Thema 22-2: De Eucharistie

De Heilige Mis stelt het ene offer van onze verlossing tegenwoordig in het dagelijkse liturgische leven van de Kerk. De gelovigen kunnen en zouden moeten deelnemen aan het brengen van het eucharistisch offer. Het verlangen om de Heilige Communie te ontvangen dient altijd bij christenen aanwezig te zijn: wat voedsel in het lichaam doet voor het welzijn van het lichamelijk leven, bewerkstelligt de Eucharistie in de ziel.

Het offerkarakter van de Heilige Mis

De Heilige Mis is een offer in de eigenlijke zin van het woord, en op een unieke wijze. Dit offer is "nieuw" in vergelijking met de offers van de natuurreligies en de rituele offers van het Oude Testament. De Heilige Mis is een offer omdat zij het ene offer van onze verlossing in de liturgische viering van de Kerk en in onze eigen tijd "representeert" (dat wil zeggen: tegenwoordig stelt). De Mis is de gedachtenis van dit offer en past de vruchten van Christus' zelfgave aan het Kruis toe (vgl. Catechismus, 1362-1367).

Telkens wanneer zij de Eucharistie viert, wordt de Kerk geroepen om de gave te aanvaarden die Christus haar aanbiedt. Op deze wijze neemt de Kerk deel aan het offer van haar Heer, en offert zij zichzelf met Hem aan de Vader voor het heil van de wereld. We kunnen daarom bevestigen dat de Heilige Mis het offer is van Christus en van de Kerk.

Laten we deze twee aspecten (het offer van Christus en het offer van de Kerk) van het Eucharistisch Mysterie nader bekijken.

Zoals we zojuist hebben opgemerkt, is de Heilige Mis een waarachtig en eigenlijk offer vanwege haar directe relatie – een relatie van sacramentele identiteit – met het ene, volmaakte en definitieve offer van het Kruis. [1] Deze relatie werd door Christus ingesteld tijdens het Laatste Avondmaal. Op dat moment gaf onze Heer aan de Apostelen, onder de gedaanten of verschijningsvormen van brood en wijn, zijn Lichaam dat ten offer werd gebracht en zijn Bloed dat werd vergoten tot vergeving van de zonden. Met deze handeling anticipeerde Christus in de gedachtenisritus op wat korte tijd later op Golgotha gebeurde. Sindsdien heeft de Kerk, onder de leiding en kracht van de Heilige Geest, nooit opgehouden Christus' opdracht te vervullen om deze ritus te herhalen: "Doe dit tot een gedachtenis aan Mij" (Luc. 22,19; 1 Kor. 11,24-25). Zo "verkondigt" de Kerk de dood van onze Heer, dat wil zeggen zijn offer (vgl. Ef. 5,2; Heb. 9,26); en maakt deze tegenwoordig door woord en sacrament, "totdat Hij wederkomt". Vandaar dat de Eucharistie ook Christus' glorievolle Verrijzenis en Hemelvaart aankondigt (vgl. 1 Kor. 11,26).

Deze verkondiging, die een sacramentele verkondiging is van het Paasmysterie van Christus, bezit een heel bijzondere werkzaamheid. Dit komt doordat de Eucharistie het verlossingsoffer van Christus niet alleen in tekenen of beelden voorstelt, maar omdat in dit sacrament zijn offer ook werkelijk tegenwoordig wordt gesteld. De Persoon en de heilsgebeurtenis die herdacht worden, zijn werkelijk levend en bestaand. De Catechismus van de Katholieke Kerk drukt dit als volgt uit: "De Eucharistie is de gedachtenis van het Pasen van Christus, waarin het ene offer van Christus tegenwoordig gesteld wordt en op sacramentele wijze wordt opgedragen in de liturgie van de Kerk die zijn lichaam is." (nr. 1362).

