Thema 25: Christelijk Leven, Wet en Geweten

De eeuwige wet, natuurwet, Nieuwe Wet of Wet van Christus, menselijke politieke en kerkelijke wetten zijn allemaal zedelijke wetten, zeer verschillend van betekenis hoewel ze allemaal iets gemeen hebben. Voor de vorming van een oprecht geweten, moet het verstand verrijkt worden met de kennis van de waarheid – met behulp van het Leergezag van de Kerk – terwijl de wil en de emoties gevormd worden door de beoefening van de deugden.

Om zijn goedheid en eeuwige gelukzaligheid te delen, schiep God intelligente en vrije wezens (engelen en mensen), aan wie Hij vrijelijk deelname aan zijn goddelijke natuur schonk; de theologie noemt dit heiligmakende genade. Dit goddelijke geschenk, ontvangen door het doopsel en geloof, maakt ons tot een aangenomen kind van God, dat zich als een zaadje moet ontwikkelen en groeien tot het na de dood zijn eschatologische volheid in het eeuwige leven bereikt. Het christelijke leven is het leven van de mens als kind van God in Christus door de Heilige Geest, dat plaatsvindt tussen de doop en de overgang naar het eeuwige leven. De hoogste morele regel van het Christelijke leven is dit goddelijke heilsplan, dat de moraaltheologie de eeuwige wet noemt.

De eeuwige wet en de natuurlijke morele wet

De eeuwige wet is het plan van de goddelijke Wijsheid om de gehele schepping naar haar einde of doel te leiden.[1] In Gods eeuwige heilsplan zijn wij in Christus uitverkoren ‘om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht’ en ‘in liefde heeft hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus.’[2] In dit plan ligt ons volledige geluk dat bestaat uit de aanschouwing van God en, nog onvolledig in deze wereld, uit het leven van vereniging met Christus, die voor ons altijd het goede verlangt.

God leidt elk schepsel naar zijn einde in overeenstemming met zijn natuur. Meer bepaald: “God zorgt voor de mens anders dan voor de wezens die geen personen zijn: niet 'van buiten', door de wetten van de fysieke natuur, maar 'van binnen', door het verstand dat, wanneer het met behulp van het natuurlijke licht de eeuwige wet van God kent, daardoor in staat is om aan de mens de juiste richting van zijn vrije handelen te wijzen.”[3]

De natuurlijke morele wet is de deelname van het rationele schepsel aan de eeuwige wet.[4] Wij kunnen Gods eeuwige ontwerp om ons tot volledig geluk te brengen niet rechtstreeks zien, aangezien wij niet kunnen zien wat in het verstand van God is. Maar door ons een licht te geven dat ons in staat stelt te onderscheiden wat goed en wat kwaad voor ons is, stelt God ons in staat een deel van zijn eeuwige plan te kennen. Daarom kunnen we zeggen dat de natuurlijke morele wet "de eeuwige wet zelf is, die hun is ingeplant die het verstand gebruiken, en die hen voert tot het verschuldigde handelen en het verschuldigde doel." [5] Het is dus een goddelijke (zowel goddelijke als natuurlijke) wet. Wat de natuurlijke morele wet ons bekend maakt, heeft de kracht van wet voor zover het de stem en tolk is van het "hogere intellect" van de goddelijke Wetgever, waaraan onze geest deelneemt en waartoe onze vrijheid geordend is. [6] Het wordt natuurlijk genoemd omdat het bestaat uit het licht van de rede dat elke persoon van nature bezit.

De natuurlijke morele wet (natuurwet) is een eerste stap in de mededeling aan de mensheid van het goddelijke heilsplan, waarvan de volledige kennis pas mogelijk wordt gemaakt door openbaring. Zoals gezegd, is dit goddelijke ontwerp dat alle mannen en vrouwen het volledige geluk in de aanschouwing van God mogen bereiken.

Eigenschappen. De natuurwet, aanwezig in het hart van ieder mens en vastgesteld door de rede, is universeel en haar geboden en gezag strekken zich uit over alle mensen.[7] Ondanks de diversiteit van culturen door de geschiedenis heen, behoudt het menselijk verstand zijn eenheid, wat een dialoog tussen verschillende culturen mogelijk maakt, hoe moeilijk dit soms ook lijkt.

