”[15]. In gesprek met haar vriendin numerair vertelde Aurora haar ontmoeting met de stichter zo: “Hij vertelde mij op welke wijze ik, van thuis uit en zonder mijn kinderen te verwaarlozen, zou kunnen toegelaten worden en deel uitmaken van het Werk. Het is ongelooflijk! en hoewel het idee ver van jullie en buiten de centra te zijn, mij wat verdrietig en zelfs een beetje bang maakt dat ik mij niet goed aanpas aan de bijzondere geest die de Vader verlangt, maar ik vertrouw erop dat hij het weet en daarin geen bezwaar gezien heeft”[16].

De heilige Jozefmaria zag geen bezwaar omdat de geest van het Opus Dei er juist in bestaat de wereld te verlevendigen,buiten de huizen, om de Kerk te dienen in de straten, in het huis van elkeen, in de sociale bijeenkomsten, op het werk… “Ik bevestig nogmaals dat de roeping tot het Opus Dei een contemplatieve roeping is, van zielen die midden op straat zijn uit liefde voor Christus, terwijl ze van de straat een kloostercel maken, maar in een voortdurende dialoog”[17]. Vanaf de eerste ogenblikken van haar roeping begreep Aurora dat “het Opus Dei op haar aangewezen was in Salamanca”[18].

De familie en de sociale structuren

De heilige Jozefmaria verheugde zich zeer over de eerste ontmoeting van surnumerairs, zodat hij die van zeer nabij volgde. Hij nam eraan deel en besteedde veel tijd aan de prediking en hij sprak met elk van de deelnemers, bij wie die dagen ingeprent bleven. Hij sprak hen keer op keer over de geest van het Opus Dei, terwijl hij duidelijk maakte dat de Heer ieder van hen riep om hun leven te leiden met dezelfde volheid als hun stichter deed. Een van de deelnemers, Angel Santos, herinnerde zich dat de boodschap was “de wereld heiligen van binnenuit met de middelen van ons innerlijk leven en het vervullen van onze gewone plichten als christenen, op natuurlijke wijze contemplatief zijn te midden van onze dagelijkse beslommeringen; apostolaat van vertrouwen doen, (…) onze huizen in een vreugdevolle en lichtende thuis omvormen. En alles met strikt individuele verantwoordelijkheid –zonder representatieve ambities, zonder klerikale tendensen – karakteristiek voor een volwassen lekenstand”[19].

Bijzonder de opdracht zout en gist te zijn is een toonbeeld hoe de surnumerairs zich verspreiden in de wereld om, terwijl ze een zijn met de massa zonder zich te onderscheiden, smaak en consistentie geven. De heilige Jozefmaria zag het Opus Dei als een “intraveneuze injectie in de bloedsomloop van de samenleving”[20]. Op die manier, terwijl het hetzelfde bloed heeft als de wereld, zou zijn opdracht erin bestaan de sociale structuren te vullen met de geest van het Evangelie; van deze wereld een beter oord te maken, ieder vanop zijn klein of groot gebied. Vermits het werk de activiteit is waaraan een surnumerair een groot deel van zijn tijd besteedt, is het logisch dat een groot deel van zijn verlangens gaat naar zoveel mogelijk goeds te brengen naar dat beroep, het te vervullen met de actualiteit van Jezus Christus, God te ontmoeten in die dienst die met de grootst mogelijke zorg verricht wordt. Daarom zal het gewoon zijn dat zij vooroplopen in hun vakgebied, veel omgaan met de toekomst, voortgestuwd door de creativiteit van de Heilige Geest.

Terzelfdertijd zal voor de surnumerairs die de roeping tot het huwelijk ontvingen, hun familie, met of zonder kinderen, het hart zijn, dat nieuw bloed pompt, het eerste terrein om de droom heilig te zijn te ontplooien. “De roeping tot het Werk als surnumerair ontwikkelt zich in de eerste plaats in de gezinsomgeving (…). Dat is wat jullie de samenleving meegeven”[21] herinnert de Prelaat van het Opus Dei. Tussen de vele wegen die we inslaan in het leven, benadrukte de heilige Johannes Paulus II dat “de familie de eerste en de belangrijkste” is [22]. Een groot deel van de toekomst van de maatschappij wordt gesmeed in de vorming die we gekregen hebben gedurende die jaren van samenleven in familie, zowel wat de opvoeding in het geloof betreft, als de ontwikkeling van de deugden die noodzakelijk zijn om een persoon te zijn die bijdraagt aan het welzijn van iedereen. Het gaat om de kern waarin de veranderingen van de toekomst op alle vlakken kiemen: op de werkvloer, in de mede­verantwoordelijkheid thuis, in de zorg voor de zwaksten, in het onderwijs, enz. Deze dienst, hoewel discreet, is misschien degene met de grootste sociale impact. “De familie is de plaats van samenkomst, van delen, van uit zichzelf treden om de anderen te verwelkomen en dicht bij hen te zijn. Het is de eerste plaats waar men leert beminnen”[23]