Wanneer de Kerk de Eucharistie viert, wordt daarom door de consecratie van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus hetzelfde Slachtoffer van Golgotha tegenwoordig gesteld, nu in verheerlijkte staat: dezelfde Priester, Jezus Christus; en dezelfde daad van offerande (het oorspronkelijke offer van het Kruis), onafscheidelijk verbonden met de sacramentele tegenwoordigheid van Christus. Deze offerande blijft altijd aanwezig in de verrezen en glorievolle Christus. [2] Alleen de uiterlijke manifestatie van deze zelfgave verandert. Op Calvarie vindt deze manifestatie plaats in het Lijden en de Dood aan het Kruis. In de Mis vindt dit plaats door het gedachtenis-sacrament: de dubbele consecratie van brood en wijn in de context van het Eucharistisch Gebed. Zo brengt de Eucharistie een sacramenteel beeld tot stand van Christus' offerdood aan het Kruis.

De Eucharistie, offer van Christus en van de Kerk

De Heilige Mis is het offer van Christus en van de Kerk, omdat telkens wanneer het Eucharistisch Mysterie wordt gevierd, de Kerk deelneemt aan het offer van haar Heer. Op deze momenten treedt zij in gemeenschap met Christus – met zijn offergave aan de Vader – en met de goederen van de Verlossing die Hij voor ons heeft verkregen. De gehele Kerk offert zichzelf en wordt in Christus geofferd aan de Vader, door de Heilige Geest. Deze waarheid aangaande het eigen offer van de Kerk wordt bevestigd door de levende Traditie van de Kerk, zowel in de teksten van de liturgie als in de leer van de Kerkvaders en het Leergezag (vgl. Catechismus, 1368-1370). Het fundament van deze leer is te vinden in het principe van de vereniging en samenwerking tussen Christus en de ledematen van zijn Lichaam. Het Tweede Vaticaans Concilie spreekt duidelijk over deze vereniging door de liturgie te beschrijven als "het grote werk, waarin God volmaakt verheerlijkt wordt en de mensen geheiligd worden. De Kerk is zijn geliefde Bruid, die haar Heer aanroept en door Hem de eeuwige Vader de eredienst brengt" (Sacrosanctum Concilium, 7).

De deelname van de Kerk – het hiërarchisch geordende Volk van God – aan het opdragen van het Eucharistisch offer is geworteld in Jezus’ eigen opdracht: "Doe dit tot mijn gedachtenis" [als een gedachtenis aan mij], en wordt weerspiegeld in de liturgische formule memores... offerimus ... [tibi Pater] ... gratias agentes... hoc sacrificium: "u gedachtig... dragen wij op... aan U, Vader... dankzeggend... dit offer". Deze formulering werd veelvuldig gebruikt in de Eucharistische gebeden van de Oude Kerk [3] en is eveneens aanwezig in de Eucharistische gebeden van vandaag. [4]

Zoals de teksten van de Eucharistische liturgie getuigen, zijn de gelovigen geen loutere toeschouwers bij een daad van eredienst die wordt uitgevoerd door de celebrerende priester. Alle gelovigen kunnen en zouden moeten deelnemen aan het opdragen van het Eucharistisch offer, omdat zij krachtens het Doopsel zijn ingelijfd in Christus en deel uitmaken van "een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk..." (1 Petr. 2,9). Dat wil zeggen: de gelovigen behoren tot het nieuwe Volk van God in Christus, dat onze Heer zelf rondom zich blijft verzamelen, opdat dit volk van het ene einde der aarde tot het andere een volmaakt offer aan zijn Naam zou brengen (vgl. Mal. 1,10-11). De gelovigen bieden niet alleen de geestelijke eredienst aan van het offer van hun eigen daden en hun gehele leven, maar ook – in Christus en met Christus – het zuivere, heilige en onbevlekte Slachtoffer dat onze Heer zelf is. Dit offer van de Kerk in de Heilige Mis impliceert, samen met dat van Christus, de uitoefening van het algemeen priesterschap van de gelovigen.

De Kerk, in eenheid met Christus, draagt niet alleen het Eucharistisch offer op, maar zij wordt zelf ook in Hem geofferd, aangezien de Kerk als Lichaam van Christus en Bruid van Christus onafscheidelijk verbonden is met haar Hoofd en Bruidegom.

