Thema 24: Het Huwelijk en het Wijdingssacrament

Het huwelijk is door God in zijn wijsheid ingesteld om zijn goddelijk liefdesplan met de mensheid te verwezenlijken. Het komt tot stand door de persoonlijke en onveranderlijke wilsverklaring/instemming (consensus) van de echtgenoten. De wezenlijke eigenschappen van het huwelijk zijn eenheid en onontbindbaarheid. Dit bijzondere verbond is gericht op de voortplanting en opvoeding van kinderen, die de voortreffelijkste gave van het huwelijk zijn en in hoge mate bijdragen tot het welzijn van hun ouders.

God de Vader heeft ons in zijn liefdevolle plan reeds voor de schepping van de wereld in Christus uitverkoren, om ons te verheffen tot de waardigheid van kinderen van God (vgl. Ef. 1, 4-5). Hij wil dat de mensen zelf meewerken aan de uitvoering van zijn heilsplan. De sacramenten van het huwelijk en het priesterschap verlenen de christenen een specifieke roeping en zending in de Kerk, bedoeld voor de opbouw van het Volk van God (vgl. Catechismus, 1534).

Het sacrament van het Huwelijk

"Verre van dat het huwelijk dus uit het toeval of uit een blinde samenloop van natuurkrachten voorkomt, is het een wijze en voorzienige instelling van de goddelijke Schepper om zijn liefdesplan in de mensen tot werkelijkheid te maken. Daarom streven de echtgenoten door de wederzijdse overgave, die aan hen en uitsluitend aan hen beiden eigen is, naar de persoonsgemeenschap waardoor zij elkaar vervolmaken om met God samen te werken aan de verwekking en opvoeding van nieuwe levens. Voor hen die door het heilig Doopsel zijn gereinigd, bezit het huwelijk bovendien de waardigheid van een sacramenteel genadeteken, doordat het de vereniging van Christus en de Kerk afbeeldt."[1]

"In haar diepste werkelijkheid is de liefde wezenlijk een gave; en de echtelijke liefde, die de echtgenoten leidt tot de wederzijdse ‘kennis’ waardoor zij ‘een vlees’ worden (vgl. Gen. 2, 24), raakt niet uitgeput binnen het paar, aangezien zij hen bekwaam maakt tot de grootst mogelijke zelfgave, waardoor zij medewerkers van God worden in het schenken van het leven aan een nieuwe menselijke persoon."[2]

Deze wederzijdse liefde tussen de echtgenoten “wordt een afbeelding van de absolute en onvergankelijke liefde van God voor ieder mens. De mens is goed, heel goed, in de ogen van de Schepper (Gen.1,31). En deze liefde waar Gods zegen op rust, is bestemd om vruchtbaar te zijn en zich te verwezenlijken in de gemeenschappelijke opdracht om de schepping in stand te houden: ‘God zegende hen en God sprak tot hen: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk; bevolkt de aarde en onderwerpt haar”’ (Gen. 1,28; Catechismus, 1604).

De echtelijke liefde wordt gekenmerkt door twee personen van verschillend geslacht die zich aan elkaar schenken met het oog op de wederzijdse liefde en de voortplanting. Niemand kan nl. alleen of met een persoon van hetzelfde geslacht een kind voortbrengen, omdat het vader- en moederschap één enkel beginsel van voortplanting vormen. Daarom bezit de aanvaarding van de zelfgave in de echtelijke liefde een dynamiek die geheel eigen is aan andere vormen van liefde en hiervan onderscheiden is: alleen in de echtelijke liefde is er éénheid/identiteit tussen het wederzijds geven en ontvangen. Het ontvangen van de gave van het vaderschap gebeurt namelijk door het geven van de gave van het moederschap en omgekeerd. Door de seksualiteit waardoor de man en de vrouw zich aan elkaar wegschenken in de eigen en exclusieve huwelijksdaad, is er geen intiemere liefdesgemeenschap mogelijk tussen twee personen die, in de woorden van de Heilige Schrift, een vlees zijn (vgl. Gen. 2,24).

De hierboven beschreven dynamiek van de echtelijke zelfgave toont aan dat de echtelijke liefde niet spontaan ontstaat, maar voortkomt uit de vrije zelfgave van elke persoon. Omdat deze zelfgave wederzijds is, is het een liefde die men de ander verschuldigd is. Deze waarheid wordt onderwezen door de heilige Paulus wanneer hij schrijft: "Niet de vrouw heeft de beschikking over haar eigen lichaam, maar haar man; evenmin heeft de man te beschikken over zijn eigen lichaam, maar zijn vrouw" (1 Kor. 7, 4). De apostel brengt dezelfde les over wanneer hij echtgenoten eraan herinnert: "Zo moeten ook de mannen hun vrouwen liefhebben, zoals ze hun eigen lichaam liefhebben. Wie zijn vrouw bemint, bemint zichzelf" (Ef. 5, 28). Als natuurlijke instelling beantwoordt het huwelijk aan de rechtvaardigheid die inherent is aan de echtelijke liefde: "Het huwelijk betekent geen onrechtmatige inmenging van de maatschappij of van de overheid en evenmin het opleggen van een vorm van buitenaf, maar is een innerlijk vereiste van het verbond van de echtelijke liefde, dat zichzelf openlijk bevestigt als uniek en exclusief, opdat aldus de volledige trouw aan de bedoeling van God de Schepper wordt beleefd."[3]

Aangezien de huwelijksgemeenschap de natuurlijke grondslag is van het gezin en de basiseenheid van de samenleving, behoort zij niet uitsluitend tot de privésfeer, maar is zij een goed van algemeen belang. De maatschappij beschermt het huwelijk door middel van wettelijke institutionalisering: het burgerlijk huwelijk in de burgerlijke samenleving en het kerkelijk huwelijk in de Kerk. Wil de legalisering van het huwelijk werkelijk nuttig zijn voor het algemeen welzijn, dan moet de wet in overeenstemming zijn met het wezen van wat het huwelijk is, dat wil zeggen als natuurlijke instelling, en ook als sacrament in het geval van het canoniek huwelijk.

