Strijd, nabijheid, missie (19): Van hart tot hart: evangeliseren in tijden van verandering (II)

Dit is de missie die de Heer ons toevertrouwt: anderen in contact brengen met iemand die leeft; in ons concrete bestaan laten zien dat Christus werkelijk is, dat Hij deel wil uitmaken van onze geschiedenis, onze relaties, zelfs van onze zwakheden.

Het is een van Jezus’ kortste parabels, en ze draagt de charme van zijn jeugd in zich: ‘Het Rijk der hemelen gelijkt op gist, die een vrouw in drie maten bloem verwerkte, totdat deze in hun geheel gegist waren’ (Mt 13,33). In het Nazareth van de eerste eeuw bestonden er geen bakkerijen: huisvrouwen deden alles zelf — het malen van het graan, het kneden van het deeg, het mengen met gist en tenslotte het bakken in de oven. Zo werkte ook de heilige Maria, terwijl het kind Jezus met aandacht elk detail in zich opnam.[1]

Twintig eeuwen later, aan de andere kant van de Middellandse Zee, genoot een jongen van ongeveer dezelfde leeftijd tijdens de zomervakantie van hetzelfde ritueel: “Nu herinner ik me met plezier de hele ceremonie: het was een echt ritueel om de gist goed te bereiden — een klompje gefermenteerd deeg van de vorige bakbeurt — dat werd toegevoegd aan water en gezeefde bloem. Nadat het mengsel gevormd en gekneed was, werd het met een deken afgedekt en warm gehouden, tot het zo was gerezen dat het niet meer verder kon. Daarna werden stukken ervan in de oven geschoven en kwam er heerlijk brood uit tevoorschijn, vol luchtgaatjes, prachtig. Omdat de gist goed bewaard en bereid was, liet men die verdwijnen in die hele hoeveelheid deeg: de kwaliteit en waarde van het geheel kwamen er juist door tot stand”.[2]

Zoals gist

Het Rijk van God is als gist. Om een grote hoeveelheid deeg te doen rijzen, is maar weinig gist nodig: het belangrijkste is dat deze kleine hoeveelheid levend en actief is, en goed wordt vermengd zodat ze niet meer te onderscheiden is van de rest.[3] Dan begint een discreet, ogenschijnlijk onbeduidend maar onweerstaanbaar proces: de gisting die brood mogelijk maakt. “Laat ons hart vervuld zijn van vreugde bij de gedachte dat wij dat zijn: gist die het deeg doet rijzen (...); die alle harten bereikt en daarin het grote werk verricht om ze om te vormen tot goed brood, dat vrede geeft — de vreugde en de vrede van alle gezinnen en alle volkeren: iustitia, et pax, et gaudium in Spiritu Sancto; gerechtigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest”.[4]

In de loop der jaren zou de heilige Jozefmaría vaak naar deze parabel verwijzen,[5] omdat hij hierin een treffend beeld zag voor de apostolische dynamiek van het Opus Dei: christenen die volledig vermengd zijn met de massa van de wereld, geroepen om haar van binnenuit tot leven te wekken — zoals gist.[6] In die zin is de geseculariseerde wereld, hoe vijandig ze soms ook lijkt, in werkelijkheid de natuurlijke omgeving voor het charisma van het Opus Dei. En omgekeerd: het Werk, als één van de vele stemmen binnen de grote familie van de Kerk, wil juist bijdragen aan de incarnatie van de christelijke boodschap in alle dimensies van het leven in een geseculariseerde samenleving.

De heilige Jozefmaría begreep al vroeg dat het Werk niet bedoeld was om een tijdelijk probleem van maatschappij of Kerk op te lossen,[7] want de wereld zal altijd een goddelijke impuls nodig hebben die haar van binnenuit vernieuwt. Tegelijkertijd komt deze gave van de Heilige Geest aan de Kerk niet toevallig in een tijd waarin een christelijke cultuur plaatsmaakt voor een wereld van apostolische zending. Wanneer het christendom niet langer vanzelfsprekend aanwezig is in cultuur en instellingen, is de meest overtuigende getuigenis die we kunnen geven die van ons concrete leven — geleefd met Christus, samen mét anderen. Dit is de tijd van authentieke gesprekken, van nabijheid, van open harten. Het is de tijd van een apostolaat dat de aanwezigheid van Jezus in alle hoeken van de wereld verlangt, doorheen zijn leerlingen.