De Eucharistische liturgie zelf laat niet na om de deelname van de Kerk, door de werking van de Heilige Geest, aan het offer van Christus uit te drukken: "Zie welwillend neer op het offer van uw Kerk en herken het Slachtoffer dat ons met U heeft verzoend; geef dat wij, gevoed met het Lichaam en Bloed van uw Zoon en vervuld van zijn Heilige Geest, één lichaam en één geest worden in Christus ... Moge Hij ons maken tot een blijvende gave voor U..."[5] Op vergelijkbare wijze vraagt de Kerk in Eucharistisch Gebed IV: "Zie, Heer, naar het Offer dat Gij zelf aan uw Kerk hebt gegeven; en geef in uw goedheid aan allen die deelhebben aan dit ene Brood en de ene Kelk, dat zij, door de Heilige Geest tot één lichaam verenigd, in Christus een levend offer worden tot lof van uw heerlijkheid."

De deelname van de gelovigen aan de Heilige Mis bestaat primair uit het zich innerlijk verenigen met het offer van Christus, dat op het altaar tegenwoordig wordt gesteld door de bediening van de celebrerende priester.

Deze deelname van de kant van de leden van de Kerk is van fundamenteel belang voor het Christelijk leven. Alle gelovigen zijn geroepen om deel te nemen aan de Heilige Mis door hun koninklijk priesterschap uit te oefenen. Zij doen dit met de intentie om hun eigen leven zonder vlek van zonde aan de Vader aan te bieden, samen met Christus, het onbevlekte Slachtoffer, in een geestelijk offer, waarbij zij Hem met kinderlijke liefde en dankzegging alles brengen wat zij van Hem hebben ontvangen.

De gelovigen dienen ervoor te zorgen dat de Heilige Mis werkelijk het centrum en de wortel is van hun geestelijk leven, [6] door hun hele dag, hun werk en al hun handelingen erop te richten. Deze Eucharistische dimensie van hun leven is een essentiële uiting van de "priesterlijke ziel" die alle gedoopten bezitten.

Doelen en vruchten van de Heilige Mis

Voor zover de Heilige Mis een sacramentele representatie is van het offer van Christus, heeft zij dezelfde doelen als het offer van het Kruis. [7] Deze doelen zijn: latria (lof en aanbidding van God de Vader, door de Zoon, in de Heilige Geest); het eucharistisch doel (dankzegging aan God voor de schepping en verlossing); het verzoenend doel (genoegdoening aan God voor onze zonden); en dat van de impetratie (smeekbede aan God om zijn gaven en genaden). Deze vier doelen komen tot uitdrukking in de verschillende gebeden die deel uitmaken van de liturgische viering van de Eucharistie, en in het bijzonder in het Gloria, het Credo, de verschillende delen van de Anafora of het Eucharistisch Gebed (Prefatie, Sanctus, Epiclese, Anamnese, Voorbeden, Slotdoxologie), het Onze Vader en de eigen gebeden van elke Mis: Collecta, het gebed over de Gaven en het gebed na de Communie.

De term "vruchten van de Mis" verwijst naar de effecten die de reddende kracht van het Kruis, tegenwoordig gesteld in het Eucharistisch offer, teweegbrengt in personen wanneer zij dit in geloof, hoop en liefde voor de Verlosser vrijelijk aanvaarden. Deze vruchten houden fundamenteel een groei in heiligmakende genade in en een intensere gelijkvormigheid van de persoon aan Christus, overeenkomstig de specifieke wijze waarop de Eucharistie ons deze gaven aanbiedt.

Dergelijke vruchten van heiligheid zijn niet op identieke wijze aanwezig in allen die deelnemen aan het Eucharistisch offer; zij zullen groter of kleiner zijn naargelang de wijze waarop iedere persoon deelneemt aan de liturgische viering, en naar de mate van zijn of haar geloof en devotie. Daarom delen de volgende groepen op verschillende wijzen in de vruchten van de Heilige Mis: de gehele Kerk; de priester die celebreert en zij die, verenigd met hem, deelnemen aan de Eucharistieviering; zij die, zonder aan de Mis deel te nemen, geestelijk verenigd zijn met de priester die celebreert; en zij voor wie de Mis wordt opgedragen die levend of overleden kunnen zijn. [8]

