Thema 33. Zevende en achtste gebod

Het christelijke leven streeft ernaar de goederen van deze wereld in dienst te stellen van God en van de naastenliefde. Daarbij zijn zowel de matigheid, die het gebruik en bezit van materiële goederen ordent, als de rechtvaardigheid, die de rechten van de naaste waarborgt, van groot belang. Aan deze twee deugden moet ook de solidariteit worden toegevoegd.

Het achtste gebod verbiedt iedere verdraaiing van de waarheid in de omgang met de naaste. Christenen hebben de plicht getuigenis af te leggen van de Waarheid die Christus is en Hem voor de mensen te belijden.

«Het zevende gebod verbiedt het bezit van de naaste weg te nemen of het onrechtmatig achter te houden en hem schade te berokkenen in zijn bezittingen op welke manier dan ook. Het schrijft ons voor de rechtvaardigheid en de naastenliefde te beoefenen bij het beheren van de aardse goederen en van de vruchten van de arbeid. Met het oog op het algemeen welzijn vraagt dit gebod om de eerbiediging van de universele bestemming van de aardse goederen en van het recht op privé-eigendom. Het christelijk leven poogt de goederen van deze wereld te ordenen op God en op de christelijke naastenliefde.» (Catechismus, 2401).

God heeft de aarde aan de mens toevertrouwd, opdat hij haar zou bewerken en van haar vruchten zou genieten. Zij is een gave die God bestemd heeft voor alle mensen. Daarom «is het dan ook gewettigd eigendom te verwerven om de vrijheid en de waardigheid van de personen te verzekeren, om ieder mens te helpen te voorzien in zijn eigen fundamentele behoeften en in de noden van hen voor wie hij verantwoordelijk is» (Catechismus, 2402). Dit is niet in strijd met het recht op privé-eigendom. Zoals het Tweede Vaticaans Concilie leert, moet dit recht wel een middel zijn om ook de meest behoeftigen te helpen (Gaudium et Spes, 69, 1). De Kerk heeft zowel de totalitaire ideologieën verworpen die de privé-eigendom willen afschaffen, als het “wilde” en individualistische kapitalisme dat ernaar streeft de meeste productiemiddelen in enkele handen te concentreren, waardoor velen in een toestand van grote bestaansonzekerheid terechtkomen.

Het gebruik van goederen: matigheid, rechtvaardigheid en solidariteit

Wat het gebruik van de geschapen goederen betreft, zijn zowel de matigheid – die het gebruik en bezit ervan ordent – als de rechtvaardigheid – die de rechten van de naaste waarborgt – van groot belang. Aan deze twee deugden moet ook de solidariteit worden toegevoegd (vgl. Catechismus, 2407).

De deugd van de armoede, als onderdeel van de matigheid, bestaat niet in het eenvoudigweg niet bezitten van materiële goederen, maar in de onthechting ervan: tevreden zijn met wat noodzakelijk is om sober en matig te leven[1], en de eigen goederen beheren in dienst van anderen. Onze Heer heeft ons vanaf zijn komst op aarde tot aan zijn dood een voorbeeld gegeven van armoede en onthechting (vgl. 2 Kor. 8, 9). Hij heeft ons ook gewezen op het gevaar van gehechtheid aan rijkdom: «Voor een rijke is het moeilijk het Rijk der hemelen binnen te gaan» (Mat. 19, 23).

Rechtvaardigheid, als morele deugd, is de gewoonte waarbij men met een standvastige en vastberaden wil aan ieder geeft wat hem toekomt. De rechtvaardigheid tussen particuliere personen heet ruilrechtvaardigheid (bijvoorbeeld een schuld betalen); de verdelende rechtvaardigheid schrijft voor wat de gemeenschap aan de burgers verschuldigd is, evenredig aan hun bijdragen en behoeften; en de wettelijke rechtvaardigheid houdt zich bezig met wat de burger naar billijkheid aan de gemeenschap verschuldigd is, zoals bijvoorbeeld rechtvaardige belastingen betalen[2].