“Daarnaast zijn jullie geroepen om een goede invloed te hebben op andere gezinnen. – ging Mgr. Fernando Ocariz verder toen hij sprak over de roeping van de surnumerairs - . In het bijzonder door ze te helpen om een christelijk gezinsleven te hebben en de jongeren voor te bereiden op het huwelijk, zodat veel jonge mensen de ambitie opvatten en de bagage meekrijgen om nieuwe christelijke gezinnen te vormen, waaruit ook de vele roepingen tot het apostolisch celibaat die God wil kunnen voortvloeien. Ook de ongetrouwden, de weduwen en weduwnaars – en vanzelfsprekend ook kinderloze echtparen – kunnen in het gezin een eerste apostolaat zien, want jullie zullen altijd op de ene of de andere manier een familieomgeving hebben waar jullie voor kunnen zorgen”[24].

***

De roeping van surnumerair is een uiting van de volwassenheid van de lekenstand, van wie het uur met bijzondere kracht geslagen heeft in de Kerk in de afgelopen eeuw . Toen de heilige Jozefmaria en de zalige Alvaro in Rome aankwamen om een juridische weg te zoeken voor het Werk, kregen ze te horen dat ze een eeuw te vroeg kwamen, speciaal toen ze de roeping van de surnumerairs ter sprake brachten. Sindsdien is er veel voortuitgang geboekt wat betreft het begrip van de roeping van de leek, maar dit wonder belichamen blijft een uitdaging, een begeesterende opdracht. De roeping tot het Opus Dei is een heel grote genade van God om bij te dragen aan deze opdracht in de Kerk, zoals blijkt uit de levens van zoveel surnumeraire gelovigen van het Werk. Van sommigen onder hen is het proces begonnen om de heiligheid van hun leven te erkennen; van de overgrote meerderheid zal dat hoogstwaarschijnlijk niet beginnen, maar geen enkel gebaar van die dagelijkse trouw aan Gods liefde ontgaat onze Vader in de hemel. Het zijn heldendaden die nergens beschreven zullen zijn, maar wel in het enige boek dat telt, dat wat God schrijft en waaruit niemand ze kan wissen. En diegenen die er getuige van zijn zullen de Heer elke dag bedanken zoals wij doen “voor de trouw van zoveel vrouwen en mannen die ons op onze weg zijn voorgegaan en die ons een kostbaar getuigenis hebben nagelaten”[25]


[1] Tertullianus, Apologeticum, 37.

[2] Heilige Justinus; Dialogus cum Thryphone, 117.

[3] Paus Franciscus, Christus vivit, nr. 198.

[4] Heilige Jozefmaria, Nota’s van de mondelinge prediking, 29-II-1964.

[5] Mgr. Fernando Ocariz, Herderlijke brief, 14-II-2017, nr. 31

[6] José Luis Gonzalez Gullon – John F. Coverdale, Historia del Opus Dei, Madrid, Rialp 2021, p. 594-595.

[7] Mgr. Fernando ocariz, Herderlijke brief, 28-X-2020, nr.23.

[8] Cf. heilige Jozefmaria, De Voor, nr.962.

[9] Heilige Jozefmaria, Cartas [Brieven] 18-I-1948, 29-I-1948 en 4-II-1948. Geciteerd in Luis Cano, “Los primeros supernumerarios del Opus Dei”,Studia et Documenta, vol. 12, 2018, p. 256-257.

[10] Heilige Jozefmaria, Cartas 29, nr. 10.

[11] Heilige Jozefmaria, De Weg, nr. 402.

[12] Zalige Guadalupe Ortiz de Landazuri, Brief 28-V-1959 in Letras a un santo, 2018, p. 112.

[13] Paus Franciscus, Gaudete et exsultate, nr. 13.

[14] Mgr. Fernando Ocariz, Brief van 28-X-2020, nr. 25.

[15] Inmaculada Alva – Mercedes Montero, El hecho inesperado, Rialp, Madrid 2021, p. 194-195

[16] Ibidem, p. 195.

[17] Heilige Jozefmaria, Homilie, 26-X-1960.

[18] Inmaculada Alva – Mercedes Montero; El hecho inesperado, p 195.

[19] Luis Cano, “Los primeros supernumerarios del Opus Dei”, pg. 274.

[20] Heilige Jozefmaria, Instruccion acerca del espiritu sobrenatural de la Obra, nr.42.

[21] Mgr. Fernando Ocariz, Brief 28 – X- 2020, nr. 24.

[22] Heilige Johannes Paulus II, Brief aan de families, 2-II-1994.

[23] Paus Franciscus, Homelie 25-VI-2022.

[24] Mgr. Fernando Ocariz, Brief 28-X-2020, nr. 24.

[25] Mgr. Fernando Ocariz, Brief 19-III-2022, nr. 5.

Santiago Vigo en David Bastidas