In veel landen is het gebruikelijk dat mensen als man en vrouw samenleven, maar zonder enige institutionele band. De redenen hiervoor zijn divers: "de invloed van ideologieën die huwelijk en gezin onderwaarderen, de ervaring van mislukking van andere paren, die zij niet willen riskeren, de angst voor iets dat zij als te groot en heilig beschouwen, de maatschappelijke kansen en economische voordelen die uit het samenwonen voortvloeien, een puur emotionele en romantische opvatting over liefde, de angst vrijheid en autonomie te verliezen, het afwijzen van iets dat wordt gevoeld als institutioneel en bureaucratisch"[4] Als de twee hun relatie oprecht willen beleven als een huwelijk, moeten ze worden gewezen op de noodzaak om hun situatie te legaliseren. Als die wil er niet is, moet het paar geholpen worden de leugen te ontdekken die in hun relatie aanwezig is, omdat de echtelijke liefde “een totale en definitieve gave van de personen aan elkaar” eist (Catechismus, 2391). “De uitdrukking ‘vrije liefde’ is misleidend: wat kan de betekenis zijn van een liefdesrelatie, wanneer de personen zich niet aan elkaar binden en op die manier getuigenis afleggen van hun gebrek aan vertrouwen in de ander, in zichzelf of in de toekomst?” (Catechismus, 2390).

Omdat de schepping haar hoogtepunt heeft in Christus en ‘het mysterie van Christus een beslissend licht’ op de schepping werpt, is ze “het fundament van alle ‘heilzame raadsbesluiten van God’, ‘het begin van de heilsgeschiedenis’” (vgl. Catechismus, 280). Vanuit dit gezichtspunt kan het huwelijk op natuurlijk niveau gezien worden als bekleed met een nieuwe waardigheid: het werd door God ingesteld als een type of voorafbeelding van de vereniging tussen Christus en de Kerk (vgl. Ef. 5,31-32). Hierdoor heeft de echtelijke liefde niet alleen deel aan Gods scheppende liefde, maar ook aan zijn verlossende liefde, en samen met het menselijk leven geeft de echtelijke liefde ook het leven van de genade in Christus door. [5]

De erfzonde zorgde ervoor dat de mens zich van God afkeerde en tegelijkertijd de oorspronkelijke gemeenschap tussen man en vrouw werd verbroken. De instelling van het huwelijk is vervolgens verzwakt door de opkomst van polygamie en echtscheiding, en het biologische ouderschap geeft nu de erfzonde door in plaats van het leven van de kinderen van God.

Het Oude Verbond bekritiseert, in overeenstemming met de goddelijke pedagogie, noch de polygamie van de aartsvaders, noch verbiedt zij echtscheiding; maar het “beschouwt het verbond van God met Israël als een beeld van exclusieve en trouwe echtelijke liefde (vgl. Hos 1-3; Jes 54,62; Jer 2-3,31; Ez 16,23). De profeten hebben echter het geweten van het uitverkoren volk voorbereid op een dieper begrip van de eenheid en de onontbindbaarheid van het huwelijk (vgl. Mal 2,13-17) (Catechismus, 1611). Bovendien geeft de herbevestiging van de oorspronkelijke goddelijke zegen aan Abraham, samen met de belofte van talloze nakomelingen aan wie God het land Kanaän zou geven (vgl. Gen 12,2.7; 13,16; 22,17), het huwelijk een fundamentele rol in de vervulling van het goddelijk heilsplan. Zonder het huwelijk zou het verbond dat God met Abraham en zijn nakomelingen sloot niet vervuld worden, want in het licht van het Nieuwe Testament is het huwelijk een voorafbeelding van het verbond tussen Christus en de Kerk (vgl. Gal 3,26-29).

"Jezus, die alles in zich heeft verzoend, heeft het huwelijk en het gezin teruggebracht tot hun oorspronkelijke vorm (vgl. Mat. 10, 1-12). Het gezin en het huwelijk zijn door Jezus verlost (vgl. Ef. 5, 21-32) en hersteld naar het beeld van de Heilige Drie-eenheid, mysterie waaruit iedere ware liefde voortkomt. Het huwelijksverbond, begonnen met de schepping en geopenbaard in de heilsgeschiedenis, krijgt de volle openbaring van zijn betekenis in Christus en zijn Kerk. Door middel van de Kerk ontvangen huwelijk en gezin van Christus de genade die noodzakelijk is om te getuigen van Gods liefde en het leven van gemeenschap te beleven. Het Evangelie van het gezin gaat vanaf de schepping van de mens naar het beeld en de gelijkenis van God (vgl. Gen. 1,26-27) door de geschiedenis heen tot aan de voltooiing van het mysterie van het verbond in Christus op het einde der eeuwen met de bruiloft van het Lam (vgl. Op.19, 9)."[6]

“In hun roeping om het menselijk leven door te geven en op te voeden, wat zij als hun eigen missie moeten beschouwen, weten de echtgenoten dat zij meewerken aan de liefde van God de Schepper en als zijn vertolkers optreden. (…) Vertrouwend op de goddelijke voorzienigheid en met offergeest verheerlijken zij de Schepper en streven zij naar de volmaaktheid in Christus wanneer zij met edelmoedige, menselijke en christelijke verantwoordelijkheid hun vruchtbare taak vervullen” (vgl. 2e Vat. Conc., Gaudium et Spes, 50).

Viering van het Huwelijk

Het huwelijk komt tot stand door de persoonlijke en onveranderlijke wilsverklaring (consensus) van de echtgenoten. (vgl. Catechismus, 1626). "De huwelijkstoestemming is de wilsdaad waardoor een man en een vrouw zich door een onherroepelijk verbond wederzijds aan elkaar geven en elkaar aanvaarden om een huwelijk tot stand te brengen" (Wetboek van Canoniek Recht, 1057 §2).

