Als we de geschiedenis van de mensheid beschouwen, kan de ontwikkeling van arbeid door de eeuwen ons verrassen. Nog maar 12.000 jaar geleden begonnen onze voorouders, die zich voorheen bezighielden met jagen en verzamelen, het land te bewerken. De veeteelt verbeterde geleidelijk en werd steeds productiever. De ontwikkeling van gereedschappen, aanvankelijk vrij eenvoudig en daarna steeds complexer, veranderde vakwerk, de landbouw, de bouw en de textielproductie. Energie, die aanvankelijk afhankelijk was van natuurlijke bronnen en de kracht van dieren of mensen zelf, werd aan het einde van de 18e eeuw vervangen door stoommachines en later door verbrandingsmotoren en straalaandrijvingen. De vooruitgang van de wetenschap maakte de ontdekking en het gebruik van elektriciteit, de overdracht van elektromagnetische golven en de beheersing van kernenergie mogelijk. In de loop van de 20e eeuw werd technologie op grote schaal geïntegreerd in allerlei werkgebieden. In de afgelopen decennia werd informatieverwerking en machinebesturing vergemakkelijkt door de komst van microprocessors. De manier waarop we bouwen, reizen, communiceren, onderwijzen en leren is veranderd. Onze manier van werken is veranderd en zal blijven veranderen.
Is er sprake van een stabiele factor te midden van deze voortdurende ontwikkelingen? Wat definieert, vanuit antropologisch perspectief, het door mensen verrichte werk, los van alle veranderingen? In tegenstelling tot andere levende wezens werken mensen niet uitsluitend om in hun basisbehoeften te voorzien, zoals overleven, voedsel of voortplanting. We kunnen ook toekomstplannen maken, de omgeving aanpassen aan onze essentiële behoeften, kunst maken en kennis doorgeven aan toekomstige generaties, waardoor vooruitgang mogelijk wordt. Uiteindelijk houdt werk ons in leven.
Toch, in de oudheid – zowel in de Grieks-Romeinse cultuur als in andere niet-bijbelse tradities – werd aan werk geen bijzondere waardigheid toegekend. Het werd eerder geassocieerd met dienstbaarheid, een menselijke toestand waar vermoeidheid en ondergeschiktheid bij horen. Ware voldoening in het leven vond men in vrije tijd, opgevat als een gelegenheid om zich bezig te houden met intellectuele genoegens, als filosofie, of verschillende vormen van afleiding en hedonisme. Misschien zou werk vanwege deze onderliggende houding, door sommige stromingen van christelijke ascese, in latere eeuwen gezien worden als louter een middel om bezig te blijven, haast als remedie tegen de gevaren van luiheid en dagdromen.
De moderne en hedendaagse filosofie heeft zich vaak beziggehouden met de relatie tussen mens en technologie, vaak schommelend tussen twee uitersten: enerzijds een optimistisch vertrouwen dat de geschiedenis tot steeds meer progressie voert, zelfs tot het punt waarop werk volledig wordt overgenomen door machines, en anderzijds een pessimisme dat vreest voor een catastrofale vernietiging van de mensheid en de planeet die haar in stand houdt, ten gevolge van een ongecontroleerde technisch-wetenschappelijke vooruitgang.