De deugd van de solidariteit «is integendeel het vaste of volhardende besluit om zich in te zetten voor het algemeen welzijn ofwel voor het welzijn van allen en van ieder, omdat wij werkelijk allen verantwoordelijk zijn voor allen.»[3]. De solidariteit «verdeelt de geestelijke goederen nog meer dan de materiële.» (Catechismus, 1948).

Het zevende gebod verbiedt het onrechtmatig wegnemen of achterhouden van het bezit van de naaste, evenals het onrechtmatig toebrengen van schade aan diens goederen. Van diefstal of roof is sprake wanneer men zich heimelijk andermans bezit toe-eigent. Plundering bestaat in het met geweld in bezit nemen van andermans bezittingen. Fraude is een vorm van diefstal waarbij men de naaste benadeelt door bedrog, valse documenten enzovoort, of door het rechtmatige loon achter te houden. Woeker bestaat in het eisen van een hogere rente dan wettelijk is toegestaan voor een lening (meestal door misbruik te maken van de materiële nood van de naaste). Ook corruptie is onrechtmatig, evenals iedere vorm van verspilling.

Wie onrecht heeft begaan, moet de veroorzaakte schade zoveel mogelijk herstellen. Het teruggeven van het gestolen goed — of ten minste de bereidheid en het voornemen daartoe — is noodzakelijk om sacramentele vergeving te ontvangen. Fysieke of morele onmogelijkheid ontslaat van de verplichting tot teruggave zolang deze toestand voortduurt. De verplichting kan bijvoorbeeld vervallen wanneer de schuldeiser de schuld kwijtscheldt [4].

De Sociale Leer van de Kerk

Het geheel van leerstellingen en beginselen die richting geven aan het maatschappelijk leven wordt de Sociale Leer van de Kerk genoemd. Zij maakt deel uit van de katholieke moraalleer.[5]. Het is belangrijk het volgende te onderstrepen: «Het is niet de taak van de herders van de Kerk om rechtstreeks in te grijpen in het politieke bestel en in de organisatie van het maatschappelijk leven. Dit is een onderdeel van de roeping van de gelovige leken die uit eigen initiatief optreden, samen met hun medeburgers.» (Catechismus, 2442).

De zending van de kerkelijke hiërarchie verschilt wezenlijk van die van het politieke gezag. Het doel van de Kerk is bovennatuurlijk: zij heeft de missie de mensen tot het heil te leiden. Wanneer het leergezag zich uitspreekt over wereldlijke aspecten van het algemeen welzijn, doet het dit in zoverre deze betrekking hebben op het hoogste Goed, ons uiteindelijke doel. Daarom spreekt de Kerk ook een moreel oordeel uit over economische en sociale aangelegenheden wanneer de fundamentele rechten van de menselijke persoon of het heil van de zielen dit vereisen.

Enkele fundamentele beginselen van de Sociale Leer van de Kerk zijn: 1) de transcendente waardigheid van de menselijke persoon en de onschendbaarheid van zijn rechten; 2) de erkenning van het gezin als grondslag en basis cel van de samenleving, gegrondvest op het ware en onontbindbare huwelijk, evenals de noodzaak het gezin te beschermen en te bevorderen door rechtvaardige wetten op het gebied van huwelijk, onderwijs en openbare zedelijkheid; 3) de leer over het algemeen welzijn en de rol van de Staat. In de afgelopen jaren heeft het leergezag bovendien sterk de nadruk gelegd op de ecologie en de zorg voor ons gemeenschappelijk huis als een wezenlijk onderdeel van de Sociale Leer van de Kerk [6].