Wanneer een priester een stipendium ontvangt om de vruchten van de Mis voor een specifieke intentie toe te passen, is hij ernstig verplicht dit te doen. [9]

De Eucharistie, het Paasmaal van de Kerk

"De Eucharistie is het paasmaal in zoverre Christus, die er op sacramentele wijze zijn Pasen verwerkelijkt [het uit deze wereld heengaan van Christus naar zijn Vader door zijn Lijden, Sterven, Verrijzen en Hemelvaart], ons zijn Lichaam en Bloed geeft, aangeboden als spijs en drank, en ons met zichzelf en onder elkaar verenigt in zijn offer." (Compendium, 287).

"De Mis is tegelijk en onafscheidelijk de gedachtenis van het offer, waarin het kruisoffer vereeuwigd wordt, en van het heilig gastmaal dat bestaat in de gemeenschap met het lichaam en bloed van de Heer. De viering van het eucharistisch offer is echter volledig gericht op de intieme vereniging van de gelovigen met Christus door de Communie. Door te communiceren ontvangt men Christus zelf die zich voor ons geofferd heeft." (Catechismus, 1382).

De Heilige Communie, ingesteld door Christus ("Neemt, eet..., Drinkt allen hieruit...": Mat. 26,26-28; vgl. Mac. 14,22-24; Luc. 22:14-20; 1 Kor. 11,23-26), maakt deel uit van de fundamentele structuur van de Eucharistieviering. De zelfgave van Christus als voedsel voor de mensheid bereikt pas haar volle betekenis wanneer Hij door de gelovigen wordt ontvangen als het voedsel voor het eeuwig leven. Alleen door deze ontvangst van het Lichaam en Bloed van onze Heer wordt de gedachtenis die door Christus is ingesteld, werkelijk verwezenlijkt. [11] Daarom beveelt de Kerk de sacramentele communie ten zeerste aan voor allen die deelnemen aan de Eucharistieviering en de juiste gesteldheid bezitten om het Heilig Sacrament waardig te ontvangen. [12]

Toen Jezus ons de Eucharistie beloofde, zei Hij dat dit voedsel niet slechts nuttig, maar noodzakelijk is voor zijn leerlingen: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u" (Joh. 6,53).

Net zoals natuurlijk voedsel ons in leven houdt en ons kracht geeft om een aards leven te leiden, zo onderhoudt de Eucharistie op vergelijkbare wijze het Christelijk leven in Christus, dat ontvangen is in het Doopsel. Het Lichaam en Bloed van Christus geeft zijn volgelingen de kracht die nodig is om trouw te blijven aan onze Heer op aarde, totdat zij de Vader in de Hemel bereiken. De Communie is daarom geen element dat naar eigen goeddunken aan het Christelijk leven kan worden toegevoegd; het is niet slechts voor een select aantal gelovigen dat zich bijzonder inzet voor de missie van de Kerk. Integendeel, de sacramentele communie is van vitaal belang voor iedereen: alleen zij die gevoed worden door het leven van Christus zelf, kunnen in Christus leven en zijn Evangelie verspreiden.

Het verlangen om de Heilige Communie te ontvangen dient altijd bij Christenen aanwezig te zijn, net zoals de wil om het uiteindelijke doel van ons leven te bereiken permanent aanwezig moet zijn. Dit verlangen om te communiceren, hetzij expliciet of ten minste impliciet, is noodzakelijk om het heil te verkrijgen.

Bovendien is het ontvangen van de Communie feitelijk noodzakelijk, krachtens een kerkelijk gebod, voor alle Christenen die de jaren van verstand hebben bereikt: "De Kerk verplicht de gelovigen ertoe … ten minste eenmaal per jaar, indien mogelijk in de Paastijd, de Eucharistie te ontvangen, na zich door het Sacrament van de Verzoening te hebben voorbereid." (Catechismus, 1389). Dit kerkelijk gebod is slechts een minimum, dat niet altijd voldoende zal zijn om een authentiek Christelijk leven te ontwikkelen. Vandaar dat de Kerk "de gelovigen ten zeerste aanbeveelt op alle zon- en feestdagen de Heilige Eucharistie te ontvangen, of nog vaker, zelfs iedere dag." (Catechismus, 1389).

