Inhoud
1. God geeft de mens het vermogen om de schepping te beheersen
2. Het beeld van God in de mens, de basis van de heerschappij van de mens
3. Werken in Gods plan
4. Ecologie. De heerschappij van de mens en de waarde van de natuur
- Basisbibliografie
1. God geeft de mens het vermogen om de schepping te beheersen
Volgens het boek Genesis schiep God man en vrouw en riep Hij hen op om samen Zijn scheppingsplan uit te voeren. Deze roeping blijkt uit de heerschappij over de wereld die God aan de mens toekent.
De toekenning van deze missie komt vooral tot uiting in drie teksten van Genesis:
“God sprak: ‘Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’” (Gen 1,26).
“God zegende hen, en God sprak tot hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’” (Gen 1,28).
“Toen bracht Jahwe God de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te beheren.” (Gen 2,15).
God heeft mensen de macht gegeven om met verstand en vrijwillig deel te nemen aan het vervolmaken van de harmonie van de schepping, voor ieders eigen welzijn en dat van de rest van de mensheid.[1] God maakt mensen tot Zijn medewerkers.
Het oorspronkelijke goddelijke plan was dat mannen en vrouwen, levend in harmonie met God, met elkaar en met de wereld,[2] niet alleen zichzelf, maar ook het hele universum naar de Schepper zouden richten, zodat de schepping via hen God eer zou geven.[3]
“De schepping is met het oog op de sabbat, en dus op de eredienst en de aanbidding van God, tot stand gebracht. De eredienst staat in de orde van de schepping geschreven” (vgl. Gen 1,14).[4]
Deze heerschappij, die zich uitstrekt over de hele zichtbare wereld en alle hulpbronnen die zich daarin bevinden,[5] is toegekend aan alle mannen en vrouwen. Hieruit kunnen de volgende consequenties worden getrokken:
a) Het absolute eigendom van de aarde behoort toe aan God: “Van de Heer is de aarde en al wat zij draagt, de wereld en wie haar bevolken” (Ps 24,1).[6] De mens is eenvoudigweg de beheerder.
b) De natuur is niet iets dat geen eigenaar heeft, maar is het erfgoed van de hele mensheid. Daarom moet het gebruik ervan iedereen ten goede komen.[7]
c) “Wat het gebruik betreft van de aardse goederen die de mens rechtmatig bezit: hij mag deze niet uitsluitend beschouwen als zijn privé-eigendom, maar evenzeer als gemeenschappelijk bezit, in de zin dat ze niet alleen hemzelf maar ook anderen tot voordeel kunnen strekken”.[8]
2. Het beeld van God in de mens, de basis van de heerschappij van de mens
De mens heeft, voor zover hij een lichamelijke dimensie heeft, een zekere gelijkenis met andere wezens. Maar omdat hij een spirituele dimensie heeft, heeft hij een echte affiniteit met God, want hij is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, en God heeft hem onsterfelijkheid beloofd.
Het beeld van God in de mens is de basis van zijn macht over de schepping:
“De mens is het beeld van God o.a. door de opdracht die hij van zijn Schepper ontvangen heeft om de aarde te onderwerpen. In het uitvoeren van deze opdracht weerspiegelt elke mens de activiteit van de Schepper van het heelal.”[9]
De voorwaarde om naar het beeld van God te zijn geeft ook de manier aan om Zijn heerschappij uit te oefenen: mannen en vrouwen moeten het bezit, de heerschappij en het gebruik van geschapen werkelijkheden ondergeschikt maken aan de goddelijke gelijkenis en aan de roeping van de mens tot onsterfelijkheid.[10]
“Die taak is het ‘heersen’ over de andere schepselen, het bewerken van de tuin,en die taak moet vervuld worden in het kader van gehoorzaamheid aan de goddelijke wet en dus in eerbied voor het beeld dat de mens ontvangen heeft en dat de duidelijke grondslag is van de macht om te heersen, waarmee hij toegerust is met het oog op zijn vervolmaking.”[11]
Als beeld van God delen mensen in de goddelijke wijsheid en Gods soevereiniteit over de wereld.[12] En juist daarom moeten ze de aarde benaderen met dezelfde houding als de Schepper, die niet alleen almachtig is, maar ook de wereld regeert in Zijn liefdevolle Voorzienigheid. Daarom moeten de mensen op aarde handelen “in heiligheid en gerechtigheid (…) en in oprechtheid van hart” (Wijsheid 9,3), met wijsheid en liefde,[13] “als haar ‘meester’, haar verstandige en nobele ‘beschermer’, en niet als haar niets ontziende ‘uitbuiter’ en ‘verwoester’.”[14] Zo wordt door de mens Gods voorzienigheid over de wereld zichtbaar en effectief gemaakt.
