Thema 36. Het gebed van de Heer: het “Onze Vader”

Met het Onze Vader wil Jezus zijn leerlingen bewust maken van hun hoedanigheid als kinderen van God. Een belangrijk gevolg van het besef van dit goddelijk kindschap is het vertrouwen en de kinderlijke overgave in Gods handen. Het Onze Vader is het model voor elk gebed: we vragen niet alleen oprecht om alles wat we maar kunnen wensen, maar ook in de volgorde waarin het gepast is om dat te doen.

Jezus leert ons om God als Vader aan te spreken

Het eerste woord van het gebed van de Heer, “Vader“, is het belangrijkste, want daarmee leert Jezus ons om God als Vader aan te spreken: «Bidden tot de Vader is binnengaan in zijn mysterie, Hem benaderen zoals Hij is en zoals de Zoon Hem ons heeft geopenbaard: “De uitdrukking "God de Vader" is nooit eerder aan iemand geopenbaard. Zelfs Mozes, die het aan God zelf had gevraagd, had een andere naam te horen gekregen. Aan ons is die naam geopenbaard in de Zoon. Want "Zoon" houdt de nieuwe naam van Vader in: die van Vader (Tertulianus, De oratione, 3)» (Catechismus, 2779).

Door het Onze Vader te onderwijzen, laat Jezus zijn leerlingen ook zien dat zij deel hebben gekregen aan zijn hoedanigheid als Zoon: «Door de Openbaring van dit gebed ontdekken de leerlingen dat zij op bijzondere wijze deelhebben aan het goddelijk kindschap, waarover de heilige Johannes in de proloog van zijn Evangelie zegt: “Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden” (Joh. 1,12). Daarom bidden zij terecht, overeenkomstig zijn onderricht: “Onze Vader”.»[1].

Jezus Christus maakt steeds onderscheid tussen ‘mijn Vader’ en ‘jullie Vader’ (vgl. Joh. 20,17). Wanneer Hij bidt, zegt Hij dan ook nooit: ‘Onze Vader’. Daarmee laat Hij zien dat zijn verhouding tot God volkomen uniek is: een relatie die Hem eigen is en die niemand anders bezit. Door het Onze Vader te leren, wil Jezus zijn leerlingen echter bewust maken van hun hoedanigheid als kinderen van God, terwijl Hij tegelijk wijst op het wezenlijke verschil tussen zijn natuurlijk goddelijk kindschap en ons aangenomen of adoptief kindschap, dat wij als een vrije gave van God hebben ontvangen.

Het gebed van de christen is daarom het gebed van een kind van God dat zich met kinderlijk vertrouwen tot zijn Vader God wendt. «Het wordt in de liturgieën van het Oosten en het Westen aangeduid met de mooie, typisch christelijke uitdrukking: parrhesia, onomwonden eenvoud, kinderlijk vertrouwen, blijde zekerheid, nederige vrijmoedigheid, zekerheid bemind te worden (Vgl. Ef 3,12; Hb 3,6; 4,16; 10,19; 1 Joh 2,28; 3,21; 5,14)» (Catechismus, 2778). Het woord “parrhesia” verwees oorspronkelijk naar het recht van de Griekse burger om vrijuit te spreken in de volksvergadering. De Kerkvaders namen deze term over om de houding van de christen tegenover God te beschrijven.

Goddelijk kindschap en christelijk broederschap

Door God onze Vader te noemen, erkennen we dat het goddelijke kindschap ons met Christus verenigt, die “de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders” (Rom. 8:29), door middel van een waar bovennatuurlijk broederschap. De Kerk is deze nieuwe gemeenschap tussen God en de mensen (Vgl. Catechismus, 2790).

Daarom is de christelijke heiligheid, hoewel ze persoonlijk en individueel is, nooit individualistisch of egocentrisch: «Als wij in waarheid bidden "Onze Vader", dan stijgen wij uit boven het individualisme, want de liefde die wij ontvangen, bevrijdt ons daarvan. Het woordje "onze" aan het begin van het gebed van de Heer sluit niemand uit, evenmin als het woordje "ons" uit de laatste vier beden. Om het naar waarheid uit te spreken (Vgl. Mat 5,23-24; 6,14-16), moeten wij onze verdeeldheid en onze tegenstellingen overwinnen.» (Catechismus, 2792).

