“God weerstaat de hovaardigen”

Een veilige weg tot de nederigheid is te overwegen dat we - ook al hebben we geen talent, naam of fortuin - efficiënte werktuigen kunnen zijn als we ons tot de Heilige Geest wenden om te vragen of Hij ons zijn gaven meedeelt. Ondanks dat de Apostelen drie jaar lang door Jezus waren onderwezen, vluchtten ze ontzet voor de vijanden van Christus. En toch lieten ze zich na Pinksteren geselen en opsluiten en gaven ze ten slotte hun leven als getuigenis van hun geloof. (De Voor, 283)

Onze Heer, Jezus Christus, geeft ons in zijn prediking heel vaak een voorbeeld van nederigheid: Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart (Mat 11, 29). Zo zullen wij leren, dat er geen andere weg is, dat we alleen in het eerlijk kennen van ons niets de goddelijke genade binnen ons bereik zullen brengen. “Omwille van ons is Jezus gekomen om honger te lijden en anderen te eten te geven, is Hij gekomen om dorst te voelen en anderen te drinken te geven, is Hij gekomen om zich te bekleden met onze sterfelijkheid en anderen te kleden met onsterfelijkheid, is Hij arm gekomen om anderen rijk te maken” (H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos, 49, 19 (PL 36, 577)).

God weerstaat de hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade (1 Petr 5, 5), leert ons de heilige apostel Petrus. In alle tijden en in alle menselijke omstandigheden van het leven is er voor de mens maar één weg om een godgericht leven te leiden, de weg der nederigheid. Verheugt de Heer zich dan over onze vernedering? Natuurlijk niet. Wat zou Hij, die alles geschapen heeft, die al wat bestaat in stand houdt en bestuurt, kunnen winnen bij onze vernedering? God wil onze nederigheid, opdat wij onszelf ontledigen, waarna Hij ons kan vullen. Hij wil, dat we hem niets in de weg leggen, opdat —om het in menselijke bewoordingen uit te drukken— er in ons arme hart meer plaats zal zijn voor zijn genade. Want de God die ons aanspoort nederig te zijn, is dezelfde die ons armzalig lichaam zal herscheppen en het gelijkvormig zal maken aan zijn verheerlijkt lichaam, met dezelfde kracht die Hem in staat stelt het heelal aan zich te onderwerpen (Fil 3, 21). De Heer maakt ons tot de zijnen, vergoddelijkt ons met een 'juiste vergoddelijking'.

Vrienden van God, 97-98