Eerder getuigen dan onderwijzen

Met de woorden van de heilige Paulus VI: “De hedendaagse mens luistert liever naar getuigen dan naar leraren, en als hij luistert naar leraren, dan is dat omdat zij getuigen zijn .”[8] Dit apostolaat ontstaat niet in de eerste plaats uit wat we weten, maar uit wat we beleven. Het draait minder om briljante antwoorden of sluitende argumenten dan om een leven dat door Christus is doordrongen, en de moed – of beter: de eenvoud – om dat zichtbaar te laten worden. De heilige Jozefmaría verwoordde het eens kernachtig: “In werkelijkheid volstaat het dat jullie je laten behandelen.”[9] Het is genoeg om het vuur van Christus in je hart te dragen en samen met anderen – want dat is de oorspronkelijke betekenis van ‘conversatie’ – de weg door het leven te gaan.

In het hart van velen leeft een verborgen honger: naar zin, naar schoonheid, naar waarheid. Die wordt niet altijd in religieuze termen uitgedrukt; ze laat zich voelen in dagelijkse vermoeidheid, in twijfels, angsten en kwetsuren. Juist daar mogen we zacht binnentreden, niet als leraren maar als metgezellen. Met nederigheid – wandelen in de waarheid[10] – kunnen we vertellen wat ons draagt, wat ons vrede geeft, waar we kracht vinden en wat ons hoop schenkt. We delen ons innerlijk leven, onze zoektocht, onze intieme vriendschap met de Heer; en we durven daarbij ook onze kwetsbaarheid te tonen, want juist daarin wordt de genade het meest zichtbaar.

“Als we dat doen, zullen wij onze medemensen een getuigenis geven van een eenvoudig en normaal leven, met de beperkingen en gebreken die horen bij de menselijke conditie, maar een leven dat integer is. En als anderen zien dat wij in alles op hen lijken, dan zullen ze ons bij gelegenheid vragen: Waardoor komt het dat je zo blij bent? Waar haal je de kracht vandaan om je egoïsme en je gemakzucht te overwinnen? Wie leert je begrip op te brengen, belangeloos met anderen mee te leven, je te geven, dienstbaar te zijn? Dat is het moment om het goddelijk geheim van het christelijk leven bekend te maken, om met hen over God te spreken, over Christus, over de heilige Geest, over Maria. Dat is het moment om door middel van onze armzalige woorden de dwaasheid van de liefde van God, die door de genade in ons hart is uitgestort, aan hen over te brengen.”[11]

Van hart tot hart

De heilige Jozefmaria beschouwde vriendschap als de belangrijkste weg in het leven van een apostel; hij zag de kracht van interpersoonlijke relaties, van ontmoetingen van mens tot mens. Het apostolaat van “vriendschap en vertrouwen”[12]] betekent dat je het goede voor de ander wilt, dat je wilt dat de ander ten volle tot zijn recht komt; dat je authentieke relaties opbouwt en spreekt vanuit je hart. “Als ik met je spreek over het apostolaat van vriendschap, heb ik het over de vriendschap, van persoon tot persoon, vol toewijding en oprechtheid: op gelijk niveau, van hart tot hart.”[13]

In 2019 herinnerde de Vader ons eraan dat vriendschap niet slechts een onderdeel is van het apostolaat van een gewone christen, maar de kern vormt van zijn missie. Vriendschap is niet iets wat je doet, maar iets wat je bent: een vriend, een uitgestoken hand, een blik die steeds opnieuw de ontmoeting zoekt. “Wanneer een vriendschap zo is, loyaal en oprecht, kan deze niet worden geïnstrumentaliseerd: de ene vriend wil gewoon aan de ander het goede doorgeven dat hij in zijn leven ervaart. We zullen het meestal doen zonder ons ervan bewust te zijn, door het voorbeeld, door de vreugde en de wens om te dienen, die zich uit in talloze kleine attenties. “De waarde van de getuigenis betekent echter niet dat het woord tot zwijgen moet worden gebracht. Waarom niet over Jezus praten, waarom anderen niet vertellen dat Hij ons kracht geeft om te leven, dat het goed is om met Hem te spreken, dat het goed voor ons is om over zijn woorden te mediteren?” Vriendschap leidt dus vanzelfsprekend tot persoonlijk vertrouwen, vol fijngevoeligheid en respect voor vrijheid, een gevolg van de authenticiteit van die vriendschap.”[14]