Het broederschap dat door het goddelijke kindschap tot stand komt, strekt zich ook uit tot alle mensen, want in zekere zin zijn zij allen kinderen van God — zijn schepselen — en geroepen tot heiligheid: “Er is maar één ras op de wereld: het ras van de kinderen van God.“[2]. Daarom moet de christen zich solidair voelen met de taak om de hele mensheid naar God te leiden.

Het goddelijk kindschap stimuleert ons tot het apostolaat, dat een noodzakelijke uiting is van kindschap en broederschap: «Je moet in de anderen — en op de eerste plaats in de mensen om je heen — dat zien wat ze werkelijk zijn: kinderen van God, met heel de waardigheid die ze door deze prachtige titel hebben gekregen. We moeten ons tegenover kinderen van God gedragen als kinderen van God: onze liefde moet een dagelijks wegcijferen van onszelf zijn en tot uitdrukking komen in duizend en één kleine blijken van begrip, stille offers en zwijgende overgave.»[3].

Een belangrijk gevolg van het besef van het goddelijk kindschap is het vertrouwen en de kinderlijke overgave in Gods handen. De heilige Jozefmaria zei: «Een kind kan op heel verschillende manieren op zijn vader reageren. Wij moeten ons best doen om kinderen te zijn die beseffen dat de Heer — in zijn liefde voor ons, zijn kinderen — ervoor gezorgd heeft dat wij midden in deze wereld in zijn huis wonen, dat wij tot zijn gezin behoren, dat Hij alles met ons en wij alles met Hem delen, dat wij op een vertrouwelijke manier met Hem kunnen omgaan zoals eigen is aan een gezin, waardoor we, als een klein kind, zelfs om de maan durven te vragen!»[4].

Zich als kind aan God overgeven is niet zozeer het resultaat van een persoonlijke ascetische strijd – hoewel die een noodzakelijke voorwaarde is – als wel van het zich laten leiden door God. Daarom is de “overgave” zo belangrijk. Het gaat om een actieve, vrije en bewuste overgave van een zoon of dochter aan zijn of haar Vader. Deze houding heeft aanleiding gegeven tot een bijzondere wijze om het goddelijk kindschap te beleven – zonder dat dit de enige weg is of voor iedereen verplicht zou zijn – die men het “geestelijk kind zijn” noemt. Deze weg bestaat erin zich niet alleen als een kind van God te beschouwen, maar ook als een klein en hulpbehoevend kind tegenover Hem. De heilige Franciscus van Sales beschreef het als volgt: «Als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der Hemelen zeker niet binnengaan.» (Mat 18,3). Zolang het kind nog heel klein is, leeft het in grote eenvoud; het kent alleen zijn moeder; het heeft maar één liefde, zijn moeder; één enkel verlangen, de schoot van zijn moeder; het wenst niets anders dan zich in die zo aangename rust te nestelen. De volkomen eenvoudige ziel heeft slechts één liefde, God; en in deze enige liefde, één enkel verlangen, rusten op de borst van de hemelse Vader, en hier haar geborgenheid te vinden, als een liefhebbend kind, alle zorg volledig aan Hem overlatend, en niets anders nastrevend dan in dit heilige vertrouwen te blijven”[5]. Van zijn kant raadde de heilige Jozefmaria ook aan om het pad van het geestelijk kindschap te bewandelen: «Als jullie kinderen zijn, zullen jullie geen verdriet hebben. Kinderen vergeten meteen de onaangename dingen en keren terug tot hun spel. - Daarom, als jullie je overgeven, hoeven jullie je nergens zorgen over te maken, omdat jullie bij de Vader rust vinden.»[6].