"Daarom vraagt de kerk in de regel aan de gelovigen de kerkelijke vorm van de huwelijkssluiting te eerbiedigen” (Catechismus, 1631). Daarom zijn "alleen die huwelijken geldig die gesloten worden ten overstaan van de plaatselijke ordinarius (bisschop) of de pastoor, of een priester of diaken die door een van hen gedelegeerd is, die assisteren, en in tegenwoordigheid van twee getuigen, volgens de regels uitgedrukt" in het Wetboek van Canoniek Recht (1108 §1).

Er liggen verschillende redenen aan deze norm ten grondslag. Het sacramentele huwelijk schept in de gemeenschap van de Kerk rechten en plichten tussen de echtgenoten onderling en tegenover hun kinderen. Aangezien het huwelijk een levensstaat in de Kerk is, moet er zekerheid over bestaan (vandaar de verplichting om getuigen te hebben); en het openbare karakter van de instemming beschermt het eenmaal gegeven 'jawoord' en helpt de echtgenoten trouw te blijven aan hun geloften (vgl. Catechismus, 1631).

De essentiële eigenschappen van het huwelijk

"De wezenlijke eigenschappen van het huwelijk zijn de eenheid en de onontbindbaarheid, die in het Christelijk huwelijk op grond van het sacrament een bijzondere hechtheid verkrijgen" (Wetboek van Canoniek Recht, 1056). Man en vrouw "zijn door het huwelijksverbond niet langer twee, maar een vlees (vgl. Mat. 19, 6) . . . Als een wederzijdse gave van twee personen, leggen deze intieme vereniging en het welzijn van de kinderen de echtgenoten volledige trouw op en pleiten zij voor een onverbrekelijke eenheid tussen hen."[7]

“De gelijke persoonswaarde van vrouw en man, die haar uitdrukking behoort te vinden in een wederzijdse onvoorwaardelijke liefde, is een duidelijk teken van de door God gewilde eenheid van het huwelijk." [8] Polygamie is tegengesteld aan deze gelijkwaardigheid en aan de huwelijksliefde die uniek en exclusief is.” (Catechismus, 1645)

"In zijn prediking onderwees Jezus ondubbelzinnig de oorspronkelijke betekenis van de vereniging van man en vrouw zoals de Schepper die vanaf het begin gewild heeft: de toestemming die Mozes gaf om van zijn vrouw te scheiden was een toegeving aan de hardheid van hun harten (vgl. Mat. 19, 8). De huwelijksvereniging van man en vrouw is onontbindbaar: God zelf heeft het bepaald: 'wat God heeft verbonden heeft, mag een mens niet scheiden' (Mat. 19, 6)" (Catechismus, 1614). Krachtens het sacrament, waardoor Christelijke echtgenoten het mysterie van de eenheid en de vruchtbare liefde tussen Christus en de Kerk uitbeelden en eraan deelhebben (Ef. 5, 32), krijgt de onontbindbaarheid een nieuwe en diepere betekenis door de oorspronkelijke hechtheid van de huwelijksband te vergroten, zodat "een huwelijk dat ratum [dat wil zeggen, gesloten tussen gedoopten] et consummatum [dat wil zeggen, voltrokken door de huwelijksdaad tussen de echtgenoten] is, door geen enkele menselijke macht en om geen enkele reden kan worden ontbonden, behalve door de dood" (Wetboek van Canoniek Recht, 1141).

"Echtscheiding is een zwaar vergrijp tegen de natuurwet. Ze pretendeert de overeenkomst te verbreken die de echtgenoten vrijwillig hebben aangegaan om tot de dood met elkaar samen te leven. Echtscheiding brengt schade toe aan het heilsverbond, waarvan het sacramentele huwelijk het teken is" (Catechismus, 2384). "Het kan voorkomen dat een van de echtgenoten het onschuldig slachtoffer is van een echtscheiding die door de burgerlijke wet uitgesproken werd; in dit geval treft die persoon geen morele schuld. Er is een aanzienlijk verschil tussen de partij die zich eerlijk heeft ingezet om trouw te blijven aan het Sacrament van het Huwelijk en die ten onrechte in de steek werd gelaten, en de partij die door eigen ernstige schuld een huwelijk verbreekt dat kerkelijk geldig is" (Catechismus, 2386).

"Er bestaan echter situaties waarin het echtelijk samenleven om uiteenlopende redenen praktisch onmogelijk wordt. In zulke gevallen staat de Kerk een fysieke scheiding van de echtgenoten en beëindiging van het echtelijk samenleven toe. Voor God blijven ze echter elkaars man en vrouw; het staat hun niet vrij om een nieuwe verbintenis aan te gaan. Indien mogelijk is in deze moeilijke situatie verzoening de beste oplossing." (Catechismus,1649). Als na de scheiding "Indien de burgerlijke echtscheiding als enige mogelijkheid overblijft om bepaalde wettige rechten, de zorg voor de kinderen of de bescherming van het erfdeel veilig te stellen, kan ze gedoogd worden, zonder daarom een morele fout te betekenen." (Catechismus, 2383).

Als er na een echtscheiding een nieuwe verbintenis wordt aangegaan, zelfs als deze door de burgerlijke wet wordt erkend, "de hertrouwde persoon bevindt zich dan in een situatie van publiek en blijvend overspel." (Catechismus, 2384). Hertrouwde gescheiden personen kunnen, hoewel ze tot de Kerk blijven behoren, niet tot de Eucharistie worden toegelaten, omdat hun staat en levensomstandigheden objectief in tegenspraak zijn met de onontbindbare liefdesvereniging tussen Christus en de Kerk; deze vereniging wordt in de Eucharistie betekend en verwezenlijkt. [9] "De verzoening in het sacrament van de Boete, die de weg opent naar het sacrament van de Eucharistie, kan verder alleen verleend worden aan degenen die er berouw over hebben dat zij het teken van het verbond en de trouw van Christus geschonden hebben en die oprecht bereid zijn een vorm van leven te leiden die niet meer in tegenspraak is met de onontbindbaarheid van het huwelijk. Dit brengt concreet mee dat de man en de vrouw ‘de verplichting op zich nemen in volledige onthouding te leven, dat wil zeggen zich van de eigenlijke huwelijksdaad te onthouden.’” [10]