De gewone bedienaren van de Heilige Communie zijn de bisschop, de priester en de diaken [13] Een acoliet is een permanente buitengewone bedienaar van de Communie. [14] Andere gelovigen kunnen buitengewone bedienaren van de communie zijn wanneer de plaatselijke Ordinarius hun deze taak geeft, wanneer dit noodzakelijk wordt geacht voor het pastoraal welzijn van de gelovigen en er geen priester, diaken of acoliet beschikbaar is. [15]

"Het is de gelovigen niet geoorloofd 'de heilige hostie of de heilige kelk … zelf te nemen ... en nog minder aan elkaar door te geven'."[16] Met betrekking tot deze norm moeten we in gedachten houden dat de Communie dient als een heilig teken; dit teken moet tonen dat de Eucharistie een geschenk van God aan de mens is. Daarom moet er bij de uitreiking van de Eucharistie in normale omstandigheden onderscheid worden gemaakt tussen de bedienaar die de Gave uitdeelt, aangeboden door Christus zelf, en de persoon die deze met dankbaarheid, in geloof en in liefde ontvangt.

Juiste gesteldheid voor het ontvangen van de Heilige Communie

Om de Heilige Communie waardig te ontvangen, is het noodzakelijk in staat van genade te zijn. De heilige Paulus schrijft ons: "Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het lichaam en bloed van de Heer. Iedereen moet zichzelf onderzoeken alvorens van het brood te eten en uit de beker te drinken. Want wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis" (1 Kor. 11,27-29). Daarom mag niemand de Heilige Eucharistie naderen met het bewustzijn van een doodzonde, hoe berouwvol hij zichzelf ook acht, zonder eerst te gaan biechten (vgl. Catechismus, 1385). [17]

De vruchtbare ontvangst van de Communie vereist, naast het in staat van genade zijn, een serieuze inspanning om onze Heer met de grootst mogelijke devotie te ontvangen: voorbereiding (zowel in de momenten direct voorafgaand aan de Communie, als op eerdere momenten); een houding van inkeer; akten van liefde en eerherstel, van aanbidding, van nederigheid, van dankzegging, enzovoort.

Lichamelijke gesteldheid:

— Innerlijke eerbied voor de Heilige Eucharistie moet ook in het lichaam weerspiegeld worden. De Kerk schrijft vasten voor voorafgaand aan de Communie. Voor de gelovigen van de Latijnse ritus bestaat dit vasten uit het zich onthouden van alle spijs en drank (behalve water of medicijnen) gedurende een uur voor de Communie (vgl. Wetboek van Canoniek Recht, can. 919 § 1). Er moet ook zorg worden gedragen voor – onder andere – reinheid van het lichaam, gepaste kleding, evenals gebaren van verering die respect en liefde tonen voor onze Heer, aanwezig in het Heilig Sacrament (vgl. Catechismus, 1387).

— De traditionele manier om de Heilige Communie te ontvangen in de Latijnse ritus (de vrucht van geloof, liefde en de eeuwenoude vroomheid van de Kerk) is geknield en op de tong. De redenen die aanleiding gaven tot dit vrome en zeer oude gebruik zijn nog steeds volledig geldig. Het is ook mogelijk om staand te communiceren en, in sommige bisdommen, is het toegestaan – nooit opgelegd – om de communie op de hand te ontvangen. [18]

Het gebod van de Kerk om te communiceren is verplicht vanaf de jaren van verstand. Het is belangrijk om de Eerste Communie van kinderen heel goed voor te bereiden en niet uit te stellen: "Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen. Want aan hen die zijn zoals zij behoort het Koninkrijk Gods" (Mc. 10,14). [19]

Om de Eerste Communie te kunnen ontvangen, moeten kinderen, naar gelang hun bevattingsvermogen, kennis hebben van de voornaamste geloofsmysteries en in staat zijn het Eucharistisch brood te onderscheiden van gewoon brood. "Het is voornamelijk de plicht van de ouders en van hen die de plaats van ouders innemen, alsook van de pastoor, ervoor te zorgen dat de kinderen die tot het gebruik van het verstand gekomen zijn, behoorlijk voorbereid worden en, na een voorafgaande sacramentele biecht, zo spoedig mogelijk met dit goddelijk voedsel gesterkt worden" (Wetboek van Canoniek Recht, can. 914).