De zeven smeekbeden van het Onze Vader

In het Onze Vader volgen op de openingswoorden: „Onze Vader, die in de hemel zijt“, zeven verzoeken. «In het Onze Vader zijn de eerste drie beden gericht op de heerlijkheid van de Vader: de heiliging van de naam, de komst van het rijk en de vervulling van de goddelijke wil. In de andere vier bieden wij Hem onze verlangens aan' deze beden gaan over ons leven en zij vragen God dat Hij ons leven mag voeden en genezen van de zonde en ons bijstaan in onze strijd voor de overwinning van het goede op het kwade.» (Catechismus, 2857).

Het Onze Vader is het voorbeeld voor elk gebed, zoals de heilige Thomas van Aquino leert: «Het zondaggebed is het volmaaktst van alle gebeden... Daarin vragen we niet alleen om alles wat we oprecht kunnen wensen, maar ook in de volgorde waarin het gepast is om dat te wensen. Dit gebed leert ons dus niet alleen te vragen, maar vormt ook heel onze affectiviteit.»[7].

Eerste bede: Uw naam worde geheiligd

Geen enkel schepsel kan iets toevoegen aan Gods heiligheid. «De term "heiligen" moet hier niet in de eerste plaats in oorzakelijke zin opgevat worden (God alleen heiligt, maakt heilig), maar vooral in waarderende zin: erkennen als heilig, op een heilige manier ermee omgaan. (…) Vanaf de eerste bede tot onze Vader worden wij in het intieme mysterie gedompeld van zijn goddelijkheid en in het heilsdrama van onze mensheid. Hem te vragen dat zijn naam geheiligd wordt, betekent dat wij een rol krijgen in "het welwillende raadsbesluit dat Hij van tevoren genomen had", dat wij "heilig en vlekkeloos zijn voor zijn aangezicht, in de liefde". (Vgl. Ef 1,9.4)» (Catechismus, 2807). De eerste smeekbede vraagt dus dat Gods heiligheid in ons leven steeds meer zichtbaar wordt en toeneemt: “Wie zou God kunnen heiligen, aangezien Hij het is die heiligt? Geïnspireerd door deze woorden “Wees heilig voor Mij, want Ik, Jahwe, ben heilig” (Leviticus 20,26), vragen wij dat wij, geheiligd door het doopsel, volharden in wat wij begonnen zijn te zijn. En we vragen dit elke dag, omdat we dagelijks tekortschieten en onze zonden moeten zuiveren door een voortdurende heiliging... Daarom wenden wij ons tot het gebed opdat deze heiligheid in ons bewaard blijft.”[8].

Tweede bede: Uw rijk kome

De tweede smeekbede drukt de hoop uit dat er een nieuwe tijd zal aanbreken waarin God door iedereen wordt erkend als Koning die zijn onderdanen met zegeningen zal overladen: «Dan komt deze bede op hetzelfde neer als het "Marana tha", de uitroep van de Geest en van de bruid: "Kom, Heer Jezus" ( Openb 22,20) […]. In het gebed van de Heer gaat het voornamelijk om de uiteindelijke komst van het rijk van God bij de wederkomst van Christus (Vgl. Tt 2,13)» (Catechismus, 2817-2818). Anderzijds is het Rijk van God al in deze wereld aangebroken met de eerste komst van Christus en de zending van de Heilige Geest: «”Het koninkrijk van God is gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest" (Rom. 14, 17). Het einde van de tijden, waarin wij leven, is de tijd van de uitstorting van de Heilige Geest. Vanaf dat ogenblik wordt er een beslissend gevecht aangegaan tussen "het vlees" en de Geest (Vgl. Ga 5,16-25): Het is het kenmerk van een zuiver hart om onomwonden te zeggen: "Uw rijk kome". Want alleen hij die Paulus heeft horen zeggen: "Laat dus de zonde niet heersen in uw ster lichaam" (Rom. 6, 12) en vervolgens zichzelf in zijn handelen, denken en spreken gezuiverd heeft, zal tot God zeggen: "Uw rijk kome!"(Heilige Cyrillus van Jeruzalem, Catecheses mystagogicæ, 5, 13)» (Catechismus, 2819). Kortom, in het tweede verzoek vragen we dat God nu al door Zijn genade in ons heerst, dat Zijn Rijk op aarde zich elke dag verder uitbreidt, en dat Hij aan het einde der tijden volledig over iedereen in de hemel zal heersen.