Deze normen moeten worden toegepast met mededogen voor de personen en de reële uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd. De Kerk moet vermijden zoveel voorwaarden aan de goddelijke barmhartigheid te verbinden dat deze van haar betekenis wordt ontdaan. [11] Dit betekent dat men er rekening mee moet houden dat de penitent [biechteling], "hoewel trouw aan het voornemen om niet meer te zondigen, door ervaringen uit het verleden en het besef van de huidige zwakheid angst kan hebben voor een nieuwe terugval; maar dit doet geen afbreuk aan de echtheid van het voornemen, wanneer deze angst gepaard gaat met de wil, gesteund door gebed, om datgene te doen wat mogelijk is om schuld te vermijden."[12] De penitent kan, door de specifieke omstandigheden waarin hij zich bevindt, mogelijk niet volledig verantwoordelijk zijn voor zijn eigen daden. De biechtvader moet met deze factoren rekening houden bij de beoordeling van wat de penitent kan doen om schuld te vermijden. Zo kan de biechtvader tot de morele zekerheid komen dat de penitent voldoende berouw heeft om de absolutie te ontvangen. [13]

In ieder geval moet de persoon, als er sprake is van een nieuwe terugval, het sacrament van de biecht ontvangen alvorens ter communie te gaan. In feite zijn seksuele betrekkingen met iemand die niet de wettige echtgenoot is, door hun object altijd intrinsiek slecht. Bovendien, aangezien hun berouw op zichzelf verborgen is, "terwijl hun staat als gescheiden en hertrouwde personen op zich openbaar is, zullen zij de Eucharistische Communie alleen kunnen ontvangen remoto scandalo [zonder aanstoot te geven]."[14] Ten slotte moeten we ook in gedachten houden dat het ontvangen van de Eucharistie niet bedoeld is als het einddoel van de weg van bekering, maar eerder als een kostbare hulp om de noodzakelijke stappen te blijven zetten om te leven in een situatie die niet langer in strijd is met Jezus’ onderricht over het huwelijk.[15]

Verantwoord ouderschap

"Door zijn aard zelf zijn de huwelijksinstelling en de huwelijksliefde gericht op de voortplanting en opvoeding van het nageslacht en vinden daarin hun bekroning. Kinderen zijn de voortreffelijkste gave van het huwelijk en dragen in hoge mate bij tot het welzijn van de ouders zelf. God zelf heeft gezegd: 'Het is niet goed dat de mens alleen blijft', en 'vanaf het begin heeft [hij] hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt'; omdat Hij hen op een bijzondere wijze wilde betrekken bij zijn eigen scheppingswerk, zegende God man en vrouw met de woorden: 'Wees vruchtbaar en word talrijk.' Vandaar dat de ware huwelijksliefde en de hele structuur van het gezinsleven die daaruit voortvloeit, zonder afbreuk te doen aan de andere doeleinden van het huwelijk, erop gericht zijn de echtgenoten bereid te maken om moedig samen te werken met de liefde van de Schepper en Verlosser, die door hen zijn gezin van dag tot dag wil uitbreiden en verrijken" (Catechismus, 1652).[16] “Onder de echtgenoten, die aldus de hun door God toevertrouwde taak volbrengen, verdienen bijzonder vermeld te worden degenen, die na gemeenschappelijk en rijp overleg, grootmoedig ook een groot aantal kinderen willen aanvaarden en waardig willen opvoeden."[17]

Zelfs met een edelmoedige instelling ten opzichte van het ouderschap, "[geldt] dat de echtgenoten dikwijls door bepaalde factoren van het moderne leven worden belemmerd bij de harmonische ordening van hun huwelijksleven, en in een situatie kunnen verkeren waarin hun kindertal zich, althans tijdelijk, niet mag uitbreiden"[18] "Wanneer de lichamelijke of geestelijke situatie van de echtgenoten of uiterlijke omstandigheden dus rechtmatige redenen geven om de opeenvolgende geboorten met langduriger tussenpozen te doen plaatsvinden, dan is het de echtgenoten volgens de leer van de Kerk geoorloofd om rekening te houden met de natuurlijke perioden die aan de voortplantingsfuncties inherent zijn, teneinde slechts in de onvruchtbare perioden huwelijksomgang te hebben en de geboorten daardoor zo te regelen, dat de zedenleer die wij zojuist hebben uiteengezet geen geweld wordt aangedaan"[19]

"Volgens Gods plan is het huwelijk de grondslag voor de ruimere gemeenschap van het gezin, aangezien het huwelijk zelf en de echtelijke liefde zijn gericht op de voortplanting en op de opvoeding van de kinderen in wie zij hun bekroning vinden."[20]

““Aangezien de Schepper van alle dingen het huwelijk ingesteld heeft als beginsel en fundament van heel de menselijke maatschappij”, is het gezin de "eerste en vitale cel van de maatschappij" geworden.” [21] Deze essentiële en vitale publieke rol van het huwelijk en het gezin vraagt om verdediging en aanmoediging van de kant van de overheid.

Binnen de Kerk wordt het gezin de "huiskerk" genoemd, omdat de unieke gemeenschap tussen zijn leden bedoeld is als "een openbaring en verwerkelijking van de kerkelijke gemeenschap."[22] "moeten de ouders door woord en voorbeeld de eerste geloofsverkondigers zijn voor hun kinderen, en zij moeten de eigen roeping van ieder kind bevorderen en met bijzondere zorg de priester- of kloosterroeping."[23] "Het is hier dat de huisvader, de moeder, de kinderen en alle leden van het gezin op een bevoorrechte wijze het priesterschap van de gedoopten uitoefenen 'door het ontvangen van de sacramenten, het gebed en de dankzegging, het getuigenis van een heilig leven, en door zelfverloochening en actieve naastenliefde.' Zo is het gezin de eerste leerschool van Christelijk leven en 'een school voor menselijke verrijking'. Hier leert men volharding en de vreugde van de arbeid, broederliefde, grootmoedige – zelfs herhaalde – vergeving, en bovenal de goddelijke eredienst in het gebed en het offer van het eigen leven" (Catechismus, 1657).