«De menselijke arbeid komt rechtstreeks van de mensen die geschapen zijn naar Gods beeld en die als opdracht gekregen hebben met en voor elkaar de aarde te onderwerpen en zo het scheppingswerk voort te zetten. (Vgl. Gn 1,28; Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et spes, 34; Johannes Paulus II, Centessimus annus, 31). Werken is dus een plicht: "Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten" (2 Tess. 3, 10; Vgl. 1Tess 4,11). De arbeid is een eerbetoon aan de gaven van de Schepper en aan de talenten die men gekregen heeft. Hij kan ook een verlossende waarde hebben.» (Catechismus, 2427). Door samen met Christus te werken, wordt de mens medewerker van de Zoon van God in zijn verlossingswerk [7]. Het werk is een middel tot heiliging van de mensen en de aardse werkelijkheden, door deze te doordringen met de Geest van Christus. «Omdat Christus gewerkt heeft is de arbeid voor ons bovendien een verloste en verlossende realiteit. Het werk is niet alleen de leefwereld van de mens, maar ook een middel, een weg naar de heiligheid, iets dat geheiligd kan worden en heilig maakt.»[8].

De term sociale rechtvaardigheid is in de twintigste eeuw in gebruik geraakt om te verwijzen naar het universele karakter dat rechtvaardigheidskwesties hebben gekregen. «De gemeenschap verzekert de sociale rechtvaardigheid, wanneer ze de voorwaarden schept voor verenigingen en afzonderlijke personen, om datgene te ontvangen wat hun toekomt volgens hun natuur en hun roeping.» (Catechismus, 1928). Er spelen veel factoren mee als het gaat om sociale rechtvaardigheid: de verantwoordelijkheid van de Staat, de rol van ondernemers, de toegang tot de arbeidsmarkt, enz.

In Evangelii Gaudium staat: «In het hart van God is er een bijzondere plaats voor de armen, en wel zozeer dat Hijzelf “arm is geworden” (2 Kor. 8, 9). Heel de weg van onze verlossing wordt getekend door de armen. » (n. 197). Het gaat niet alleen om het opzetten van acties of programma’s voor sociale promotie, maar om een houding waarin aandacht wordt besteed aan de ander, aan degene in nood.

In deze context zijn rechtvaardigheid en solidariteit tussen de naties van bijzonder belang. «De rijke landen hebben een zware morele verantwoordelijkheid ten opzichte van die landen die niet bij machte zijn zich op eigen kracht de middelen voor hun ontwikkeling te verschaffen, of die door tragische historische gebeurtenissen daartoe verhinderd waren. Het is een plicht van solidariteit en naastenliefde; het is ook een plicht van rechtvaardigheid, als de welvaart van de rijke landen voortkomt uit hulpmiddelen die niet eerlijk werden betaald.» (Catechismus, 2439).

Het achtste gebod van de Decaloog

«Het achtste gebod verbiedt in de relaties met de medemens de waarheid te verdraaien. (…) De zonden tegen de waarheid in woorden of daden, wijzen op een weigering om in morele rechtschapenheid te leven» (Catechismus, 2464).

De natuurlijke neiging van de mens om de waarheid te kennen en haar in woord en daad tot uitdrukking te brengen, is door de zonde verwond. De zonde heeft de menselijke natuur aangetast door de onwetendheid van het verstand en de boosaardigheid van de wil. Daardoor is ook de liefde voor de waarheid verminderd, en misleiden mensen elkaar, vaak uit egoïsme of eigenbelang. Door de genade van Christus kan de christen echter zijn leven opnieuw laten leiden door de waarheid.

De deugd die ertoe aanzet steeds de waarheid te spreken, wordt waarachtigheid, oprechtheid of openhartigheid genoemd (vgl. Catechismus, 2468). Drie essentiële aspecten van deze deugd:

oprechtheid tegenover zichzelf: de waarheid onder ogen zien over het eigen gedrag, zowel uiterlijk als innerlijk — intenties, gedachten, gevoelens enzovoort — zonder angst voor de waarheid en zonder de ogen te sluiten voor de werkelijkheid [9];