Effecten van de Heilige Communie

Wat voedsel in het lichaam doet voor het welzijn van ons lichamelijk leven, bewerkstelligt de Eucharistie in de ziel, op een oneindig meer verheven wijze, voor het welzijn van ons geestelijk leven. Maar terwijl voedsel wordt opgenomen in ons eigen lichaam, worden wij bij het ontvangen van de Heilige Communie omgevormd in Christus. Zoals de heilige Augustinus onze Heer tot hem hoorde zeggen: "noch zult gij Mij in u veranderen, gelijk de spijs van uw vlees, maar gij zult in Mij veranderd worden."[20] Door de Eucharistie kan het nieuwe leven in Christus, dat in de gelovige begonnen is met het Doopsel (vgl. Rom. 6,3-4; Gal. 3,27-28), rijpen en tot volheid groeien (vgl. Ef. 4,13), wat Christenen in staat stelt het ideaal te bereiken dat door de heilige Paulus wordt beschreven: "Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij" (Gal. 2,20). [21]

De Eucharistie maakt ons daarom gelijkvormig aan Christus, laat ons delen in de persoon en de zending van de Zoon, identificeert ons met Christus' intenties en gevoelens, en geeft ons de kracht om lief te hebben zoals Christus ons vraagt lief te hebben (vgl. Joh. 13:34-35). De Eucharistie brengt deze effecten teweeg om alle mannen en vrouwen van onze tijd te doen ontbranden met het vuur van goddelijke liefde dat Christus op aarde kwam brengen (vgl. Luc. 12:49). Al deze vruchten zouden in ons leven zichtbaar moeten worden: "Als wij als nieuw zijn door het Lichaam van de Heer te ontvangen, dan moeten we dat met feiten laten zien. Onze gedachten moeten echt gedachten van vrede, van overgave en dienstbaarheid zijn. Onze woorden moeten oprecht, duidelijk en opportuun zijn; woorden die kunnen troosten en helpen, maar vooral woorden die anderen naar het licht van God kunnen brengen. Onze handelingen moeten consequent, effectief en juist zijn; daden die de goede geur van Christus (2 Kor 2,15-16) hebben, omdat ze doen denken aan zijn levenswijze."[22]

Door de Heilige Communie schenkt God ons een toename van genade en deugden. Hij vergeeft ook dagelijkse zonden, neemt tijdelijke straffen weg, bewaart ons voor toekomstige doodzonden en schenkt volharding in het doen van het goede. Kortom, God trekt ons dichter tot Zich (vgl. Catechismus, 1394-1395). De Eucharistie is echter niet ingesteld voor de vergeving van doodzonden; deze handeling is specifiek voor het sacrament van de Biecht (vgl. Catechismus, 1395).

De Eucharistie brengt de eenheid van alle gelovigen tot stand, wat de eenheid is van de Kerk, het Mystieke Lichaam van Christus (vgl. Catechismus, 1396).

De Eucharistie is een onderpand en garantie van de toekomstige glorie, dat wil zeggen, van de toekomstige verrijzenis en van het eeuwig en gelukzalig leven met de ene God in drie goddelijke personen, met de engelen en alle heiligen (vgl. Catechismus, 1419).

Verering van de Eucharistie buiten de Heilige Mis

Het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie heeft de Kerk ertoe gebracht de eredienst van latria (dat wil zeggen, de aanbidding die aan God verschuldigd is) aan het Heilig Sacrament aan te bieden, zowel tijdens de liturgie van de Mis (daarom heeft de Kerk aangegeven dat wij knielen of een diepe buiging maken voor de geconsacreerde gedaanten) alsook buiten de Eucharistieviering. De Kerk bevordert deze verering buiten de Mis door met de grootste zorg te waken over de geconsacreerde hosties in het tabernakel, door ze ter plechtige verering aan de gelovigen te tonen en door ze in processie rond te dragen (vgl. Catechismus, 1378).