Het Wijdingssacrament

Uit het volk Israël, in Ex. 19, 6 aangeduid als een "koninkrijk van priesters", werd de stam van Levi door God uitgekozen voor de dienst van de "tabernakel van de getuigenis" (vgl. Num. 1, 50). Op hun beurt werden uit de Levieten de priesters van het Oude Verbond gewijd met de ritus van de zalving (vgl. Ex. 29, 1-7), waarbij hun een taak werd toevertrouwd "om hen [de mensen] te vertegenwoordigen bij God en om gaven en offers op te dragen voor de zonden" (Heb. 5, 1). Als onderdeel van de Mozaïsche wet is dit priesterschap een inleiding tot "een nieuwe en betere hoop" (Heb. 7, 19), "een schaduw van de toekomstige goede dingen", maar op zichzelf kan dit priesterschap "door steeds dezelfde offers die men jaar in jaar uit blijft opdragen, de deelnemers aan haar cultus onmogelijk tot volmaaktheid brengen" (Heb. 10, 1).

Het Levitische priesterschap was in het Uitverkoren Volk een voorafbeelding van de volledige verwezenlijking van het priesterschap in Jezus Christus, wiens priesterschap niet gebonden was aan afstamming, noch aan de offers van de tempel, noch aan de Wet, maar alleen aan God zelf (vgl. Heb. 6, 17-20 en 7, 1vv). Vandaar dat Hij "door God werd uitgeroepen tot hogepriester op de wijze van Melchisedek" (Heb. 5, 10), die "door een offer ... voor altijd hen die zich laten heiligen tot volmaaktheid (heeft) gebracht" (Heb. 10, 14). Inderdaad, het Vleesgeworden Woord van God verlost, ter vervulling van de messiaanse profetieën, alle mensen door zijn Dood en Verrijzenis, en geeft zo zijn eigen leven bij de vervulling van zijn priesterlijke identiteit. Dit priesterschap, dat Jezus zelf presenteert in termen van toewijding en zending (vgl. Joh. 10, 14), heeft daarom universele waarde: er is geen "heilswerk van God buiten de unieke bemiddeling van Christus."[24]

Tijdens het Laatste Avondmaal openbaart Jezus zijn verlangen om zijn apostelen deelgenoot te maken van zijn priesterschap, dat beschreven wordt in termen van toewijding en zending: "Zoals Gij Mij in de wereld gezonden hebt, zo zend Ik hen in de wereld, en omwille van hen wijd Ik Mij aan U, opdat ook zij in waarheid aan U toegewijd mogen zijn." (Joh. 17, 18-19). Deze deelname wordt werkelijkheid op verschillende momenten in de loop van Christus' optreden, die beschouwd kunnen worden als opeenvolgende stappen die leiden naar de instelling van de Wijding: wanneer Christus de apostelen roept en hen als een college instelt (vgl. Mar. 3, 13-19), wanneer Hij hen onderricht en uitzendt om te prediken (vgl. Luc. 9, 1-6), wanneer Hij hun de macht verleent om zonden te vergeven (vgl. Joh. 20, 22-23), wanneer Hij hun de universele zendingsopdracht toevertrouwt (vgl. Mat. 28, 18-20); en op heel bijzondere wijze wanneer Hij hun opdraagt de Eucharistie te vieren: "Doe dit tot mijn gedachtenis" (1 Kor. 11, 24). De apostelen "werden op de dag van Pinksteren volledig bevestigd [in hun zending]."[25]

Niet alleen immers hadden zij allerlei medehelpers om hen bij te staan; maar om hun eigen zending na hun dood te doen voortduren, hebben zij aan hun naaste medewerkers bij wijze van testament de taak overgedragen, het door henzelf begonnen werk te voltooien en te bevestigen... zij stelden dus dergelijke mannen aan met de opdracht, ervoor te zorgen, dat ook bij hun dood andere uitstekende mannen hun ambt zouden overnemen.... De bisschoppen hebben dus het dienstwerk voor de gemeenschap op zich genomen met als helpers de priesters en de diakens. Namens God staan zij aan het hoofd van de kudde, waarvan zij de herders zijn, en wel als leraars, als priesters van de gewijde eredienst, als dienende bestuurders."[26]

In het Nieuwe Testament wordt de apostolische bediening doorgegeven door de handoplegging gepaard gaande met gebed (vgl. Hand. 6, 6; 1 Tim. 4, 14; 5, 22; 2 Tim. 1, 6); dit is de praktijk die men vindt in de oudste wijdingsritussen, zoals die zijn opgetekend in de Traditio Apostolica en de Statuta Ecclesiae Antiqua. Deze essentiële kern, die het sacramentele teken vormt, is in de loop der eeuwen verrijkt met een aantal aanvullende riten, die kunnen verschillen naargelang de diverse liturgische tradities. "Zo laten de inleidingsriten in de Latijnse ritus - de voordracht en uitverkiezing van de wijdeling, de toespraak van de bisschop, de ondervraging van de wijdeling, de litanie van de heiligen - zien dat de keuze van de kandidaat is geschied overeenkomstig het gebruik van de Kerk en bereiden zij de plechtige handeling van de wijding voor. Na de wijding volgen verschillende riten die op symbolische wijze het voltrokken mysterie uitdrukken en voltooien: de bisschop of de priester wordt gezalfd met het heilig Chrisma, als teken van de bijzondere zalving van de Heilige Geest die hun dienstwerk vruchtbaar maakt; aan de bisschop wordt het evangelieboek, de ring, de mijter en de staf overhandigd; het zijn tekens van zijn apostolische zending om het woord van God te verkondigen, van zijn trouw aan de Kerk, bruid van Christus, en van zijn herderstaak over de kudde van de Heer; aan de priester wordt de pateen en de kelk overhandigd, "de offergave van het heilig volk" , die hij aan God dient op te dragen; aan de diaken, die zojuist de zending heeft ontvangen om het Evangelie van Christus te verkondigen, wordt het evangelieboek overhandigd." (Catechismus, 1574).