oprechtheid tegenover anderen: het samenleven zou onmogelijk zijn als mensen geen wederzijds vertrouwen zouden hebben, dat wil zeggen als ze elkaar niet de waarheid zouden vertellen of zich niet zouden gedragen op een manier waarbij ze bijvoorbeeld contracten of, meer in het algemeen, afspraken en gegeven beloften nakomen (Vgl. Catechismus, 2469);

oprechtheid tegenover God: God ziet alles, maar omdat wij zijn kinderen zijn, wil Hij dat wij dat aan Hem laten zien. «Een kind van God gaat met Hem om als met zijn Vader, niet met slaafse onderworpenheid, ook niet met formeel respect of louter uit beleefdheid, maar heel open en vol vertrouwen. God neemt geen aanstoot aan de mensen. God wordt niet moe van onze ontrouw. Onze hemelse Vader vergeeft iedere belediging zodra zijn kind zich omkeert en zich weer tot Hem richt, als het spijt heeft en vergiffenis vraagt. God is zozeer een Vader, dat Hij ons verlangen naar vergeving ziet aankomen en ons vol liefde en met open armen tegemoetkomt om ons zijn genade te schenken.»[10].

Oprechtheid in het Sacrament van de Biecht en in de geestelijke begeleiding zijn buitengewoon doeltreffende middelen om te groeien in het innerlijk leven: in eenvoud, in nederigheid en in de overige deugden [11]. Oprechtheid is essentieel om te volharden in het navolgen van Christus, want Christus is de Waarheid (Vgl. Joh 14,6).

De Heilige Schrift leert ons dat we de waarheid met liefde moeten zeggen (Ef. 4:15). Oprechtheid moet, net als alle deugden, uit liefde en met liefde (voor God en de mensen) worden beleefd: met tact en begrip. Een mooie uiting hiervan is de broederlijke vermaning, een evangelische praktijk (vgl. Mt 18,15) die erin bestaat iemand te wijzen op een begane fout of een tekortkoming, opdat hij zich kan corrigeren. Het is een grote uiting van liefde voor de waarheid en van naastenliefde. Soms kan het een zware plicht zijn.

Getuigenis afleggen van de waarheid

«Het getuigenis is een daad van rechtvaardigheid die de waarheid staaft of openbaart» (Catechismus, 2472). Christenen hebben de plicht om te getuigen van de Waarheid, die Christus is, en Hem voor de mensen te belijden.

«Het martelaarschap is het meest verheven getuigenis dat men van de waarheid van het geloof kan geven; het betekent een getuigenis dat reikt tot in de dood. De martelaar getuigt voor Christus, gestorven en verrezen, met wie hij door de liefde verbonden is.» (Catechismus, 2473). Hoewel de meeste christenen niet geroepen zijn tot deze extreme uiting van liefde voor God, moeten zij allen de waarheid van God en van wat God heeft geopenbaard verkondigen, zelfs als dat ten koste gaat van hun aanzien of hun maatschappelijke positie. Soms wordt de oprechtheid, met de hulp van de bovennatuurlijke sterkte, geroepen tot heldhaftige daden ter verdediging van de waarheid.

In Evangelii Gaudium worden enkele zonden tegen de waarheid genoemd als typische voorbeelden van houdingen die een overtuigende en aantrekkelijke evangelisatie in de weg staan (Vgl. n. 100).

«”Liegen is onwaarheden vertellen met de bedoeling te bedriegen". (H. Augustinus, De mendacio, 4,5) De Heer klaagt in de leugentaal het werk van de duivel aan: "De vader uit wie gij zijt is de duivel (...) in hem is geen waarheid. Wanneer hij leugentaal spreekt, spreekt hij uit zijn eigen wezen, want een leugenaar is hij, ja, de aartsleugenaar" (Joh 8,44).» (Catechismus, 2482). De ernst van de leugen wordt afgemeten aan de waarheid die zij tegenspreekt, aan de intentie van degene die liegt en aan de gevolgen ervan. Zij kan een doodzonde zijn wanneer zij de deugden van rechtvaardigheid en naastenliefde ernstig schaadt.