Algemeen bekend is, dat de theologie en het leergezag van de Kerk werk uitgebreid heeft beschouwd, met de nadruk op ethische en morele dimensies. Hieruit is de sociale leer van de Kerk voortgekomen. Over de geestelijke waarde van werk is echter veel minder ontwikkeld. Het is ongebruikelijk om auteurs of documenten te vinden die de dynamiek van werk in het christelijke geestelijke leven bespreken; werk als dialoog tussen God en de mens en als gelegenheid om het Evangelie en de opbouw van Gods Koninkrijk te verkondiging. Daarom wekt de prediking van de heilige Jozefmaria Escriva in onze tijd bijzondere belangstelling. De stichter van het Opus Dei leerde dat werk – en het dagelijks leven in het algemeen – een plaats is waar men God kan ontmoeten en waar het merendeel van de mensen heiligheid kunnen nastreven. Werk zorgt voor een netwerk aan relaties, wat het christelijk apostolaat kansen biedt. Het vormt de materie die we moeten heiligen om de samenleving christelijker, en dus, menselijker te maken. We kunnen zelfs spreken van een specifieke roeping tot heiligheid in en door het werk. De naderende honderdste verjaardag van de stichting van het Opus Dei (1928-2028) is een gelegenheid om de relevantie van deze boodschap te herontdekken en de bijdrage ervan aan de missie van de Kerk en het sociale leven te waarderen, in een wereld waar nieuwe vormen van werk het heden vormgeven en richting geven aan de toekomst.
Een zegen, geen straf
Wie kennis maakt met de boodschap van de stichter van het Opus Dei is vaak verrast door de nadruk die hij legt op de waardigheid van arbeid, hij bespreekt deze waardigheid in de context van de schepping, nog vóór de zonde van Adam:
“Omdat de arbeid —ik preek het sinds 1928— geen vervloeking en geen straf voor de zonde is. In Genesis wordt deze realiteit vermeld voordat Adam tegen God in opstand kwam (vgl. Gen 2, 15). In de plannen van God heeft de mens altijd moeten arbeiden, om zo mee te werken aan de grandioze taak van de schepping.” (Vrienden van God, nr. 81)
“Luister goed: deze verplichting is niet ontstaan als een gevolg van de erfzonde en kan ook niet teruggebracht worden tot een uitvinding van de moderne tijd. Het gaat om een onontbeerlijk middel dat God ons toevertrouwt hier op aarde. Zo verlengt Hij onze dagen en maakt Hij ons deelgenoot van zijn scheppende macht, zodat we in ons levensonderhoud kunnen voorzien en tegelijkertijd plukken van de vruchten tot eeuwig leven (Joh 4, 36): de mens komt ter wereld om te werken, de vogel om te vliegen (Job 5, 7)." (Vrienden van God, nr. 57)
“Werken is de oorspronkelijke roeping van de mens, het is een zegen van God en degenen die het als een straf beschouwen vergissen zich jammerlijk. De Heer, de beste van alle vaders, plaatste de eerste mens in het paradijs ut operaretur - opdat hij zou werken.” (De Voor, nr. 482).
Als we de betekenis en waarde van werk willen begrijpen, moeten we uitgaan van het beeld van God dat in ieder mens is ingeprent, en niet van de zonde en de gevolgen daarvan. Het herwaarderen van de oorspronkelijke waardigheid van arbeid vormt de missie van de nieuwe organisatie die de heilige Jozefmaría zich geroepen wist op te richten in de Kerk:
“Zeker, mijn dochters en zonen, door naar het Opus Dei te komen en op deze manier te handelen, doen we niets anders dan in herinnering brengen dat God wil dat we van ons werk houden. Wanneer de Schrift vertelt over de schepping van de eerste mens, staat er: ‘Toen bracht Jahwe God de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te beheren.’ (Gen 2:15) Werk is na de zonde nog steeds hetzelfde, maar nu – vanwege die zonde – verbonden met pijn en vermoeidheid: In het zweet zult ge werken voor uw brood.’ (Gen. 3:19) Werk is geen toevallige bijkomstigheid. Het is een levenswet van de mens.” (Brief 14, nr. 3)
In feite gaat het erom ons iets te 'herinneren' wat door bepaalde interpretaties van Genesis mogelijk over het hoofd is gezien: werk is geen straf, maar een zegen. God gaf onze eerste ouders geen simpele opdracht of slavenarbeid. Hij gaf hen een échte zegen: 'God zegende hen, en God sprak tot hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, de vogels van de lucht en over al het gedierte dat over de grond kruipt.' (Gen 1:28). Niets staat verder af van de bijbelse geest dan werk als een vloek te beschouwen. Mannen en vrouwen zijn, ook na Adams zonde, nog steeds ‘rentmeesters’ en ‘bewakers’ van de aarde, zoals de Schepper het bedoeld heeft, hoewel hun werk nu inspanning vergt en vaak kwetsbaar en onzeker is. Hoewel zij blootstaan aan het risico van de zonde, zoals het verhaal van de toren van Babel (cf. Gen 11:1-9) ons laat zien, kunnen mensen ook God aanbidden door hun zorgvuldig, ijverig werk: zij richten altaren op, vervaardigen de ark van het verbond en bouwen de tempel van Jeruzalem.