“De natuurwet is onveranderlijk en bestendig te midden van alle historische wederwaardigheden; ze blijft bestaan te midden van de stroom van ideeën en zeden en ze steunt de voortgang ervan. De regels die een verwoording van de natuurwet zijn, blijven in essentie geldig.”[8] De fundamentele beginselen zijn onveranderlijk, die, wanneer ze worden toegepast op een veranderende sociale realiteit, aanleiding kunnen geven tot verschillende specifieke toepassingen, terwijl wat fundamenteel is van kracht blijft.[9]

Zij is bindend omdat we, om naar God te neigen, vrijelijk het goede moeten doen en het kwade moeten mijden; en daarom moeten we in staat zijn om goed van kwaad te onderscheiden, wat vooral mogelijk is dankzij het licht van de natuurlijke rede.[10] De naleving van de natuurlijke morele wet kan soms moeilijk zijn, maar is nooit onmogelijk.[11]

Kennis van de natuurwet. De voorschriften van de natuurwet kunnen door iedereen via hun rede gekend worden. Niettemin worden niet al haar voorschriften door iedereen op een duidelijke en onmiddellijke manier waargenomen.[12] De effectieve kennis van deze voorschriften kan worden beïnvloed door ieders persoonlijke aanleg, door de sociale en culturele omgeving, door de genoten opleiding, enzovoort. We zouden kunnen zeggen dat de natuurwet even natuurlijk is als taal: elke gezonde persoon heeft het vermogen om te spreken, maar in feite zal iedereen min of meer correct en elegant spreken, afhankelijk van zijn of haar opleidingsniveau. Het natuurlijke vermogen om goed en kwaad te onderscheiden heeft een adequate vorming nodig om alle morele waarheden die het kan bereiken, ook daadwerkelijk te bereiken.

De goddelijk-positieve wet

Aangezien we in onze huidige situatie lijden onder de nawerkingen van de zonde, die ons verstand in meer of mindere mate kan verduisteren, zijn genade en Openbaring noodzakelijk, zodat morele waarheden door alle mannen en vrouwen gekend kunnen worden “zonder moeilijkheid, met een vaste zekerheid en zonder vermenging met dwaling.”[13] De Goddelijke openbaring heeft zich doorheen de geschiedenis via een geleidelijk proces voltrokken.

“De oude wet is de eerste vorm van de geopenbaarde wet. De morele voorschriften ervan zijn samengevat in de Tien Geboden,"[14] die onmiddellijke conclusies van de natuurlijke morele wet uitdrukken. De hele economie van het Oude Testament is vooral gericht op het voorbereiden, profetisch aankondigen en signaleren van de komst van de Verlosser.[15]

De nieuwe wet of evangelische wet of wet van Christus "is de door het geloof in Christus verleende genade van de Heilige Geest. De uiterlijke voorschriften, waarvan het Evangelie ook spreekt, bereiden op deze genade voor of maken haar invloed in het leven effectief."[16]

Het belangrijkste element van de wet van Christus is de genade van de Heilige Geest, die de hele persoon geneest en zich manifesteert in het geloof dat werkt door de liefde.[17] Het is fundamenteel een interne wet, die de innerlijke kracht geeft om te doen wat zij leert. Ten tweede is het ook een geschreven wet, te vinden in de leringen van Onze Heer (de Bergrede, de zaligsprekingen, enzovoorts.) en in de morele catechese van de apostelen, die kan worden samengevat in het gebod van de liefde. De genade van de Heilige Geest, die in het hart van de gelovige wordt ingestort, brengt noodzakelijkerwijs met zich mee dat men "leeft naar de Geest" en wordt uitgedrukt door de "vruchten van de Geest," die tegenover de "werken van het vlees" staan.[18]

De Kerk is door haar Leergezag de authentieke uitlegger van de natuurwet.[19] Deze verklaring van de natuurwet is niet beperkt tot de gelovigen alleen, maar – op bevel van Christus: euntes, docete omnes gentes, "gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen"[20] – omvat alle mannen en vrouwen. Vandaar de verantwoordelijkheid die op Christenen rust om de natuurlijke morele wet te onderwijzen, aangezien zij deze door het geloof en met de hulp van het Leergezag gemakkelijk en zonder dwaling kunnen kennen.