De mensheid heeft de missie gekregen om de wereld te perfectioneren, niet om haar te vernietigen; om het niet in chaos te veranderen, “maar in een mooie woonplaats waar alles gerespecteerd wordt.”[15] Dit vermogen van de mens is geen absolute macht, want zo’n macht komt alleen God toe, en veel minder is het een despotische macht om “te gebruiken en te misbruiken” of om over dingen te beschikken zoals men wil.[16]
“De mens heeft ongetwijfeld van God Zelf de taak ontvangen om over de geschapen dingen te ‘heersen’ en de ‘tuin’ van de wereld ‘te bewerken’; maar dit is een taak die de mens moet vervullen in eerbied voor het beeld van God dat hij ontvangen heeft, en dus met intelligentie en liefde: hij moet zich verantwoordelijk voelen voor de gaven die God hem geschonken heeft en hem voortdurend blijft schenken.”[17]
Het begrip beheer is een treffende manier om de taak van de mens ten opzichte van de wereld uit te drukken.[18] We hebben het geschenk van de geschapen wereld ontvangen om er beheerder van te zijn, voor onze eigen volmaaktheid en die van onze medemensen.[19]
3. Werken in Gods plan
Mannen en vrouwen voeren Gods gebod met betrekking tot de wereld - om de aarde te bewerken en te verzorgen - uit door te werken. Werk wordt de mens dus niet opgelegd als gevolg van de erfzonde, maar maakt vanaf het begin deel uit van Gods plan:
“Vanaf het begin van zijn schepping heeft de mens moeten werken. En dat is geen bedenksel van mij. Je hoeft alleen maar de eerste bladzijden van de Heilige Schrift op te slaan en daar staat te lezen dat —voordat de mensheid bezocht werd door de zonde en, als gevolg van die belediging, door dood en ontberingen en lijden — God Adam gevormd heeft uit stof der aarde. En Hij schiep voor hem en zijn nageslacht deze prachtige wereld waarin we leven, ut operaretur et custodiret illum (Gen 2,15), om die te bewerken en te beheren.
“Laten we er geheel en al van overtuigd zijn, dat arbeid een prachtige werkelijkheid is, die ons opgelegd wordt als een onverbiddelijke wet waaraan we allemaal, op de een of andere manier, onderworpen zijn, hoewel sommigen proberen haar te omzeilen. Luister goed: deze verplichting is niet ontstaan als een gevolg van de erfzonde en kan ook niet teruggebracht worden tot een uitvinding van de moderne tijd. Het gaat om een onontbeerlijk middel dat God ons toevertrouwt hier op aarde. Zo verlengt Hij onze dagen en maakt Hij ons deelgenoot van Zijn scheppende macht, zodat we in ons levensonderhoud kunnen voorzien en tegelijkertijd plukken van ‘de vruchten tot eeuwig leven’ (Joh 4,36): de mens komt ter wereld om te werken, de vogel om te vliegen (Job 5,7).”[20]
“Wanneer de mens door zijn handenarbeid of met behulp van de techniek de aarde bewerkt om haar vruchten te doen voortbrengen en haar te maken tot een waardige woonplaats voor de gehele mensenfamilie”[21] en tegelijkertijd in zijn eigen levensonderhoud en dat van zijn gezin voorziet, verleent hij een dienst aan de maatschappij; hij werkt persoonlijk mee, zodat Gods eigen scheppingswerk kan worden ontwikkeld en voltooid, zodat het goddelijke plan in de geschiedenis kan worden vervuld, en met deze actie vervolmaakt hij ook zichzelf.[22]
De sociale dimensie van de mens impliceert dat we noodzakelijkerwijs met elkaar verbonden zijn en elkaar daarom nodig hebben. In zekere zin is deze realiteit een uitdrukking van het geschapen zijn naar het beeld van God. God Zelf is een gemeenschap van personen die het hoogste goed delen. Op dezelfde manier maken mannen en vrouwen door werk en dienstbaarheid Gods zorg voor ieder mens zichtbaar en op dezelfde manier ontvangen zij Gods zorg door het werk en de dienstbaarheid van anderen.
4. Ecologie. De heerschappij van de mens en de waarde van de natuur
De term “ecologie” (van het Griekse oikía, wat “huis” betekent) is vooral van toepassing op de relatie van de mens met de natuur.