«Een uitspraak tegen de waarheid is bijzonder ernstig, wanneer die in het publiek wordt gedaan. Voor de rechtbank uitgesproken is het een vals getuigenis. Wanneer dit onder ede gebeurt is het een meineed.» (Catechismus, 2476).

Het recht op eer en goede reputatie — zowel die van zichzelf als die van anderen — is kostbaarder dan materiële rijkdom en van groot belang voor het persoonlijke, gezins- en sociale leven. Zonden tegen de goede naam van de naaste zijn:

lichtvaardig oordeel: dit is het geval wanneer men, zonder voldoende grond, een moreel gebrek van de naaste als waar aanneemt (bijv. oordelen dat iemand met kwaad opzet heeft gehandeld, zonder dat daarvoor een bewijs is). «Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden; veroordeeld niet, dat zult ge niet veroordeeld worden» (Luc 6,37) (Vgl. Catechismus, 2477);

Laster: elke onrechtvaardige aantasting van de goede naam van de naaste. Zij kan twee vormen aannemen: achterklap of kwaadsprekerij (“kwaad spreken”), wat bestaat uit het bekend maken van werkelijk bestaande zonden of gebreken van de naaste, zonder een evenredig ernstige reden (het wordt roddel genoemd wanneer het achter de rug van de beschuldigde gebeurt); en laster, wat bestaat uit het toeschrijven van valse zonden of gebreken aan de naaste. Laster bevat een dubbele kwaadaardigheid: tegen de waarheid en tegen de rechtvaardigheid (des te ernstiger naarmate de laster ernstiger is en des te meer wordt verspreid).

Het is raadzaam om lichtzinnig gepraat of praatziekte te vermijden (zie Mat. 12:36), aangezien dit gemakkelijk tot leugens leidt (onjuiste of onrechtvaardige beoordelingen, overdrijvingen, soms laster). Tegenwoordig komen deze schendingen van de waarheid of de goede naam veelvuldig voor in de media. Ook om deze reden is het noodzakelijk een gezonde kritische geest te ontwikkelen bij het ontvangen van nieuws uit kranten, tijdschriften, TV, enz., evenals uit sociale media. Een naïeve of goedgelovige houding leidt tot het vormen van valse oordelen [12] of tot het lukraak verspreiden van inhoud zonder deze te verifiëren.

Zodra er sprake is van smet op de goede naam (hetzij door roddel of laster), bestaat de plicht om al het mogelijke te doen om de goede naam van de naaste, die ten onrechte is aangetast, te herstellen.

Men dient iedere vorm van medewerking aan deze zonden te vermijden. Aan laster werkt in meerdere of mindere mate mee: wie graag naar de lasteraar luistert en behagen schept in wat deze zegt; de meerdere die het roddelen over een ondergeschikte niet verhindert; en iedereen die — ook al verafschuwt hij de zonde van laster — uit vrees, nalatigheid of schaamte de lasteraar of kwaadspreker niet terechtwijst of afwijst. Eveneens is schuldig wie lichtzinnig insinuaties van anderen verspreidt die de reputatie van een derde schaden [13].

Eerbied voor het privéleven

«Het welzijn en de veiligheid van de naaste, de eerbied voor zijn privéleven en het algemeen welzijn zijn afdoende redenen om datgene te verzwijgen, wat niet bekend hoeft te zijn of om zich van een voorzichtige taal te bedienen. De plicht om opspraak te vermijden, gebiedt vaak strikte geheimhouding. Niemand kan verplicht worden de waarheid mee te delen aan wie er geen recht op heeft» (Catechismus, 2489).

«Het biechtgeheim is heilig en mag onder geen enkele voorwaarde geschonden worden. "Het biechtgeheim is onschendbaar; daarom is het de biechtvader ten strengste verboden met woorden of op welke andere wijze en om welke reden ook over de boeteling maar iets bekend te maken" (CIC, 983, §1)» (Catechismus, 2490).