Burgerlijke wetten

Burgerlijke wetten zijn de normen uitgevaardigd door de overheidsinstanties (over het algemeen door het wetgevende orgaan) - met het doel de vereisten van de natuurlijke morele wet af te kondigen, expliciet te maken of te concretiseren - die nodig zijn om het leven van burgers in de samenleving mogelijk te maken en adequaat te reguleren.[21] Deze wetten moeten in de eerste plaats vrede en veiligheid, vrijheid, rechtvaardigheid, bescherming van de fundamentele rechten van de persoon en de openbare moraal garanderen.[22]

De deugd van rechtvaardigheid brengt de morele verplichting met zich mee om rechtvaardige burgerlijke wetten na te leven. De ernst van deze verplichting hangt af van het grotere of kleinere belang van de inhoud van de wet voor het algemeen welzijn van de samenleving.

Wetten die in strijd zijn met de natuurlijke morele wet en met het algemeen welzijn van de samenleving zijn onrechtvaardig. Meer specifiek zijn wetten onrechtvaardig:

1) die iets verbieden waartoe burgers moreel verplicht zijn, of hen opdragen iets te doen wat niet gedaan kan worden zonder een morele fout te begaan;

2) die welke het algemeen belang schaden of de nodige bescherming ontnemen aan zaken die tot het algemeen belang behoren: het leven, gerechtigheid, fundamentele rechten van de persoon, het huwelijk en het gezin, enz.;

3) die niet op legitieme wijze zijn uitgevaardigd;

4) die lasten en voordelen niet eerlijk en proportioneel onder de burgers verdelen.

Onrechtvaardige burgerlijke wetten zijn niet bindend voor het geweten; integendeel, er bestaat een morele verplichting om te weigeren zich aan hun bepalingen te houden, vooral als ze onrechtvaardig zijn om de in 1) en 2) aangegeven redenen, en om zijn onenigheid te uiten en te trachten ze zoveel mogelijk te veranderen of op zijn minst hun negatieve effecten te verminderen. Soms zal men zijn toevlucht moeten nemen tot gewetensbezwaar.[23]

Kerkelijke wetten en de geboden van de Kerk

Om ons te redden, wilde God ook dat mannen en vrouwen een samenleving zouden vormen [24]: de Kerk, gesticht door Jezus Christus, en door Hem begiftigd met alle middelen die nodig zijn voor de vervulling van haar bovennatuurlijke doel, namelijk het heil van de zielen. Tot deze middelen behoort de wetgevende macht, die de Romeinse Pontifex heeft voor de universele Kerk en de diocesane bisschoppen – en de autoriteiten die met hen gelijkwaardig zijn – voor hun eigen rechtsgebieden. De meeste wetten van universele strekking zijn vervat in de Codex van het Canoniek Recht. Er is een Codex voor de gelovigen van de Latijnse ritus en een andere voor die van de Oosterse ritus.

De kerkelijke wetten geven aanleiding tot een werkelijke morele verplichting[25] die ernstig of licht zal zijn, afhankelijk van de ernst van de zaak.

De meest algemene geboden van de Kerk zijn:

1. Op zondagen en verplichte feestdagen de Mis in zijn geheel bijwonen;[26]
2. De doodzonden minstens éénmaal per jaar te belijden én bij stervensgevaar als men de Communie wil ontvangen;[27]
3. Minimaal éénmaal per jaar, rond Pasen, de Communie ontvangen;[28]
4. Vasten en zich onthouden van vlees eten op de door de Kerk vastgestelde dagen;[29]
5. De Kerk in haar noden helpen.[30]

Moreel geweten

"Het morele geweten is een oordeel van de rede, waardoor de menselijke persoon de morele kwaliteit erkent van een concrete daad die hij gaat stellen of bezig is te stellen of gesteld heeft."[31] Het geweten formuleert morele verplichtingen in het licht van de natuurwet: "het is de verplichting om dat te doen, wat de mens door het oordeel van zijn geweten als een goed herkent, dat hem hier en nu gegeven is."[32] Zo kunnen we bijvoorbeeld bij een gewetensonderzoek aan het einde van de dag beseffen dat iets wat we zeiden in strijd was met de naastenliefde[EE1] . Of wanneer we nadenken voordat we iets doen, kan ons geweten ons doen beseffen dat de actie die we gepland hadden het recht van een persoon zou schaden en dus een fout tegen de rechtvaardigheid zou zijn.