In de afgelopen decennia zijn de leer van de Kerk over ecologie en milieu overvloedig geweest.[23]Zonder in te gaan op specifieke oplossingen, die niet onder de bevoegdheid van haar leergezag vallen, reikt de Kerk belangrijke principes aan die een onmisbare leidraad vormen voor de relatie van de mens met de wereld.
De natuur in dienst van de mens
De natuur heeft een waarde die objectief is, maar niet absoluut. Het geschenk van de aarde is aan de mensheid gegeven zodat die alle mannen en vrouwen kan dienen en samen met hen God kan verheerlijken.
Zo deelt de natuur in dezelfde roeping van dienstbaarheid die ook de mens heeft.[24]
“Elk soort leven moet worden gerespecteerd, gekoesterd en zelfs bemind, zoals de schepping van de Heer God, die alles ‘goed’ heeft geschapen.’ Maar het is juist de speciale waarde van het menselijk leven die ons verplicht, en in feite dwingt, om zorgvuldig te onderzoeken hoe we de andere geschapen soorten gebruiken.”[25]
Daarom is, om de natuur te beschermen, “het doorslaggevende probleem”, benadrukte Benedictus XVI, “het morele gedrag van de samenleving. Als het recht op leven en op een natuurlijke dood niet geëerbiedigd wordt, als conceptie, zwangerschap en de geboorte van de mens op kunstmatige wijze plaats hebben, als embryo’s worden opgeofferd voor onderzoek, dan verdwijnt uiteindelijk het begrip ‘menselijke ecologie’, en daarmee het begrip ‘ecologie van het milieu’, uit het algemeen bewustzijn. Het is inconsequent van de nieuwe generatie wel eerbied voor het natuurlijke milieu te eisen, indien opvoeding en wetgeving hen niet helpen om eerbied voor zichzelf te hebben.”[26]
Het leven van andere geschapen wezens is ook van grote waarde, maar deze waarde staat niet los van de mens. Integendeel, de waarde van het leven van dieren en planten krijgt zijn volle betekenis als het wordt geplaatst in relatie tot het leven van de mens. Paus Franciscus vestigt de aandacht op de duidelijke incoherentie van het tegenover elkaar stellen van deze twee waarden:
“We zien soms een obsessie om de mens iedere voorrang te ontzeggen: er wordt dan meer nadruk gelegd op het beschermen van andere soorten dan in het verdedigen van de waardigheid van de mens.”[27] “Een gevoel van innige gemeenschap met de andere wezens in de natuur kan niet authentiek zijn, als er tegelijkertijd in het hart geen tederheid, medeleven en bezorgdheid is voor onze medemens.”[28]
Respect voor de natuur
“De menselijke ingreep is niet ‘scheppend’; deze vindt een materiële natuur tegenover zich, die eveneens haar oorsprong heeft in God de Schepper en waarover de mens als de ‘verstandige en verantwoordelijke bewaker’ is aangesteld.”[29]
De natuur is niet het werk van de mens, maar van God. De waarde ervan is niet wat de mens eraan wil geven, indien hij zichzelf als maatstaf ziet. Het staat tot zijn dienst: niet in dienst van zijn grillen, maar eerder van zijn perfectie als persoon. Het heeft zijn eigen doeleinden en een bestemming die vooraf door God is gegeven.[30]
Deze eigenschappen van de natuur impliceren dat het handelen van de mens in de wereld “geen gebruik mag maken van de natuur tegen zijn eigen welzijn, het welzijn van zijn medemensen en het welzijn van toekomstige generaties. Daarom heeft het concept en de praktijk van ontwikkeling een morele dimensie die in elk geval moet worden gerespecteerd.”[31]
Bijgevolg is de wet die de relatie van de mens met de wereld moet bepalen niet de wet van het nut, ingesteld door een rede die uitsluitend gedreven wordt door economische doelen en die de natuur slechts zou beschouwen als beschikbaar materiaal dat gebruikt kan worden.
