Acht sleutels tot geschriften Joseph Ratzinger

Er zijn acht sleutels die de theologische geschriften van Joseph Ratzinger toegankelijker maken, aldus aartsbisschop Bruno Forte van Chieti-Vasto in een voordracht aan de Pauselijke Universiteit van het Heilig Kruis in Rome.

De aartsbisschop, lid van de Internationale Theologencommissie, poneerde zijn ideeën in het kader van een seminar voor mediaprofessionals aan de door de prelatuur van het Opus Dei opgerichte Pauselijke Universiteit van het Heilig Kruis. Als eerste sleutel voor het kunnen bevatten van het gedachtegoed van Razinger, gaf hij een kort exposé over het historische en culturele klimaat, waarin het theologische werk van de huidige paus kon rijpen.

Na 1968, toen het “tijdperk van de utopie” en de visie van de “overbodige God” op de voorgrond trad, kreeg het werk van Ratzinger zijn anti-ideologisch karakter, verklaarde de 56-jarige prelaat. Toen in het jaar 1989 het “tijdperk van demystificeren” en die van de “dode God” de overhand gekregen hadden, nam Ratzinger zich voor de “horizonten van de zin, de vreugde en de hoop” te ontdekken. In deze jaren heeft de huidige paus het “Deus-caritas-concept” ontwikkeld. De eerste encycliek van de Heilige Vader behandelt daarom niet iets volkomen nieuws, maar veeleer iets dat “lang gerijpt” is.

De tweede sleutel ligt volgens aartsbisschop Bruno Forte besloten door in te zien welke taak toekomt aan de theologie. De paus beschouwt theologie als “diakonia [liefdesdienst] aan de waarheid in het huis van de waarheid, dus in de Kerk.” Zij richt zich op om “door de dienst van het verstand onder de mensen getuigenis af te leggen van het Woord.” God, zo ging aartsbisschop Forte door, vindt men namelijk niet in de eenzaamheid, maar in de gemeenschap. In haar ontsluit zich de volle waarheid die ons is overgeleverd.

De derde sleutel ligt voor de aartsbisschop in de betekenis van de geloofsakt. Aan de hand van een citaat uit het boek Inleiding in het christendom van kardinaal Ratzinger merkt de theoloog op, dat geloof betekent “zijn instemming aan die zingeving geven, die wij zelf niet kunnen vergaren, maar die wij slechts als geschenk kunnen ontvangen.” De christelijke God zou alleen een persoonlijke God kunnen zijn, namelijk God de Vader, die de bijbelse geschiedenis als de levende God openbaart, als de God Jezus Christus. Een God, die men niet kent, kan men niet liefhebben, onderstreepte aartsbisschop Forte. Alleen een persoonlijke God kan men liefhebben, ... een God, tot wie de mens zich wendt en tot wie wij ons ook kunnen richten. De relatie tussen de mensen en God is op basis hiervan in het christendom geen “dualistische”: het bestaat zonder tegenspraak tussen het menselijke en het goddelijke, tussen geloof en verstand. Deze bijzondere relatie is veeleer te zien als “ontmoeting” en overeenstemming.

Een ander belangrijk punt in Ratzingers gedachtegoed is, aldus de aartsbisschop, het idee dat “in Jezus Christus het menselijke en het goddelijke zich weliswaar ontmoeten, maar niet versmelten.” God is niet het antwoord op de verwachtingen van de mensen, want Hij overstijgt deze: “Hij is het hiernamaals, dat ons overvalt, dat ons verwart en verontrust.”

De zesde sleutel die de aartsbisschop van Chieti-Vasto aanvoert, is het begrip Kerk. Joseph Ratzinger respectievelijk Benedictus XVI beschouwt de Kerk als de plaats waar God woont. “De Kerk moet altijd luisteren naar de Heilige Geest, ernaar leven en bereid zijn, ook weerstanden, die ertegen gericht zijn, te erkennen.” De aartsbisschop wees in deze samenhang erop hoe noodzakelijk is om zich de fouten uit het verleden in te zien.

Het begrip over het hiernamaals, de eschatologie, speelt in de werken van Ratzinger ook een doorslaggevende rol. Zij bepaalt de identiteit van de christen, die van “gevangenen van de toekomst van God,” die tegen de achtergrond van de oneindige God zijn beslissingen neemt. Door het geloof en de sacramenten leeft de christen in een “voorziene en verlangende verwachting van de laatste dingen,” natuurlijk is de mens evenzo daartoe geroepen om vaak “tegen de stroom in te roeien.”

Afsluitend schetste aartsbisschop Forte dat beeld, dat het gehele theologische werk van Benedictus XVI samenvat: die van Maria. Zij is de “synthese van de ecclesiologie, een zeer concrete en persoonlijke icoon, die in de harmonische orde van het christelijke gedachtegoed tot uitdrukking komt.”

De aartsbisschop beëindigde zijn voordracht, waarin hij de verschillen tussen paus Johannes Paulus II en Benedictus XVI belichtte. Als Karol Wojtyla een individuele antropoloog was geweest, dan zou men Joseph Ratzinger een theoloog moeten noemen, die daarbij een “catecheet is, een drager van de mogelijkheid tot ontmoeting van verschillende tradities en culturen.”