Het geweten is "de laatste maatgevende norm van de persoonlijke zedelijkheid,"[33] dus wanneer we ertegenin handelen begaan we een morele misstap. Deze rol van nabije norm komt het geweten toe, niet omdat het de allerhoogste norm is,[34] maar omdat het voor het individu een onvermijdelijk ultiem karakter heeft: "het oordeel van het geweten bevestigd ‘afsluitend’ de overeenstemming van een bepaald concreet gedrag met de wet."[35] Wanneer een persoon met zekerheid oordeelt, na het probleem met alle beschikbare middelen te hebben onderzocht, is er geen verder beroep op een ‘geweten van het geweten,’ of een ‘oordeel van het oordeel’, omdat men anders ad infinitum zou doorgaan.

Een juist of waar geweten is een geweten dat de morele kwaliteit van een handeling naar waarheid beoordeelt, en een dwalend geweten is een geweten dat de waarheid niet bereikt, en een handeling als goed beschouwt die in werkelijkheid slecht is, of visa versa. De oorzaak van een dwaling van het geweten is onwetendheid, die onoverwinnelijk (en onschuldig) kan zijn, als het de persoon zodanig beheerst dat er geen mogelijkheid is om het te herkennen en te overwinnen; maar deze onwetendheid is verwijtbaar of schuldig als ze herkend en overwonnen kon worden, maar de persoon de middelen die nodig zijn om het te overwinnen niet wil gebruiken.[36] Een schuldig dwalend geweten ontslaat niet van zonde en kan deze zelfs verergeren.

Het geweten is zeker wanneer het een oordeel velt met de morele zekerheid dat het zich niet vergist. Men zegt dat het waarschijnlijk is wanneer het oordeelt met de overtuiging dat er een zekere waarschijnlijkheid van dwaling is, maar dat deze kleiner is dan de waarschijnlijkheid om gelijk te hebben. Men zegt dat het twijfelachtig is wanneer wordt aangenomen dat de waarschijnlijkheid om fout te zijn gelijk is aan of groter is dan de waarschijnlijkheid om gelijk te hebben. Ten slotte wordt het verward genoemd wanneer het niet durft te oordelen, omdat het denkt dat het zowel een zonde is om een handeling te verrichten als om deze na te laten.

In de praktijk moet men alleen een geweten volgen dat zeker en waar is, of een geweten dat zeker en onoverwinnelijk dwalend is.[37] Men mag niet handelen met een twijfelachtig geweten, maar moet proberen uit de twijfel te komen door te bidden, te studeren, vragen te stellen, enzovoorts.

De vorming van het geweten

Moreel verkeerde handelingen uitgevoerd in onoverwinnelijke onwetendheid zijn schadelijk voor degene die ze begaat en misschien ook voor anderen en in elk geval kunnen ze bijdragen aan een verdere verduistering van het geweten. Vandaar de absolute noodzaak om het geweten te vormen.[38]

Om een oprecht geweten te vormen, is het noodzakelijk om het verstand te onderrichten in de kennis van de waarheid – waarvoor men kan vertrouwen op de hulp van het Leergezag van de Kerk – en om de wil en gevoelens te vormen door de beoefening van de deugden. Dit is een levenslange taak.[39]

Bij het vormen van het geweten zijn nederigheid, verworven door oprecht te zijn voor God, en geestelijke leiding bijzonder belangrijk.[40]

Een goed gevormd geweten moet de morele deugd van epikeia [redelijkheid] beoefenen. Epikeia leidt ertoe dat men anders handelt dan de letter van de wet voorschrijft wanneer, in een situatie die niet door de algemene formulering van de wet wordt voorzien, handelen in overeenstemming met de wet verkeerd of schadelijk zou zijn. Zo kunnen de politieautoriteiten bijvoorbeeld bepalen dat men de internationale zone van een luchthaven alleen mag betreden en verlaten via de daarvoor bestemde poorten. Dit heeft betrekking op normaal gedrag. Maar het is duidelijk dat in het geval van een aardbeving, die de ingangen vernietigt en het gebruik van die poorten onmogelijk maakt, de mensen binnen op alle mogelijke manieren moeten vluchten. De bepalingen van de autoriteiten, die in algemene termen zijn geformuleerd, hebben betrekking op normaal gedrag en niet op uitzonderlijke omstandigheden die niemand had kunnen voorzien.