Derde bede: Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel

De wil van God is «dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen» (1 Tm 2,3-4). Jezus leert ons dat men het Koninkrijk der Hemelen niet binnengaat door woorden, «maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is» (Mat 7,21). Daarom «vragen wij aan onze Vader om onze wil te verenigen met die van zijn Zoon om zijn wil uit te voeren, zijn heilsplan voor het leven van de wereld. Uit onszelf zijn wij daartoe absoluut niet in staat, maar verenigd met Jezus en met behulp van de kracht van zijn Heilige Geest kunnen wij onze wil in zijn handen leggen en het besluit nemen te kiezen waarvoor zijn Zoon altijd gekozen heeft: doen wat de Vader behaagt (Vgl. Joh 8,29)» (Catechismus, 2825). Wanneer we in het Onze Vader bidden Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel, vragen we dat niet «in de zin dat God doet wat Hij wil, maar dat wij in staat zijn te doen wat God wil»[9]. Anderzijds geeft de uitdrukking op aarde zoals in de hemel aan dat we in dit verzoek verlangen dat, net zoals de wil van God is vervuld in de engelen en de zaligen in de hemel, deze ook vervuld wordt in degenen die nog op aarde verblijven.

Vierde bede: Geef ons heden ons dagelijks brood

Deze bede drukt de kinderlijke overgave van Gods kinderen uit, want «het is onmogelijk dat de Vader, die ons het leven geeft, ons niet het voedsel geeft dat noodzakelijk is voor het leven, alle "passende" goederen, stoffelijk en geestelijk. » (Catechismus, 2830). «Daarom heeft de specifiek christelijke betekenis van deze vierde bede betrekking op het brood des levens: het woord van God dat wij aanvaarden in het geloof, het lichaam van Christus dat wij ontvangen in de Eucharistie. (Vgl Joh 6,26-58)» (Catechismus, 2835). «Als wij het (de uitdrukking dagelijks) opvatten in temporele zin, wordt hiermee voor de duidelijkheid het woord "heden" herhaald (Vgl. Ex 16,19-21); zo worden wij bevestigd in een vertrouwen "zonder voorbehoud". Opgevat in kwalitatieve zin verwijst het naar het levensnoodzakelijke en in bredere zin naar alles wat dient tot ons levensonderhoud (Vgl. 1 Tm 6, 8)» (Catechismus, 2837).

Vijfde bede: Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven

In dit nieuwe verzoek beginnen we met het erkennen dat we zondaars zijn: «Nu keren wij, in deze nieuwe bede, terug naar Hem, net zoals de verloren zoon(Vgl. Luc 15,11-32) , en wij erkennen ten overstaan van Hem dat wij zondaars zijn, net zoals de tollenaar(Vgl. Luc 18,13) . Onze bede begint met een "biecht" waarin wij tegelijk onze ellende en zijn Barmhartigheid belijden.» (Catechismus, 2839). Maar dit verzoek zal niet worden verhoord als we niet eerst aan één voorwaarde hebben voldaan: zelf degenen vergeven die ons kwaad doen. En de reden daarvoor is de volgende: «Deze overvloed aan barmhartigheid kan ons hart niet doordringen, zolang wij geen vergiffenis verleend hebben aan mensen die ons kwaad deden. De liefde is, net zoals het lichaam van Christus, ondeelbaar: wij kunnen de God die wij niet zien, niet liefhebben, als wij de broeder en de zuster die wij wel zien, niet liefhebben (Vgl. 1 Joh 4,20). Als wij weigeren onze broeders en zusters te vergeven, sluit ons hart zich en de hardvochtigheid ervan maakt het ondoordringbaar voor de barmhartige liefde van de Vader» (Catechismus, 2840).

