“Wij gaan de verplichting te leven niet uit de weg”

Je werd heel ernstig toen je me hoorde zeggen: Ik aanvaard de dood wanneer Hij wil, zoals Hij wil en waar Hij wil. En tegelijkertijd denk ik dat het 'te gemakkelijk' is vroeg te sterven, want we moeten vele jaren willen werken voor Hem en - om Hem - ten dienste van de anderen. (De Smidse, 1039)

U zal Ik uit uw gevangenschap verlossen, waar gij u ook maar bevindt (Jer 29, 14). Wij bevrijden ons uit de slavernij, door het gebed: wij ervaren dat wij vrij zijn en wij stijgen op in de huwelijkszang van de toegenegen ziel, een minnezang die ons doet verlangen nooit van God gescheiden te worden. Een nieuwe manier om deze aarde te bewandelen, een goddelijke, bovennatuurlijke, wonderbaarlijke manier. In het voetspoor van veel Spaanse auteurs uit de zestiende eeuw zouden wij misschien ook wel willen proeven hoe heerlijk het is, dat ikzelf niet meer leef. Christus is het die leeft in mij (vgl. Gal 2, 20).

Wij aanvaarden graag de noodzaak in deze wereld te werken, jarenlang, omdat Jezus hier beneden weinig vrienden heeft. Wij gaan de verplichting niet uit de weg te leven, op te branden —dat is de juiste uitdrukking— ten dienste van God en de Kerk. En wel in vrijheid: in libertatem gloriae filiorum Dei (Rom 8, 21), qua libertate Christus nos liberavit (Gal 4, 31); in de vrijheid van de kinderen Gods, voor welke vrijheid Christus ons heeft vrijgemaakt: door te sterven aan het kruishout.

Het is mogelijk, dat er van meet af aan stofwolken opgeworpen worden en dat vijanden van onze heiliging tegelijkertijd een zo hevige en goed georkestreerde techniek van psychologisch terrorisme —machtsmisbruik— aanwenden, dat zij ook mensen die er lange tijd een ander, logischer en juister gedrag op nahielden, in hun absurde richting meeslepen. Hun stem klinkt als een gebarsten klok die niet uit het goede metaal gegoten is; heel anders dan het gefluit van de herder. Zij halen het woord naar beneden dat een van de kostbaarste gaven is van God aan de mens, het allermooiste geschenk om de diepe gevoelens van liefde en vriendschap jegens God en zijn schepselen te doen blijken. Zij gaan daarin zover, dat op hen van toepassing is wat de heilige Jakobus zegt over de tong die naar zijn zeggen een wereld van ongerechtigheid (Jak 3, 6) is. De tong kan zoveel schade veroorzaken: leugens, beschimpingen, onteringen, bedrog, beledigingen, slinkse insinuaties.

Vrienden van God, 297-298