Mijn naam is Agnès. Ik ben opgegroeid in Nice en woon nu in Parijs. Ik ben advocaat en maak deel uit van het bestuur van het Opus Dei voor Frankrijk en België.
Via een vereniging waar ik vrijwilligerswerk voor doe nam ik afgelopen november deel aan het Jubileum van de armen dat Aux captifs, la libération (Aan de gevangenen, de bevrijding) heet. We reisden naar Rome met een groep die in de marge van de samenleving leven. Ik had nooit gedacht dat ik het Jubeljaar van de Hoop zó zou beleven.
Elke week trek ik er met twee andere vrijwilligers op uit voor een ‘ronde’ door het Bois de Boulogne - het grootste stadspark in west-Parijs - om tijd door te brengen met mensen die in de prostitutie verzeild zijn geraakt. De meesten van hen zijn transgender. Ik wist dat de organisatie bestond, maar had nooit gedacht dat het iets voor mij zou zijn. Ik wilde eigenlijk dichter bij mensen staan die op straat leven. De armoede om mij heen drukte al jaren op mijn hart en meer nog de manier waarop iedereen er gewoon aan voorbijkijkt. Eerlijk gezegd voelde ik me daar ongemakkelijk onder. Ik wilde niet een van die mensen zijn die zich er eenvoudigweg niet mee inlaten, maar ik had geen idee wat ik moest zeggen, of hoe. Ik wilde leren werkelijk aanwezig te zijn bij de mensen die ik elke dag passeer, in mijn straat, in de metro...
Ik klopte aan bij het kantoor van de organisatie, om de hoek van mijn appartement, en liep daar een oude bekende tegen het lijf, die me uitnodigde mee te gaan met de rondes door het Bois de Boulogne. Het bracht me van mijn stuk en ontroerde me tegelijk. Dit waren precies de mensen aan wie ik al jaren voorbijliep. Ik bad voor hen, maar het was werkelijk nooit bij me opgekomen om naar hen toe te gaan. Het deed me denken aan die passages uit het Evangelie waarin Jezus op de melaatsen toeloopt, op de mensen om wie ieder ander met een boog heen loopt en van wie men de blik afwendt. Eén vraag bleef echter knagen: zou ik dit eigenlijk wel kunnen?
Toen schoot me iets te binnen uit de voordracht ‘Het hart verruimen’, die de Vader hield tijdens de eerste BeDoCare-bijeenkomst in Rome. Het gaf mij net het duwtje in de rug dat ik nodig had: God vraagt niet van iedereen buitengewone dingen. Er ligt zoveel eenvoudigweg binnen handbereik. Naar mensen toegaan en hun iets brengen van de vreugde die ik in me draag... dát kan ik. Als numeraire van het Opus Dei probeer ik dat elke dag te doen: op mijn werk, onder vrienden, in familiekring. En mijn buurt hoort daar evengoed bij – de mensen die ik misschien maar één keer in mijn leven tegenkom. Dáár wacht de Heer op mij. Alles viel op zijn plek. Ik heb de sprong gewaagd.
Elke ontmoeting is anders, omdat ook ieder mens anders is. Op onbekenden afstappen betekent aanvaarden dat je niet weet hoe ze je zullen ontvangen. Soms willen ze niet praten, maar vaker wel dan niet wordt er iets uitgewisseld. Gaandeweg ga je elkaar herkennen, leer je elkaars naam kennen. Ze beginnen naar ons uit te kijken wanneer we komen. Zo ontstaat een vriendschap. De training die ik bij de organisatie heb gekregen, heeft me geleerd werkelijk te luisteren, mensen te nemen zoals ze zijn, zonder agenda en zonder vooronderstellingen. Ik hoef niets te bewijzen.
In de beginjaren van het Opus Dei deed de heilige Jozefmaria precies dit: hij ging naar de armen en de zieken in de ziekenhuizen van het Madrid van de jaren dertig en daar vond hij de kracht die hij nodig had om door te gaan. Die verbondenheid voel ik sterk. Deze ontmoetingen zijn een krachtige bron van bovennatuurlijke energie geworden voor mijn innerlijk leven en mijn apostolaat. Het is een druppel in de oceaan van de noden van deze wereld, zeker – maar een druppel met geestelijk gewicht.
Die dagen in Rome hebben ons veel dichter bij elkaar gebracht. Wat mij het meest trof, was hun honger naar iets diepers. Sommigen van hen zijn gedoopt, anderen niet. Eén vrouw vertelde me dat ze gedoopt wilde worden en wilde leren bidden. Ik liet haar de app Carpe Deum zien. Een ander verraste me volkomen in de bus: midden in de nacht begon ze zomaar te bidden, stil en langdurig. De volgende ochtend vertelde ze me dat ze elke nacht wakker wordt en dan twintig minuten voor haar familie bidt.
Vóór het Jubileum van de Armen had ik er bewust de tijd voor genomen om de eerste apostolische exhortatie van paus Leo XIV, Dilexi te, te lezen. Eén zin is me bijgebleven: dat geen enkel gebaar van tederheid, hoe klein ook, ooit vergeten zal worden – zeker niet wanneer het wordt betoond aan iemand die lijdt, alleen is of in nood verkeert. Alleen al iemands blik kruisen – iemand die je nog nooit hebt ontmoet – en ‘goedemorgen, hoe gaat het?’ zeggen, volstaat om iets menselijks tussen jullie te herstellen. Het kan net de vonk zijn die verhindert dat een kwijnend licht helemaal dooft. Dat is geen kleinigheid.
De paus benoemt vervolgens de vele gezichten van armoede: mensen die de middelen missen om in hun basisbehoeften te voorzien; mensen die uit de samenleving zijn gestoten, hun waardigheid zijn kwijtgeraakt en geen kans maken om zich te ontplooien; morele en geestelijke armoede; culturele armoede; de armoede van ieder die in een situatie van persoonlijke of maatschappelijke kwetsbaarheid verkeert.
Daaraan houd ik me vast. Ik verlang er zo naar dat niemand zich afgewezen of ongewenst voelt; dat ieder mens, op de een of andere manier, mag weten dat hij bemind wordt, dat hij er voor God en voor ons enorm toe doet. Ik hoop met alles wat in mij is dat deze vlam van hoop voor niemand dooft.