Zolang er mensen op aarde zijn
De eigenheid van arbeid als existentiële dimensie die ieder menselijk leven vergezelt, evenals de verscheidenheid aan vormen waarin menselijke activiteit tot uitdrukking komt, bracht de heilige Jozefmaría ertoe twee centrale overwegingen te formuleren. De eerste is dat de roeping tot heiligheid in de wereld, waartoe God elk lid van het Opus Dei roept, de professionele en menselijke roeping moet omvatten die ieder van hen reeds uitoefent of zich daarop voorbereidt:
“Wees ervan overtuigd, dat de roeping tot een beroep wezenlijk en onscheidbaar deel uitmaakt van ons christen-zijn. De Heer wil dat u heilig bent op de plaats die u inneemt, in het beroep dat u gekozen hebt, om welke reden dan ook. Ik acht ze allemaal goed en eerbaar —voor zover ze tenminste niet in strijd zijn met de wet van God— en geschikt om tot een bovennatuurlijk plan te verheffen, dat wil zeggen ingebed in die stroom van Liefde die het leven van een kind van God bepaalt.” (Vrienden van God, nr. 60).
Ten tweede impliceert de enorme rijkdom en verscheidenheid aan vormen van werk en dagelijkse omstandigheden dat de roeping tot heiligheid in en door werk, bijna als vanzelf, een universeel karakter krijgt.
Het pad dat de nieuwe organisatie uitstippelt, is bedoeld om tot het einde der tijden voort te bestaan, omdat er, zoals de heilige Jozefmaría schrijft, altijd werkende mannen en vrouwen zullen zijn: "Het Werk zal bestaan zolang er mannen en vrouwen op aarde zijn". (Brief 3, nr. 92)
De universaliteit van de roeping tot heiligheid is ongetwijfeld gegrondvest in het sacrament van het doopsel, niet in werk. Het is het doopsel dat gelovigen met Jezus Christus gelijkvormig maakt en hen uitnodigt om zich een leven lang ten volle met Hem te identificeren. Alle leden van het volk van God – gewijde bedienaren en leken, religieuzen en gewijde personen, mannen en vrouwen, gezonden en zieken – zijn geroepen om te streven naar christelijke volmaaktheid.
Het feit dat de stichter van het Opus Dei had gezien dat heiligheid kan worden nagestreefd in de uitoefening van arbeid en in het gewone leven (cf. Brief 3, nr. 2) stelde hem in staat om te laten zien dat deze heiligheid in de praktijk voor iedereen – universeel – toegankelijk is. Op deze manier, zo stelde hij, werden de goddelijke wegen op aarde ontsloten (cf. Christus gaat voorbij, nr. 21; Vrienden van God, nr. 314), aangezien alle werk en dagelijkse activiteiten kunnen uitgroeien tot een plaats van ontmoeting met God (cf. Vrienden van God, nrs 149, 208).