Deze apostolische stijl maakt geen lawaai; hij blijft meestal onopgemerkt in kranten, congressen en pastorale plannen. Zijn discretie vloeit niet voort uit geheimzinnigheid, maar uit een diepere waarheid: dat een belangrijk deel van de echte geschiedenis zich afspeelt in het gewone leven. Een schrijfster uit de negentiende eeuw verwoordde het zo: “Het groeiende goede in de wereld hangt gedeeltelijk af van daden die nooit in de geschiedenisboeken komen; dat het met jou en mij niet slechter gaat, danken we deels aan de velen die trouw een verborgen leven hebben geleid en nu rusten in graven die niemand bezoekt.”[15]

Deze apostolische stijl — die de Kerk vandaag meer dan ooit nodig heeft — verandert de wereld van binnenuit. Hij gaat langzaam, ja, maar raakt tot in het diepst van het hart. Hij raakt het hart. En een hart dat door de genade is geraakt, kan weliswaar dwalen of verward raken, maar blijft voor altijd getekend. Zo worden echte christenen doorgaans geboren: door een overdracht van hart tot hart. Cor ad cor loquitur — het hart spreekt tot het hart — zoals het motto van kardinaal John Henry Newman luidde. Zo ontstond de Kerk: met een handvol mannen en vrouwen die door hun ontmoeting met Jezus veranderd waren. En zo wordt zij ook vandaag telkens opnieuw geboren: door eenvoudige gesprekken tussen vrienden, oprechte woorden, authentieke gebaren, die verwijzen naar een levende Aanwezigheid.

Deze langzame maar krachtige stroom van leven, van de ene persoon naar de andere, moet zich steeds aan de omstandigheden aanpassen. Zoals in elke tijd hebben wij de boeiende opdracht om een manier te vinden om “de christelijke boodschap door te geven aan alle zielen, passend bij de tijd waarin zij leven, zich aanpassend aan de taal van de mensen en met de kennis van hun manier van denken.”[16] Het is meestal een persoonlijke overdracht — één voor één. Zonder grote acties of massale manifestaties. “Geloof me, het apostolaat, de catechese, dienen in de regel te werken als het systeem van de haarvaten: één voor één. Iedere gelovige geeft zijn geloof door aan iemand in zijn omgeving. Voor ons, als kinderen van God, zijn alle zielen van belang, omdat elke ziel voor ons belangrijk is.”[17]

De eerste christenen “moesten omwille van hun bovennatuurlijke roeping geen sociale of menselijke programma’s uitvoeren; maar zij waren doordrongen van een geest, van een opvatting van het leven en van de wereld, die onvermijdelijk gevolgen zou hebben voor de maatschappij waarin zij actief waren.”[18] In wezen is dit de missie die de Heer ons toevertrouwt: getuigen zijn, niet enkel leraren. Niet alleen voorschriften en morele principes doorgeven, maar anderen in contact brengen met Iemand die leeft. Door ons concrete leven laten zien dat Christus echt is, dat Hij deel kan uitmaken van onze geschiedenis, onze relaties, onze zwakheden. En dit contact met de levende Christus zal hen ertoe brengen — zoals op de morgen van Pinksteren — te vragen: “Wat moeten we doen?” (Hand. 2,37). Dan is het moment gekomen om te spreken, te onderwijzen, te begeleiden.