De noodzaak van bekering en zorg voor de natuur
Onderwijs in ecologische verantwoordelijkheid - dat wil zeggen, in verantwoordelijkheid voor zichzelf, voor anderen en voor het milieu - moet daarom bekering, de innerlijke verandering van de persoon, als hoofddoel hebben.[32]
Paus Franciscus betreurt het dat “sommige geëngageerde en aan het gebed toegewijde Christenen onder het voorwendsel van realisme en pragmatisme vaak spotten met de zorgen over het milieu. Anderen zijn passief, zij besluiten om hun gewoonten niet te veranderen en worden inconsequent. Wat ze dus allemaal nodig hebben is een 'ecologische bekering', waarbij de effecten van hun ontmoeting met Jezus Christus duidelijk worden in hun relatie met de wereld om hen heen. Het beleven van de roeping om behoeders van Gods werk te zijn is een wezenlijk onderdeel van een deugdzaam bestaan, het is niet iets optioneel en evenmin een secundair aspect van de christelijke ervaring.”[33]
De christelijke roeping, op deze manier begrepen, brengt een nieuwe manier van handelen met zich mee in relatie tot anderen en tot de natuur. Dergelijk gedrag vereist het overwinnen van houdingen en levensstijlen die door egoïsme worden gedreven en die de oorzaak zijn van de uitputting van natuurlijke hulpbronnen.[34] In dit perspectief wordt de bescherming van het milieu gezien als een morele verplichting die op elk individu en op de hele mensheid rust. Deze plicht zal niet alleen gezien worden in termen van zorg voor de natuur, maar ook als de verantwoordelijkheid van ieder mens voor het algemeen welzijn en de plannen van God.[35]
De verplichting om bij te dragen aan het schoonmaken van het milieu gaat iedereen aan. “Des te meer zouden mensen die in God de Schepper geloven, en die er dus van overtuigd zijn dat er een welomlijnde eenheid en orde in de wereld bestaat, zich geroepen moeten voelen om het probleem aan te pakken. Christenen in het bijzonder beseffen zich dat hun taken binnen de schepping en hun plichten ten aanzien van de natuur en de Schepper deel uitmaken van hun geloof’.”[36]
Op het specifieke gebied van de relaties van de mens met de wereld moeten christenen ook de taak op zich nemen om morele waarden te verspreiden en bij te dragen aan de opvoeding tot ecologisch bewustzijn.[37]
Juist vanwege het mondiale karakter is ecologie een van de gebieden waarop de dialoog van christenen met de gelovigen van andere religies van bijzonder belang is om tot wederzijdse samenwerking te komen.[38]
Basisbibliografie
- Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, 21 november 1964, 36, 41 en 48; Gaudium et spes, 7 december 1965, 34, 36, 37, 57 en 69.
- Catechismus van de Katholieke Kerk, 279-314; 337-349; 2415-2418.
- Pauselijke Raad voor Rechtvaardigheid en Vrede, Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, Vaticaanstad, 2005, 451-487.
Aanbevolen bibliografie
- Paus Franciscus, Laudato si’, 24 mei 2015.
- Paus Benedictus XVI, Caritas in veritate, 29 juni 2009.
- Heilige Johannes Paulus II, Centesimus annus, 30 december 1991, nrs. 37, 38, 40 en 52; Sollicitudo rei sociales, 30 december 1987, nrs. 26, 29, 30, 34 en 48; Redemptor hominis, 4 maart 1979, nrs. 8, 15 en 16; Boodschap voor de Werelddag van de Vrede 1990, 8 december 1989.
- Heilige Jozefmaria Escrivá, Werk van God, werk voor God in Vrienden van God, nrs. 55-72.
- (In het Spaans) Tomás Trigo, Cuidar la Creación. Estudios sobre la encíclica “Laudato si’”, Eunsa, Pamplona 2016.
[1] Vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 307.
[2] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Algemene Audiëntie 17 januari 2001, nr. 1.
[3] Vgl. Tweede Vaitcaans Concilie, Gaudium et spes, nr. 34. “De schepping is geroepen om samen met de mens God te verheerlijken (vgl. Ps 148 en 96)”: Heilige Johannes Paulus II, Boodschap voor de Werelddag van de Vrede, 1 januari 1990 (8 december 1989), nr. 16. De eer die de natuur aan de Schepper geeft, wordt op een bewonderenswaardige manier uitgedrukt in het Lied van de Drie Jongelingen (Dan 3,52-90).
[4] Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 347.
[5] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Evangelium vitae, 25 maart 1995, nr. 42.
[6] Zie ook Joz 22,19; Hos 9,3; Ps 85,2; Jer 16,18; Ezechiël 36,5.
[7] Vgl. Heilige Paulus VI, Boodschap aan Maurice F. Strong, secretaris-generaal van de Milieuconferentie, 1 juni 1972.