Zesde bede: Breng ons niet in beproeving

Deze smeekbede houdt verband met het vorige, omdat zonde het gevolg is van het vrijwillig toegeven aan de verleiding. Daarom «vragen wij onze Vader ons daar niet in te brengen. (…) Wij vragen Hem om ons niet de weg te laten inslaan die leidt naar de zonde. Wij raken verwikkeld in het gevecht "tussen het vlees en de Geest". Met deze bede smeken wij de Geest van onderscheiding en van kracht af.» (Catechismus, 2846). God schenkt ons altijd zijn genade om verleidingen te weerstaan: «God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat gij boven uw krachten beproefd wordt. Met de beproeving bepaalt Hij al het einde, zodat gij ze kunt doorstaan.» (1 Co 10,13), maar om verleidingen altijd te weerstaan, is het nodig om te bidden: «een dergelijk gevecht en een dergelijke overwinning zijn alleen maar mogelijk in het gebed. Door zijn gebed zegeviert Jezus over de verleider, meteen al aan het begin (Vgl. Mat 4,11) en in het uiteindelijke gevecht van zijn doodstrijd (Vgl. Mat 26,36-44). In deze bede aan de Vader verenigt Christus ons met zijn gevecht en zijn doodsstrijd. (…) Heel de dramatische betekenis van deze bede ligt hierin dat zij verband houdt met de laatste bekoring van ons gevecht op aarde; in deze bede vragen wij om volharding in het laatste uur. "Ik kom als een dief! Gelukkig de mens die wakker blijft!" (Openb. 16, 15).» (Catechismus, 2849).

Zevende bede: Maar verlos ons van het kwade

Dit laatste verzoek is vervat in het hogepriesterlijk gebed van Jezus tot zijn Vader: «Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad.» (Joh 17,15). «In deze bede is het kwade geen abstract begrip, maar het duidt een persoon aan, de Satan, de Boze, de engel die zich verzet tegen God De duivel (dia-bolos) is degene die "dwarsligt" bij het plan van God en bij zijn "heilswerk" dat in Christus voltooid is.» (Catechismus, 2851). «Wanneer wij vragen om verlost te worden van de Boze, bidden wij evenzeer om bevrijd te worden van al het kwaad, in heden, verleden en toekomst, dat hij tot stand brengt of waarvan hij de aanstichter is » (Catechismus, 2854), met name van de zonde, het enige ware kwaad[10], en van de straf daarop, namelijk de eeuwige verdoemenis. De andere kwalen en beproevingen kunnen in zegeningen veranderen, als we ze aanvaarden en ze verenigen met het lijden van Christus aan het Kruis.


Basisbibliografie

— Catechismus van de Katholieke Kerk, 2759-2865.


Aanbevolen lectuur

— Franciscus, Catechese over het Onze Vader. Het gaat om de catechese die de Heilige Vader heeft gegeven tijdens 16 algemene audiënties op woensdag, tussen december 2018 en mei 2019.

— Benedictus XVI-Joseph Ratzinger, Jezus van Nazareth (hoofdstuk toegewijd aan het Gebed van de Heer)

— Heilige Jozefmaria, homilies De omgang met God en Op weg naar heiligheid, in Vrienden van God, 142-153 y 294-316.

[1] Heilige Johannes Paulus II, Audiëntie, 1-VII-1987, 3.

[2] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, 13.

[3] Ibid., 36.

[4] Ibid., 64.

[5] Heilige Franciscus van Sales, Conversaciones espirituales, n. 16, 7, in Obras Selectas de San Francisco de Sales, vol. I, p. 724. (De vertaling is van ons)

[6] Heilige Jozefmaria, De Weg, 864.

[7] Heilige Thomas van Aquino, Summa theologiæ, II-II, 83, 9. (De vertaling is van ons)

[8] Heilige Ciprianus, De dominica oratione, 12. (De vertaling is van ons)

[9] Ibid., 14. (De vertaling is van ons)

[10] Vgl. Heilige Jozefmaria, De Weg, 386.

Manuel Belda