Deze twee volgende teksten zijn bijzonder veelzeggend:
“Ga, mijn kinderen, naar alle uithoeken van de aarde. Overal waar een integer mens kan leven, daar vinden we lucht om te ademen. Daar moeten we zijn, met onze vreugde, innerlijke vrede en enthousiasme om zielen tot Christus te brengen. Op welke plaatsen? Waar de intellectuelen zijn? Ja, waar de intellectuelen zijn. Waar de arbeiders zijn? Ja, waar de arbeiders zijn. En welke van deze taken is de beste? Ik herhaal wat ik jullie al eerder heb gezegd: het werk dat met de meeste liefde voor God wordt gedaan, is van grotere waarde. Wanneer je werkt en je vriend, collega of buurman zodanig helpt dat zij het niet merken, genees je hen; dan ben je Christus die geneest; dan ben je Christus die zonder schroom of afkeer leeft, samen met hen die genezing nodig hebben, zoals ieder van ons op elk moment nodig kan hebben.” (Bijeenkomst in het Coliseum Theater, Buenos Aires, 23-VI-1974)
“Denk je dat het van dwaasheid getuigt om te beweren dat we, midden in de wereld, heilig kunnen en moeten zijn? Of we nu ijscoman, restaurantmedewerker, bankdirecteur, professor, boer of portier zijn? Allemaal zijn we geroepen tot heiligheid!” (Bijeenkomst in São Paulo, 30-V-1974, geciteerd in S. Bernal, Msgr. Jozefmaría Escrivá de Balaguer; A Profile of the Founder of Opus Dei, Scepter, Londen 1977).
Beide teksten, vooral de tweede, ontwikkelen het universele karakter van de roeping tot heiligheid door rechtstreeks te verwijzen naar een verscheidenheid aan activiteiten, beroepen en ambachten. Als iedere vorm van eerlijk werk geheiligd kan worden en een plaats van ontmoeting met God kan zijn, dan is de roeping tot heiligheid even universeel als alomvattend, omdat zij tot uiting komt in de talloze facetten van de werkende wereld, uitgevoerd door mannen en vrouwen van alle tijden.
De overtuiging van de heilige Jozefmaria dat de stichting van de nieuwe organisatie, iets waartoe hij zich geroepen voelde, de tand des tijds zou doorstaan, was gebaseerd op een eenvoudige maar diepgaande zekerheid: aangezien werken de natuurlijke toestand van de mens is, zal de heiliging van het werk ten alle tijde mogelijk zijn. Het zal altijd mogelijk zijn om in de omstandigheden van het alledaagse bestaan in de aanwezigheid van God te leven en lief te hebben.
Hij stelt geen voor leken aangepaste weg voor, die bij andere vormen van christelijk getuigenis die, op grond van een specifieke wijding of canonieke geloften, een totale toewijding aan contemplatief gebed en verschillende vormen van afzondering van de wereld vereisen. De heilige Jozefmaria wist dat hij zich richtte tot mensen, ondergedompeld in wereldlijke activiteiten. Ook zij kunnen een hoge mate van intens gebedsleven en eenheid met God bereiken. Dit blijkt bijvoorbeeld door het herhaaldelijk gebruik van het bijvoeglijk naamwoord ‘contemplatief’ en de uitdrukking ‘contemplatieve zielen midden van de wereld’ (cf. De Voor, nr. 497; De Smidse, nrs 738, 740), als verwijzing naar het gewone leven van werkenden. Arbeiders, moeders, wetenschappelijk onderzoekers en kunstenaars kunnen dezelfde diepte van gebed bereiken als een contemplatieve religieus die een uit de wereld onttrokken levenswijze aanneemt:
Door zijn Werk in de huidige tijd tot stand te brengen heeft onze Heer gewild dat deze waarheid nooit meer onbekend of vergeten zou raken: dat iedereen de plicht heeft zichzelf te heiligen, en dat de meerderheid van de christenen zichzelf in de wereld moet heiligen door middel van hun gewone werk. Daarom zal het Werk blijven bestaan zolang er mannen en vrouwen op aarde zijn. Het fenomeen zal voortbestaan dat mensen in elk beroep en elke bedrijfstak, heiligheid zoeken in hun staat, hun beroep of bedrijfstak, door contemplatieve zielen te zijn midden in de wereld.” (Brief 3, nr. 92)
Werk, een plaats van missie
Deskundige arbeidssociologen verwachten dat ongeveer een derde van de kinderen die in deze tijd in ontwikkelde landen worden geboren, banen zullen hebben die nu nog niet bestaan. De dynamiek van het sociale leven zal de komende jaren nieuwe beroepen creëren, nog voordat die kinderen de arbeidsmarkt betreden. Ondanks deze snelle veranderingen die onze tijd kenmerken, zijn wij ervan overtuigd dat de leer van de heilige Jozefmaría over de heiliging van de arbeid nog steeds volledig relevant is; ze heeft immers betrekking op de persoon die werkt, en niet op het specifieke soort werk dat hij doet.