Beroepsgeheimen en, in het algemeen, alle natuurlijke geheimen moeten worden bewaard. Het onthullen van deze geheimen getuigt van een gebrek aan respect voor de privacy van mensen en kan een zonde tegen de rechtvaardigheid vormen.

Sociale Media hebben een doorslaggevende invloed op de publieke opinie. Sinds de opkomst van internet, de groei van sociale netwerken en instant messaging draagt iedereen verantwoordelijkheid voor de inhoud die hij of zij creëert en/of verspreidt. Ze vormen een uiterst belangrijk werkterrein voor de verdediging van de waarheid en de kerstening van de samenleving.


Basisbibliografie

— Catechismus van de Katholieke Kerk, 2401-2499.

— Franciscus, Evangelii Gaudium, 186-216.


Aanbevolen lectuur

— Heilige Jozefmaria, Homilie Tegenover God en tegenover de mensen, in Vrienden van God, 154-174.

— Heilige Jozefmaria, Homilie De Christelijke eerbied voor de persoon en zijn vrijheid, in Christus komt langs, 67-72.

[1] Vgl. Heilige Jozefmaria, De Weg, 631.

[2] Catechismus, 2411.

[3] Johannes Paulus II, Sollicitudo Rei Socialis, 30-XII-1987, 38.

[4] «Wie zich, rechtstreeks of onrechtstreeks, meester heeft gemaakt van het goed van een ander, is verplicht het terug te geven, of, wanneer het goed zelf verdwenen is, een gelijkwaardig goed, in natura of in geld, terug te betalen; hij moet eveneens de opbrengst en de voordelen vergoeden, die de eigenaar op rechtmatige wijze hiervan verkregen zou hebben. Wie aan een diefstal op welke wijze dan ook heeft meegewerkt of bewust voordeel ervan heeft gehad, is eveneens tot restitutie verplicht in verhouding tot het aandeel en het voordeel dat hij gehad heeft; dit is bijvoorbeeld het geval bij diegene die een diefstal heeft georganiseerd, erbij heeft geholpen of de buit verborgen of geheeld heeft.» (Catechismus, 2412).

[5] Vgl. Johannes Paulus II, Sollicitudo Rei Socialis, 41.

[6] Vgl. Franciscus, Laudato Si, 63.

[7] Ibid., 98.

[8] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, n. 47.

[9] Vgl. Heilige Jozefmaria, De Weg, 33 en 34; De Voor, 148: «meedogenloos eerlijk» zijn in het gewetensonderzoek.

[10] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, 64.

[11] Vgl. Heilige Jozefmaria, De Smidse, 126-128.

[12] «De sociale communicatiemiddelen - in het bijzonder de massamedia - kunnen bij de gebruikers een zekere passiviteit veroorzaken, zodat deze tot onkritische consumenten worden van boodschappen of beelden die hun worden aangeboden. De gebruikers moeten zich een zekere matiging en discipline opleggen bij het gebruik van de massamedia. Zij moeten zich een helder en juist gewetensoordeel vormen om gemakkelijker weerstand te kunnen bieden aan minder beschaafde invloeden.» (Catechismus, 2496). «De verantwoordelijken voor de media hebben uit hoofde van hun beroep zelf de verplichting, bij het verspreiden van informatie, de waarheid te dienen en de naastenliefde geen geweld aan te doen. Ze moeten zich inspannen om met evenveel zorg de aard van de feiten te eerbiedigen èn de grenzen te respecteren bij de kritische beoordeling van personen. Aan de bekoring van laster mogen ze niet toegeven.» (Catechismus, 2497).

[13] Vgl. Heilige Jozefmaria, De Weg, 49. Roddelen is met name een schadelijke vijand van de eenheid in het apostolaat: «Roddelen is als schurft, wat het apostolaat bezoedelt en belemmert. - Het is in strijd met de naastenliefde, verbruikt energie, verstoort de vrede en doet de eenheid met God verliezen.» (Heilige Jozefmaria, De Weg , 445. Vgl. Ibid., 453).

Pau Agulles - Pablo Requena