Aard en effecten van de ontvangen Wijding

Het Wijdingssacrament verleent een deelname aan het priesterschap van Christus, op de wijze die is overgeleverd door de apostolische opvolging. Het ambtelijk priesterschap onderscheidt zich van het algemeen priesterschap van de gelovigen, dat voortkomt uit het Doopsel en het Vormsel. Beide "zijn op elkaar betrokken" en op elkaar aangewezen; maar "zij verschillen van elkaar in wezen en niet slechts in graad."[27] Het is eigen en specifiek aan het ambtelijk priesterschap om "een sacramentele vertegenwoordiging van Jezus Christus – het Hoofd en de Herder"[28] te zijn, wat het mogelijk maakt om het gezag van Christus uit te oefenen in de pastorale functie van verkondiging en bestuur, en om te handelen in persona Christi bij de uitoefening van de sacramentele bediening.

De "representatie van Christus het Hoofd" (repraesentatio Christi Capitis) blijft altijd bestaan in de bedienaar, wiens ziel verzegeld is met het sacramentele merkteken, dat bij de wijding onuitwisbaar is ingegrift. Dit merkteken is daarom het voornaamste gevolg van het sacrament, en omdat het een blijvende werkelijkheid is, maakt het dat de wijding niet herhaald of weggenomen kan worden, noch voor een bepaalde tijd kan worden verleend. "Iemand die geldig gewijd is, kan weliswaar om zwaarwegende redenen ontslagen worden van de verplichtingen en functies die hij bij de wijding op zich genomen heeft of het verbod krijgen ze uit te oefenen, maar hij kan niet meer in de eigenlijke betekenis van het woord leek worden" (Catechismus, 1583).

De wijding verleent in elk van haar graden ook "de genade van de Heilige Geest die eigen is aan dit Sacrament” die “de wijdeling gelijkvormig aan Christus maakt, de priester, leraar en herder, van wie hij de bedienaar wordt." (Catechismus, 1585). Deze rol als dienaar is zowel een gave als een opgave, want de wijding wordt ontvangen met het oog op de dienst aan Christus en aan de gelovigen, die in de Kerk zijn Mystiek Lichaam vormen. Meer specifiek is voor de bisschop de ontvangen gave "de Geest van bestuur die Gij aan uw geliefde Zoon Jezus Christus hebt gegeven, en die Hij op zijn beurt aan de heilige apostelen heeft meegedeeld."[29] Voor de priester vraagt de Kerk om de gave van de Geest van God "opdat hij waardig mag zijn om onberispelijk voor uw altaar te verschijnen, het evangelie van uw koninkrijk te verkondigen, de bediening van uw woord van waarheid te vervullen, U geestelijke gaven en offers aan te bieden, uw volk te vernieuwen door het bad van de wedergeboorte, zodat zij onze grote God en Heiland Jezus Christus tegemoet kunnen treden."[30] In het geval van diakens geldt dat zij "gesterkt door de sacramentele genade, in de "diaconie" van de liturgie, van het woord en van de liefde, in gemeenschap met de bisschop en zijn priesters, ten dienste staan van het volk Gods."[31]

Graden van het Wijdingssacrament

Het diaconaat, het presbyteraat en het episcopaat behouden een intrinsieke relatie met elkaar als graden van de ene sacramentele werkelijkheid van de Wijding.

Het episcopaat is "de volheid van het Sacrament van het priesterschap", die "in de liturgische praktijk van de Kerk en door de heilige Vaders het hogepriesterschap en de bekroning van het heilig ministerie wordt genoemd."[32] “De bisschoppen hebben dus het dienstwerk voor de gemeenschap op zich genomen met als helpers de priesters en de diakens. Namens God staan zij aan het hoofd van de kudde, waarvan zij de herders zijn, en wel als leraars, als priesters van de gewijde eredienst, als dienende bestuurders."[33] Zij zijn opvolgers van de apostelen en leden van het bisschoppencollege, waarin zij onmiddellijk worden opgenomen krachtens de wijding. Binnen dit college onderhouden zij de hiërarchische gemeenschap met de Paus, het hoofd van het college, en met de andere leden. Zij zijn primair verantwoordelijk voor het gezag in de Kerk, zowel in de universele Kerk als bij het leiden van de plaatselijke Kerken. Zij besturen deze plaatselijke Kerken als "plaatsbekleders en afgezanten van Christus" en doen dit "door hun raadgevingen, aansporingen en voorbeeld, maar ook door hun gezag en gewijde macht."[34] Onder de bisschoppelijke taken "neemt de prediking van het Evangelie een bijzondere plaats in. Want de bisschoppen zijn de herauten van het geloof, die nieuwe leerlingen tot Christus brengen, en zij zijn officiële leraars, met het gezag van Christus bekleed, die aan het hun toevertrouwde volk het geloof verkondigen dat door dit volk moet worden aanvaard en beleefd." En "wanneer zij in gemeenschap met de Paus onderrichten, moeten zij door allen geëerbiedigd worden als getuigen van de goddelijke en katholieke waarheid."[35] Ten slotte oefenen zij, als beheerders van de genade van het hogepriesterschap, gezag uit over de juiste en vruchtbare praktijk van de sacramenten: "Zij regelen de toediening van het Doopsel, waardoor men deel krijgt aan het koninklijk priesterschap van Christus. Zij zijn de eigenlijke bedienaars van het Vormsel, zij dienen de heilige Wijdingen toe en stellen de boetepraktijk vast. Zij geven met zorg aansporingen en instructies aan hun volk om het bij de liturgie en vooral bij het heilig Misoffer zijn taak met geloof en eerbied te doen vervullen."[36]