Het geestelijke profiel dat door de stichter van het Opus Dei in zijn prediking is geschetst voor christenen die ondergedompeld zijn in de realiteiten van de wereld, biedt in feite duidelijke antwoorden op veel van de onzekerheden waarmee we vandaag de dag worden geconfronteerd.
In de hedendaagse wereld wordt werk vaak gezien als een obstakel dat mensen ervan weerhoudt tijd te besteden aan zichzelf, hun gezin of persoonlijke interesses. Het leven, het echte leven, lijkt pas te beginnen als de werkdag voorbij is. Karakteristiek voor deze visie is het contrast tussen weekdagen en het weekend: werkdagen worden doorstaan in afwachting van het weekend; de lange maanden van werken worden doorstaan vanwege de verlichting die vakanties bieden. Zelfs mensen die het christelijk geloof belijden, zijn geneigd te denken dat ze zich pas na het werk aan anderen kunnen wijden, aan apostolische initiatieven kunnen deelnemen, kunnen bidden en hun innerlijk leven kunnen cultiveren.
Hoewel deze perceptie een kern van waarheid bevat – zowel omdat werk tijd en energie vraagt die niet aan andere activiteiten kan worden besteed, als omdat veel werknemers in omstandigheden werken die de mens onwaardig zijn – is de impliciete conclusie dat het geestelijke leven, de relatie met God en de zorg voor anderen alleen buiten de werkomgeving tot bloei komen, in ruimtes die losstaan van het gewone leven. Steden lijken deze logica te versterken door hun inwoners ertoe aan te zetten alternatieve plaatsen te zoeken voor ontspanning, bezinning en zingeving.
In overeenstemming met het evangelie – Jezus predikte zowel in steden als op het platteland, werkte met zijn handen en was welbekend met de omstandigheden waarin mensen werk verrichten – bood de prediking van de heilige Jozefmaría een andere visie voor het leven. Hij onderwees eenheid van leven en de heiliging van alledaagse zaken: we vinden God in de uitoefening van onze dagelijkse activiteiten; werk staat het gebed niet alleen niet in de weg, maar kan zelfs tot gebed worden; het krijgt een plaats op het altaar, naast de Eucharistie. Christelijke inzet, apostolaat en de menselijke en geestelijke groei van de samenleving vinden vaak plaats door middel van werk.
Dit betekent niet dat deze doelstellingen niet ook buiten de context van het werk kunnen worden nagestreefd, zoals we allemaal uit eigen ervaring weten. Maar het zegt ons wel dat werk het leven of de missie van christenen niet in de weg staat. Integendeel, voor veel mensen is het de plek waar dat leven en die missie op natuurlijke wijze tot uiting komen en worden gevoed.
Veel van onze tijdgenoten zien werk als een spiegel waarin ze hun eigen beeld kunnen projecteren, waardoor professionele toewijding een vorm van zelfbevestiging wordt. Professionele prestaties worden een visitekaartje voor de wereld, een bewijs van eigenwaarde. Aan de andere kant maken mislukkingen niet alleen verdrietig, maar kunnen ze iemand zelfs buitenspel zetten.
Wanneer werk wordt gezien als de bevoorrechte ruimte voor persoonlijke zelfbevestiging, kunnen we het gemakkelijk gaan "aanbidden", zelfs tot het punt dat we bereid zijn onze tijd, gezondheid en interpersoonlijke relaties ervoor op te offeren. Op dat moment wordt werk, bewust of onbewust, een afgod. In werkelijkheid zijn wij zelf die afgod.