De Heilige Eucharistie wordt in een tabernakel van de kerk bewaard: [23]

– Om de Heilige Communie te kunnen geven aan zieken en andere gelovigen die niet in staat zijn deel te nemen aan de Heilige Mis.

– Bovendien, opdat de Kerk God onze Heer in het Heilig Sacrament kan aanbidden (op bijzondere wijze tijdens de Uitstelling van het Allerheiligste, bij het Lof, in de Sacramentsprocessie op het Hoogfeest van het Lichaam en Bloed van Christus, enzovoort).

– En opdat de gelovigen Christus in het Heilig Sacrament altijd kunnen aanbidden door frequente bezoeken. In dit verband schrijft de heilige Johannes Paulus II: "Immers de kerk en de wereld hebben de verering van de Eucharistie hard nodig! Laten wij niet zuinig zijn met onze tijd als het erom gaat bij Hem samen te komen in aanbidding, in een beschouwend gebed dat vol geloof is en tevens bereid om de zware schulden en misdaden van de wereld goed te maken. Dat onze aanbidding toch nooit ophoudt. "[24]

Er zijn twee grote liturgische feesten (hoogfeesten) waarop dit Heilig Mysterie op bijzondere wijze wordt gevierd: Witte Donderdag (herdenking van de instelling van de Eucharistie en het Priesterschap) en het Hoogfeest van het Lichaam en Bloed van Christus (Sacramentsdag, in het bijzonder gericht op aanbidding en contemplatie van onze Heer in de Eucharistie).


Basisbibliografie

Catechismus van de Katholieke Kerk, 1356-1405.


Aanbevolen literatuur

H. Johannes Paulus II, Encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003).

Paus Benedictus XVI, Apostolische Exhortatie Sacramentum Caritatis (22 februari 2007).

Paus Franciscus, Catechese over de Heilige Mis (november 2017 – april 2018).

De heilige Jozefmaria Escriva, Homilie De Eucharistie, Mysterie van Geloof en Liefde, in Christus komt langs, 83-94; Homilie Op het Feest van Sacramentsdag, ibid., 150-161.


Voetnoten

[1] De Catechismus drukt dit duidelijk uit: "Het offer van Christus vormt met het offer van de Eucharistie één enkel offer." (1367).

[2] Vgl. Catechismus, 1085.

[3] Vgl. Eucharistisch Gebed van de Apostolische Traditie van de H. Hippolytus; Anafora van Addai en Mari; Anafora van de H. Marcus.

[4] Vgl. Romeins Missaal, Eucharistisch Gebed I (Unde et memores en Supra quae); Eucharistisch Gebed III (Memores igitur; Respice, quaesumus en Ipse nos tibi); soortgelijke uitdrukkingen zijn te vinden in de Eucharistische Gebeden II en IV.

[5] Romeins Missaal, Eucharistisch Gebed III.

[6] Vgl. H. Jozefmaria, Christus komt langs, 87.

[7] Deze identiteit van doelen is niet alleen gebaseerd op de intentie van de Kerk die de Mis viert, maar bovenal op de sacramentele tegenwoordigheid van Christus zelf: in Hem zijn de doelen waarvoor Hij zijn leven aan de Vader offerde nog steeds aanwezig en werkzaam (vgl. Rom. 8,34; Heb. 7,25).

[8] Het opdragen van de Mis voor een specifieke intentie waarover wij spreken (een bijzonder voorbedegebed), betekent niet dat redding wordt overgedragen via een soort automatisch proces; genade komt niet automatisch naar de gelovigen, maar in de mate van hun vereniging met God door geloof, hoop en liefde.

[9] Vgl. Wetboek van Canoniek Recht, can. 945-958. Met deze particuliere intentie voor een Mis sluit de celebrerende priester noch de andere leden van de Kerk, noch de gehele mensheid uit van de zegeningen van het Eucharistisch offer. Hij houdt veeleer op een bijzondere manier enkele gelovigen in gedachten.