Het priesterschap is door God ingesteld zodat zijn dienaren "de heilige wijdingsmacht zouden bezitten om het Offer op te dragen en de zonden te vergeven, en die in naam van Christus officieel het priesterlijk ambt zouden vervullen voor de mensen."[37] Aan priesters is de ambtsbediening toevertrouwd "in een weliswaar ondergeschikte graad", zodat zij, “als dragers van het priesterschap, de medewerkers zouden zijn van het episcopaat om een goed vervullen van de door Christus gegeven apostolische zending mogelijk te maken."[38] Het priesterschap "heeft deel aan het gezag waarmee Christus zijn Lichaam doet groeien, heiligt en bestuurt", en door de sacramentele wijding die zij hebben ontvangen, zijn priesters "getekend met een bijzonder merkteken en zodanig aan Christus-Priester gelijkvormig gemaakt, dat zij kunnen handelen in naam van Christus het Hoofd."[39] Zij "vormen samen met hun bisschop één college van priesters, belast met verschillende taken"[40] en voeren hun zending uit in onmiddellijk contact met de mensen. Meer concreet hebben priesters "als eerste de taak, aan allen het Evangelie van God te verkondigen, om zo de opdracht van de Heer: “Gaat uit over heel de wereld en verkondigt het Evangelie aan heel de schepping” uit te voeren.'"[41] Hun functie vindt haar middelpunt "bij de eucharistische eredienst, waarbij zij de persoon van Christus vertegenwoordigen, zijn mysterie verkondigen, de gebeden van de gelovigen verenigen met het offer van hun Hoofd, en het enige offer van het nieuwe verbond, namelijk dat van Christus, die zichzelf als een onbevlekte offerande éénmaal heeft geofferd aan de Vader."[42] Deze rol is verbonden met de "bediening van verlichting en verzoening", die zij uitoefenen "voor de zieken en de boetvaardige onder de gelovigen". Als ware herders, "die binnen de grenzen van hun gezag de functie van Christus als Herder en Hoofd uitoefenen, brengen zij Gods volk bijeen als een eensgezinde broederschap, en leiden zij hen in de Geest, door Christus, naar God de Vader."[43]

Diakens vormen de laagste graad van de hiërarchie. Zij krijgen de handen opgelegd "niet voor het priesterschap, maar voor een dienende functie", die zij uitoefenen als een representatie van Christus de Dienaar (repraesentatio Christi Servi). Het diaconaat is verantwoordelijk om "plechtig het doopsel toe te dienen, bewaarder en uitreiker van de Eucharistie te zijn, in naam van de Kerk huwelijken te assisteren en in te zegenen, het Viaticum naar de stervenden te brengen, de Heilige Schrift voor te lezen aan de gelovigen, het volk te onderrichten en aan te sporen, de eredienst en het gebed van de gelovigen voor te zitten, sacramentaliën toe te dienen, en voor te gaan in uitvaart- en begrafenisplechtigheden."[44]

Bedienaar en ontvanger van dit sacrament

De toediening van de Wijdingssacrament in haar drie graden is uitsluitend voorbehouden aan de bisschop: in het Nieuwe Testament dienen alleen de apostelen deze toe, en "Aangezien het Wijdingssacrament het sacrament van het apostolisch ambt is, komt het de bisschoppen toe, als opvolgers van de apostelen, de "geestelijke gave", het "apostolische zaad" over te dragen. De bisschoppen die geldig gewijd zijn, dit wil zeggen die zich in de lijn van de apostolische opvolging bevinden, dienen op geldige wijze de drie graden van het Wijdingssacrament toe" (Catechismus, 1576). De drie graden zijn door de eeuwen heen in het gewijde ambt bewaard gebleven.

Voor de geoorloofdheid van de bisschopswijding is in de Latijnse Kerk een uitdrukkelijk mandaat van de Romeinse Opperherder vereist (vgl. Wetboek van Canoniek Recht, 1013); in de Oosterse Kerken is dit mandaat voorbehouden aan de Romeinse Opperherder, de Patriarch of de Metropoliet, en is de wijding altijd ongeoorloofd bij afwezigheid van een wettig mandaat (vgl. Wetboek van Canones van de Oosterse Kerken, 745). In het geval van priester- en diakenwijdingen is vereist dat de wijdende bisschop de eigen bisschop van de kandidaat is, of de dimissoriale brieven heeft ontvangen van de bevoegde overheid (vgl. Wetboek van Canoniek Recht, 1015-1016); als de wijding plaatsvindt buiten het eigen rechtsgebied van de wijdeling, is de toestemming van de diocesane bisschop noodzakelijk (vgl. Wetboek van Canoniek Recht, 1017).

Voor de geldigheid van de wijding, in haar drie graden, is het noodzakelijk dat de kandidaat mannelijk en gedoopt is. Christus koos immers alleen mannen als apostelen, hoewel er onder degenen die Hem volgden ook vrouwen waren, die bij verschillende gelegenheden een grotere trouw toonden. Deze handelwijze van de Heer is normatief voor het hele leven van de Kerk en kan niet als tijdsgebonden worden beschouwd, aangezien de apostelen zich reeds door deze praktijk gebonden voelden en alleen mannen de handen oplegden. Dit was het geval, zelfs toen de Kerk zich verspreidde in streken waar de aanwezigheid van vrouwen in het ambt geen bevreemding zou hebben gewekt. De Kerkvaders hebben deze norm trouw gevolgd, in het besef dat het een bindende traditie betrof, die op passende wijze in synodale decreten werd weerspiegeld. De Kerk "beschouwt zich daarom niet bevoegd om vrouwen tot de priesterwijding toe te laten."[45]