Zelfs technologische hulpmiddelen kunnen afgoden worden als ze niet gericht zijn op het dienen van anderen en het algemeen belang. Het is geen toeval dat een recent document van de Heilige Stoel, Antiqua et nova (2025), over kunstmatige intelligentie, juist voor dit risico waarschuwt. Het waarschuwt ons ervoor onze diepste verwachtingen (het verlangen naar relaties, zekerheden, veiligheid...) in deze technologieën te leggen, omdat dat hetzelfde zou zijn als ze tot technologisch idool te maken (cf. Antiqua et nova, nr. 105).
Verre van die idolate visie helpt een samenhangende kijk op werk, zoals het Evangelie voorstelt en de heilige Jozefmaría in onze tijd opnieuw wist te duiden en uit te dragen, ons om de ware orde van de doelen van het menselijk streven helder te houden: alleen God verheerlijken, onze naaste dienen en het welzijn van de samenleving bevorderen. Maar het betekent ook het kruisoffer aanvaarden, bovenal op God vertrouwen en niet op menselijke zekerheden.
De stichter van het Opus Dei spoorde ons aan om goed, bekwaam en professioneel te werken, oppervlakkigheid en ondoordachte oplossingen te vermijden, en benadrukte dat dit niet alleen een noodzakelijke voorwaarde was om ons werk als een welgevallig offer aan God aan te bieden, maar ook een transformerende kracht die veel van de kwalen van onze tijd kan genezen.
In een tijdperk waarin haast de overhand heeft op reflectie, brengt de obsessie met resultaten tegen elke prijs het professionalisme en het respect voor procedures en wetten in gevaar. Angst en emotie vervangen vaak een kalme en beredeneerde analyse van de dagelijkse realiteit. De oproep om goed werk te leveren – ook al kost dat tijd en moeite – is dus een uitnodiging van bovenaf. Vanuit dit perspectief krijgen succes en mislukking een nieuwe betekenis.
Competentie, professionaliteit en studie beschermen ons werk niet alleen tegen fouten, maar voorkomen ook schade aan anderen en verspilling van middelen. Mensen leren goed te werken is ongetwijfeld één van de grootste diensten aan de samenleving, maar óók aan de Kerk; die niet immuun is voor klerikalisme wanneer er een gebrek is aan vaardigheden of onvoldoende kennis van de werkelijkheid en de dynamiek van de wereld.
Ten slotte geeft het begrip van menselijk werk als deelname aan schepping en verlossing – een terugkerend idee in de geschriften van de heilige Jozefmaría – ons een diep evenwichtig beeld van vooruitgang. Zo erkennen we technologie als een legitieme uitdrukking van creativiteit en de spirituele dimensie van de mens, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God.
Vanuit dit perspectief kunnen technisch-wetenschappelijke vooruitgang en persoonlijke ontwikkeling niet als tegengestelde krachten worden gezien. Technologie en ethiek, wetenschap en wijsheid kunnen – en moeten – harmonieus samenwerken. Het christelijke leven weerspreekt het idee dat we ‘minder wetenschap en meer menselijkheid’ nodig hebben, want het is mede door wetenschap en kennis dat de mensheid groeit.
De autonomie en vrijheid waarmee de mannen en vrouwen in deze wereld richting geven aan de vooruitgang, zoals de heilige Jozefmaria zou zeggen, zijn niet absoluut, maar betrekkelijk; uitgeoefend als kinderen van God, zich bewust van hun roeping om te dienen. Regeren dienen in het Koninkrijk van Christus. Wanneer werk werkelijk wordt geïnspireerd door naastenliefde en een geest van dienstbaarheid, wordt wetenschappelijke vooruitgang echte menselijke vooruitgang.
Deze serie wordt gecoördineerd door professor Giuseppe Tanzella-Nitti, in samenwerking met medewerkers, waarvan enkele professor zijn aan de Pauselijke Universiteit van het Heilig Kruis (Rome).