[10] De term ‘Pascha’ komt uit het Hebreeuws en betekent oorspronkelijk "doortocht" of "voorbijgaan". In het boek Exodus, waar het eerste Hebreeuwse Pascha wordt verhaald (vgl. Ex. 12,1-14 en Ex. 12,21-27), is deze term verbonden met het werkwoord "voorbijgaan", met de doortocht van de Heer en zijn engel in de nacht van de bevrijding van het Uitverkoren Volk (toen het Joodse volk het Paasmaal vierde), en met de "doortocht" van het Volk van God uit de slavernij van Egypte naar de vrijheid van het beloofde land.

[11] Deze waarheid betekent niet dat zonder de Communie van alle aanwezigen de viering van de Eucharistie ongeldig is; noch dat allen de Communie onder beide gedaanten moeten ontvangen; een dergelijke Communie is alleen noodzakelijk voor de celebrerende priester.

[12] Vgl. Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 80; H. Johannes Paulus II, Ecclesia de Eucharistia, 16; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum, 81-83; 88-89.

[13] Vgl. Wetboek van Canoniek Recht, can. 910; Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 92-94.

[14] Vgl. Wetboek van Canoniek Recht, can. 910 § 2; Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 98; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum, 154-160.

[15] Vgl. Wetboek van Canoniek Recht, can. 910 § 2, en can. 230 § 3; Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 100 en 162; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum, 88.

[16] Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum, 94; vgl. Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 160.

[17] Met betrekking tot de situatie van gescheiden personen die burgerlijk hertrouwd zijn (of van christenen die leven in een onregelmatig situatie, zoals ‘het samenwonen’), beschouwt de Kerk dat "die objectief ingaat tegen de Wet van God. Daarom kunnen zij zolang deze situatie duurt de eucharistische Communie niet ontvangen." (Catechismus, 1650). Indien zij echter berouw tonen en het sacrament van Boete ontvangen, kunnen zij weer toegang krijgen tot de Communie; afgezien van deze situatie moeten we echter in gedachten houden dat de sacramentele absolutie "alleen verleend worden aan degenen die er berouw over hebben dat zij het teken van het verbond en de trouw van Christus geschonden hebben en die oprecht bereid zijn een vorm van leven te leiden die niet meer in tegenspraak is met de onontbindbaarheid van het huwelijk. Dit brengt concreet mee dat de man en de vrouw "de verplichting op zich nemen in volledige onthouding te leven, d.w.z. zich van de eigenlijke huwelijksdaad te onthouden", wanneer zij om serieuze redenen - zoals bijvoorbeeld de opvoeding van kinderen - niet kunnen voldoen aan de verplichting uit elkaar te gaan." (H. Johannes Paulus II, Familiaris Consortio, 84). Zie over deze kwestie ook de aanwijzingen van Paus Benedictus XVI, Sacramentum Caritatis, 29, en van Paus Franciscus, Amoris Laetitia, 296-306.

[18] Vgl. de heilige Johannes Paulus II, Brief Dominicae Cenae, 11; Algemeen Statuut van het Romeins Missaal, 161; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum, 92.

[19] Vgl. de heilige Pius X, Quam Singulari, I: Denzinger, Enchiridion Symbolorum, 3530; Wetboek van Canoniek Recht, can. 913-914; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum, 87.

[20] De heilige Augustinus, Belijdenissen, 7, 10: CSEL 38/1, 157.

[21] Het is duidelijk dat als de heilzame werking van de Eucharistie niet onmiddellijk in haar volheid wordt bereikt, "dit niet te wijten is aan een gebrek van de kant van Christus' kracht, maar van de kant van de devotie van de mens" (De heilige Thomas van Aquino, S.Th., III, q. 79, a. 5, ad 3).

[22] De heilige Jozefmaria, Christus komt langs, 156.

[23] Vgl. de heilige Paulus VI, Mysterium Fidei, 56; de heilige Johannes Paulus II, Ecclesia de Eucharistia, 29; Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten, Instructie Redemptionis Sacramentum, 129-145; Paus Benedictus XVI, Sacramentum Caritatis, 66-69.

[24] De heilige Johannes Paulus II, Dominicae Cenae, 3.