De heilige John Henry Newman — onlangs door paus Leo XIV uitgeroepen tot kerkleraar — bad als volgt: “Blijf bij mij, dan zal ik stralen zoals U straalt; zo stralen dat ik een licht ben voor anderen. Het licht, Jezus, zal geheel van U komen; niets zal van mij zijn, geen verdienste van mijn kant. U zult het zijn die door mij heen op anderen straalt. Laat mij U loven zoals U dat wilt: door mensen om mij heen te verlichten. Geef hun licht zoals U mij licht geeft; verlicht hen met mij en door mij. Leer mij uw lof, uw waarheid, uw wil uit te stralen. Laat mij U verkondigen zonder te preken: niet met woorden, maar met het voorbeeld; met de aantrekkingskracht en de vriendelijke invloed van mijn daden; door mijn gelijkenis met de heiligen, door de overvloedige liefde van mijn hart.”[19]

Opmerkelijk dat iemand die zoveel over het geloof schreef en preekte, zo bad. Het is dus duidelijk dat de bedoeling niet is te zwijgen: de Heer vraagt dat we rekenschap geven van onze hoop (vgl. 1 Petr. 3,15). Maar onze woorden — net als onze daden — zullen alleen vruchtbaar zijn wanneer ons hart brandt van het vuur van Christus (vgl. Lc. 24,32). Wie zo apostel is, ziet misschien niet onmiddellijk vruchten, of geen spectaculaire resultaten. Maar ook de heilige Maria en de heilige Johannes aan de voet van het kruis zagen die niet; noch de heilige Paulus in de gevangenis; noch talloze christenen doorheen de eeuwen. En toch hebben zij de wereld veranderd. Want de Kerk wordt niet vernieuwd door massabewegingen, maar door de stille en geduldige werking van het zuurdeeg — door de overdracht van het leven dat wij in ons dragen. Dat is de grote verantwoordelijkheid die God in onze handen legt. De Kerk — en het deel van de Kerk dat het Werk is — dat zijn wij allemaal. Daarom vroeg de heilige Jozefmaría aan de eersten: “Als ik sterf, gaan jullie dan door met het Werk?”[20]


[1] Vgl. F. M. Willam, Vida de María, la Madre de Jesús, Herder, Barcelona 1982, p. 151.

[2] Heilige Jozefmaria, Brief 1, nr. 5.

[3] “Om gist te zijn, is één voorwaarde noodzakelijk: dat jullie onopgemerkt blijven. Gist heeft geen effect als het niet in het deeg wordt gedaan, als het niet met het deeg vermengd wordt.” (Brief 1, nr. 5). “Er is maar één ding dat ons onderscheidt: dat we ons niet onderscheiden. Daarom vinden sommige mensen die graag de aandacht trekken of gek doen ons vreemd, omdat we niet vreemd zijn.” (Ibid., nr. 8).

[4] Ibid., nr. 5.

[5] Vgl. bijvoorbeeld Vrienden van God, nr. 257; Brief 29, nrs. 7-8; De Smidse, nr. 973.

[6] Vgl. Heilige Jozefmaria, In dialoog met de Heer, nr. 12.

[7] Vgl. Heilige Jozefmaria, Instructie, 19-III-1934, nrs. 6, 8, 14.

[8] Heilige Paulus VI, apostolische exhortatie Evangelii nuntiandi, nr. 41.

[9] Heilige Jozefmaría, woorden uit een samenzijn rond 1958, opgetekend in P. Rodríguez, Omnia traham ad meipsum: El sentido de Jn 12,32 en la experiencia espiritual de Mons. Escrivá de Balaguer, Romana 13 (1991/2) p. 349.

[10] Heilige Teresa van Jezus, De innerlijke burcht 6, 10.

[11] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 148.

[12] Zo verwees de heilige Jozefmaria naar het apostolaat in deze context van vriendschap, die wederzijdse openheid van hart bevordert. Vgl. L. Flamarique, Amistad», in Diccionario de san Josemaría Escrivá de Balaguer, Monte Carmelo, Burgos 2013.

[13] Heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 191

[14] F. Ocáriz, Pastorale Brief, 1-11-2019, nr. 18. Vgl. paus Franciscus, postsynodale brief Christus vivit, nr. 176.

[15] G. Eliot, Middlemarch (vol. II), Harper & Brothers, New York 1873, p. 452

[16] Heilige Jozefmaria, Brief 6, nr. 30.

[17] Heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 943.

[18] Heilige Jozefmaria, Brief 29, nr. 22.

[19] Heilige John Henry Newman, Meditaties en Devoties, Longmans Green & Co, Nueva York-Londres 1907, p. 365.

[20] ] S. Bernal, Monseñor Josemaría Escrivá de Balaguer. Apuntes sobre la vida del Fundador del Opus Dei, Madrid, Rialp 1980, 6ª ed., p. 356.

Lorenzo De Vittori