[8] Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 69. Vgl. Catechismus van de Katholieke Kerk, 2402-2404. “Het milieu is een collectief goed, een erfenis van heel de mensheid en een verantwoordelijkheid van allen. Als iemand er een deel van bezit, dan is dat alleen maar om het te beheren ten nutte van allen. Als wij dat niet doen, belasten wij ons geweten ermee dat wij het bestaan van de ander ontkennen” (Paus Franciscus, Laudato si’, 24 mei 2015, nr. 95).
[9] Heilige Johannes Paulus II, Laborem exercens, 14 september 1981, nr. 4.
[10] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Sollicitudo rei socialis, 30 december 1987, nr. 29.
[11] Heilige Johannes Paulus II, Sollicitudo rei socialis, nr. 30.
[12] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Evangelium vitae, nr. 42.
[13] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Boodschap voor de Werelddag van de Vrede, 1 januari 1990, nr. 3.
[14] Heilige Johannes Paulus II, Redemptor hominis, 4 maart 1979, nr. 15.
[15] Heilige Paulus VI, Boodschap aan Maurice F. Strong, secretaris-generaal van de Milieuconferentie, 1 juni 1972.
[16] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Sollicitudo rei socialis, nr. 34; Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2415.
[17] Heilige Johannes Paulus II, Christifideles laici, 30 oktober 1988, nr. 43.
[18] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Algemene Audiëntie 17 januari 2001, nrs. 1-2.
[19] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Sollicitudo rei socialis, nr. 30; paus Franciscus Laudato si’, nr. 68.
[20] Heilige Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, nr. 57; vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 34.
[21] Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nr. 57.
[22] Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, nrs. 34 en 57.
[23] In het verlengde van de leer van Paulus VI, Johannes Paulus II en paus Benedictus XVI valt de encycliek Laudato si’ van paus Franciscus op door zijn grote impact, niet alleen in de katholieke sfeer, die aanleiding heeft gegeven tot interessante initiatieven in de hele wereld ten gunste van de zorg voor de mens en het milieu.
[24] “De onderlinge afhankelijkheid van de schepselen is door God gewild. (…) Zij bestaan slechts in onderlinge afhankelijkheid om elkaar wederzijds aan te vullen, ten dienste van elkaar” (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 340).
[25] Heilige Johannes Paulus II, Toespraak, 18 mei 1990, nr. 4. Zie ook Heilige Johannes Paulus II, Verklaring van Venetië, 10 juni 2002, waarin wordt bevestigd dat “respect voor de schepping voortkomt uit respect voor menselijk leven en menselijke waardigheid.”
[26] Paus Benedictus XVI, Caritas in veritate, 29 juni 2009, nr. 51.
[27] Paus Franciscus, Laudato si’, nr. 90.
[28] Paus Franciscus, Laudato si’, nr. 91.
[29] Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie Libertatis conscientia, 22 maart 1986, nr. 34.
[30] Vgl. Sollicitudo rei socialis, nr. 34; Heilige Johannes Paulus II, Boodschap voor de Werelddag van de Vrede, 1 januari 1990; Heilige Johannes Paulus II, Centesimus annus, 1 mei 1991, nr. 37.
[31] Heilige Johannes Paulus II, Toespraak, 18 mei 1990, nr. 4. De wortel van de morele reactie op de impact van ons handelen op anderen en op het milieu is, zegt paus Franciscus, “om buiten zichzelf te treden en naar de ander toe te gaan” (Laudato si’, nr. 208).
[32] Heilige Johannes Paulus II, Boodschap voor de Werelddag van de Vrede, 1 januari 1990, 13.
[33] Paus Franciscus, Laudato si’, nr. 217.
[34] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Ecclesia in America, 22 januari 1999, nr. 25.
[35] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Toespraak, 18 mei 1990, nr. 4. Er zijn veel oproepen van het leergezag aan onze morele verantwoordelijkheid met betrekking tot ecologie: Vgl. onder andere Centesimus annus, nr. 40; Evangelium vitae, nr. 42; Heilige Johannes Paulus II, Ecclesia in America, nr. 25; Toespraak, 18 augustus 1985, 2; Boodschap 8 december 1989, nr. 15.
[36] Heilige Johannes Paulus II, Boodschap voor de Werelddag van de Vrede, nr. 1 januari 1990, nr. 15: geciteerd in Laudato si’, nr. 64.
[37] Heilige Johannes Paulus II, Verklaring van Venetië, 10 juni 2002.
[38] Vgl. Heilige Johannes Paulus II, Fides et ratio, 14 september 1998, nr. 104; Heilige Johannes Paulus II, Boodschap voor de Werelddag van de Vrede, 1 januari 1990 (8 december 1989), 15; Laudato si’, nr. 7.