Basis bibliografie

Catechismus van de Katholieke Kerk, 1730-1742, 1776-1794 en 1950-1974.

Heilige Paus Johannes Paulus II, Encycliek Veritatis splendor, 6 augustus 1993, 28-64.

Aanbevolen literatuur

Heilige Jozefmaria, Homilie "Vrijheid, een godsgeschenk" in Vrienden van God, 23-38.


[1] Vgl. Heilige Thomas van Aquino, (S.Th), I-II, q. 93, a. 1, c.; Tweede Vaticaans Concilie, Dignitatis humanae, 3.

[2] Ef. 1,4-5.

[3] Heilige Paus Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 6 augustus 1993, 43.

[4] Vgl. Idem.; Heilige Thomas van Aquino, S.Th, I-II, q. 91, a. 2.

[5] Vgl. Heilige Paus Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 44.

[6] Vgl. Idem.

[7] Vgl. Catechismus, 1956.

[8] Idem., 1958.

[9] De toepassing van de natuurwet varieert sterk; zij kan een bezinning vragen die aangepast is aan de veelheid van levensvoorwaarden, naargelang vande plaatsen, de tijden en de levensomstandigheden. De natuurwet blijft echter bij de verscheidenheid van culturen als het ware een regel die mensen onderling verbindt en die - ondanks onvermijdelijke verschillen - gemeenschappelijke principes voorhoudt. (Catechismus, 1957).

[10] Vgl. Heilige Paus Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 42.

[11] Vgl. Idem.,102.

[12] Vgl. Catechismus, 1960.

[13] Pius XII, Humani generis: DZ 3876. Vgl. Catechismus, 1960.

[14]Catechismus, 1962.

[15] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Dei verbum, 15.

[16] Heilige Paus Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 24. Vgl. Heilige Thomas van Aquino, S.Th, I-II, q. 106, a. 1, c. en ad 2.

[17] Vgl. Heilige Thomas van Aquino, S.Th, I-II, q. 108, a. 1.

[18] Vgl. Gal. 5,16-26.

[19] Vgl. Catechismus, 2036.

[20] Mat. 28,19.

[21] Vgl. Heilige Thomas van Aquino, S.Th, I-II, q. 95, a. 2; Catechismus, 1959.

[22] Vgl. Heilige Paus Johannes Paulus II, Evangelium vitae, 25 maart 1995, 71.

[23] Vgl. Catechismus, 2242-2243; Heilige Paus Johannes Paulus II, Evangelium vitae, 72-74.

[24] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen gentium, 9.

[25] Vgl. Concilie van Trente, Canons over het Sacrament van het Doopsel, 8: DZ 1621.

[26] Vgl. Catechismus, 2042.

[27] Vgl. Idem.

[28] Vgl. Idem.

[29] Vgl. Idem., 2043.

[30] Vgl. Idem.

[31] Catechismus, 1778.

[32] Heilige Paus Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 59.

[33] Idem., 60.

[34] Vgl. Idem.

[35] Idem., 59.

[36] Vgl. Idem., 62; Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et spes, 16.

[37] Een zeker, onoverwinnelijk dwalend geweten is een morele regel, maar niet op absolute wijze: het is bindend zolang de dwaling voortduurt. En het is dat niet vanwege wat het op zichzelf is: de bindende kracht van het geweten komt voort uit de waarheid, zodat een dwalend geweten alleen kan binden voor zover het subjectief en onoverwinnelijk als waar wordt beschouwd. In zeer belangrijke zaken (opzettelijke doodslag, enz.) is het zeer moeilijk om een niet-verwijtbare dwaling van het geweten te hebben.

[38] Vgl. Catechismus, 1783.

[39] Vgl. Heilige Paus Johannes Paulus II, Veritatis splendor, 64.

[40] Vgl. Catechismus, 1784.

[EE1]Hier gebleven