Een wettige en volledig vruchtbare wijding vereist van de kant van de kandidaat ook de bovennatuurlijke werkelijkheid van een roeping, die bevestigd wordt door de uitnodiging van de bevoegde overheid (de "roeping door de hiërarchie"). In de Latijnse Kerk geldt de wet van het kerkelijk celibaat voor alle drie de graden; het "wordt niet geëist door de aard van het priesterschap zelf,"[46] maar "heeft een veelzijdige gepastheid voor het priesterschap", want door deze gave nemen geestelijken deel aan de celibataire levenswijze die Christus aannam om zijn zending te volbrengen; "blijven zij gemakkelijk met een onverdeeld hart aan Hem gebonden, zij wijden zich in Hem en door Hem vrijer aan de dienst van God en de mensen." Door de volledige toewijding van hun leven aan de hun toevertrouwde zending, "wijzen zij op dat geheimnisvolle huwelijk van de Kerk met haar enige Bruidegom Christus, dat door God in het leven is geroepen en eens ten volle geopenbaard zal worden. Bovendien worden zij een levend teken van de toekomstige wereld, die reeds aanwezig is door het geloof en de liefde en waarin zij, die verrezen zijn, niet huwen en niet ten huwelijk worden gegeven."[47] Permanente diakens, evenals diakens en priesters van de Oosterse Kerken, zijn niet verplicht tot het celibaat. Ten slotte zijn er, om gewijd te worden, bepaalde innerlijke en uiterlijke gesteldheden nodig, de vereiste leeftijd en kennis, het vervullen van de vereisten voor de wijding en de afwezigheid van beletselen en irregulariteiten (vgl. Wetboek van Canoniek Recht, 1029-1042; Wetboek van Canones van de Oosterse Kerken, 758-762). Voor kandidaten voor de bisschopswijding gelden bijzondere voorwaarden om hun geschiktheid te waarborgen (vgl. Wetboek van Canoniek Recht, 378).


Basisbibliografie

Catechismus van de Katholieke Kerk, 1533-1600, 1601-1666, 2331-2400.
De heilige Jozefmaria, Gesprekken met Mgr. Escrivá, 87-112.
De heilige Jozefmaria, Preek Het huwelijk, een christelijke roeping, in Christus komt langs, 22-30.
De heilige Jozefmaria, Preek Priester voor eeuwig, De liefde tot de Kerk, 34-50.


[1] De heilige Paulus VI, Humanae Vitae, 25 juli 1968, 8.
[2] De heilige Johannes Paulus II, Algemene audiëntie, 6 oktober 1982, 7.
[3] De heilige Johannes Paulus II, Familiaris Consortio, 22 november 1981, 11.
[4] Paus Franciscus, Amoris laetitia, 19 maart 2016, 40.
[5] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 48.
[6] Paus Franciscus, Amoris Laetitia, 63.
[7] Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 48. “In de opdracht het menselijk leven door te geven en hun kinderen op te voeden, hetgeen als de eigen zending van de echtgenoten moet worden beschouwd, weten zij zich medewerkers van de liefde van God, de Schepper, en als het ware zijn tolken.... Dan zullen de Christelijke echtgenoten, wanneer zij, vertrouwend op Gods Voorzienigheid en in een geest van offerbereidheid hun taak van voortplanting met edelmoedige, menselijke en Christelijke verantwoordelijkheid vervullen.” (Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 50).
[8] Het citaat in de Catechismus is afkomstig uit Vaticanum II, Gaudium et Spes, 49.
[9] Vgl. Paus Benedictus XVI, Sacramentum Caritatis, 22 februari 2007, 29; Congregatie voor de Geloofsleer, Brief over de Ontvangst van de Eucharistische Communie door Gescheiden en Hertrouwde Gelovigen, 14 september 1994; Catechismus, 1650.
[10] Johannes Paulus II, Familiaris Consortio, 84. Citaat uit Johannes Paulus II, Preek bij de afsluiting van de Zesde Bisschoppensynode, 25 oktober 1980, 7.
[11] Vgl. Paus Franciscus, Amoris laetitia, 307-312.
[12] Johannes Paulus II, Brief aan kardinaal William W. Baum en deelnemers aan het Jaarlijkse Seminar over Intern Recht, georganiseerd door de Apostolische Penitentiaire, 22 maart 1996; vgl. Paus Franciscus, Amoris laetitia, 311.
[13] Vgl. ibid., 303-305.
[14] Pauselijke Raad voor Wetsteksten, Over de Toelating tot de Heilige Communie van Hertrouwde Gescheiden Personen, 24 juni 2000, 2.
[15] Cf. Paus Franciscus, Amoris laetitia, 307-308.
[16] De Catechismus citeert het Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 48 en 50.
[17] Gaudium et Spes., 50.
[18] Ibid., 51.
[19] Paulus VI, Humanae Vitae, 16.
[20] Johannes Paulus II, Familiaris Consortio, 14. “Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat” (Verenigde Naties, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, 10 december 1948, art. 16).
[21] Ibid., 42; het citaat verwijst naar het Tweede Vaticaans Concilie, Decreet Apostolicam Actuositatem, 11. Vgl. Pauselijke Raad voor het Gezin, “Gezin, huwelijk en de facto samenlevingsvormen”, Vaticaanstad 2000; Congregatie voor de Geloofsleer, Overwegingen over voorstellen voor de wettelijke erkenning van samenlevingsvormen tussen homoseksuele personen, Vaticaanstad 2003.
[22] Johannes Paulus II, Familiaris Consortio, 21.
[23] Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, 11.
[24] Congregatie voor de Geloofsleer,Verklaring Dominus Iesus, 6 augustus 2000, 14.
[25] Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, 19.
[26] Ibid., 20.
[27] Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, 10.
[28] Johannes Paulus II, Pastores Dabo Vobis, 15 maart 1992, 15.
[29] Romeins Pontificaal, Bisschopswijding, Wijdingsgebed.
[30] Byzantijnse ritus, Gebed van priesterwijding.
[31] Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, 29.
[32] Ibid., 21.
[33] Ibid., 20.
[34] Ibid., 27.
[35] Ibid., 25.
[36] Ibid., 26.
[37] Tweede Vaticaans Concilie, Presbyterorum Ordinis, 2.
[38] Ibid.
[39] Ibid.
[40] Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, 28.
[41] Tweede Vaticaans Concilie, Presbyterorum Ordinis, 4.
[42] Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, 28.
[43] Ibid.
[44] Ibid., 29.
[45] Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring Inter Insigniores over de kwestie van de toelating van vrouwen tot het priesterambt, 15 oktober 1976, 100; geciteerd door Johannes Paulus II in Ordinatio Sacerdotalis, 22 mei 1994, 2.
[46] Tweede Vaticaans Concilie, Presbyterorum Ordinis, 16.
[47] Ibid.