«Gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste; ge zult niet uit zijn op het huis van uw naaste, noch op zijn land, zijn slaaf of zijn slavin, zijn rund, of zijn ezel, of iets dat hem toebehoort.» (Dt 5,21).
«Al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd.» (Mat 5,28).
Onze innerlijke wereld heiligen
Uit de woorden van Jezus, wanneer Hij antwoordt op de vraag wat het belangrijkste gebod van de Wet is, blijkt dat het morele leven niet beperkt blijft tot het stellen van een reeks uiterlijke handelingen, maar iets diepers omvat: “Gij zult de Heer, uw God, beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht.” (Mar. 12, 30). Heiligheid, die altijd een gave van God is, bestaat niet in de eerste plaats in een leven zonder zware zonden, maar in een leven vol liefde voor God; een liefde die een innerlijke orde en harmonie veronderstelt die voor de mens onmogelijk is zonder de genade, maar die zichtbaar wordt in de heiligen. Tegelijk ligt het binnen ons bereik om op die gave van God te antwoorden; vele van onze broeders en zusters in het geloof hebben die genade door hun persoonlijke inspanning tot bloei weten te brengen: «Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd; ziehier, vijf talenten heb ik erbij verdiend.» (Mat 25,20).
Die innerlijke orde en harmonie wordt aangeduid als ‘zuiverheid van hart’, die door Jezus in de Bergrede wordt geprezen en die ons bovendien in staat stelt ons op bijzondere wijze open te stellen voor onze naaste: «Op deze wijze komen we tot relatie met de naaste die, vanuit de liefde die God ons toont in Jezus Christus, een roeping wordt tot de schoonheid van trouw, edelmoedigheid en waarachtigheid. Om zo te leven – met name met de schoonheid van trouw, edelmoedigheid en waarachtigheid – hebben we nood aan een nieuw hart, woning van de Heilige Geest [...] Door de gave van nieuwe verlangens (Cf. Rom 8,6). (…) Verlangen volgens de Geest, verlangen op het ritme van de Geest, verlangen op de muziek van de Geest. (…) Dat zijn dus voor ons Christenen de Tien Geboden. Christus beschouwen om ons open te stellen en zijn hart te ontvangen, om zijn verlangens te ontvangen, om zijn Heilige Geest te ontvangen. »[1].
De gehechtheid aan mensen en materiële goederen is op zichzelf goed, maar vereist een juiste ordening die rekening houdt met het integrale welzijn van de mens, dat voor de christen concreet tot uiting komt in de liefde tot God, die de gehele mens omvat: zijn verstand, zijn hart en al zijn andere vermogens. Materiële goederen zijn weliswaar onmisbaar als middelen, maar zij kunnen het verlangen naar oneindigheid in het hart van de mens niet vervullen, want de mens is geschapen voor God en wordt niet verzadigd door materieel welzijn. Wanneer dat welzijn niet geïntegreerd wordt in een leven volgens de Heilige Geest, verdooft het dikwijls verstand en hart en maakt het moeilijk om anderen werkelijk lief te hebben en hun noden te herkennen.
De innerlijke zonden
Het negende en het tiende gebod hebben betrekking op de innerlijke handelingen die verband houden met de zonden tegen het zesde en het zevende gebod, die in de morele traditie worden gerekend tot de zogenaamde innerlijke zonden. In positieve zin schrijven zij voor dat men in gedachten en verlangens kuisheid (het negende gebod) en onthechting van materiële goederen (het tiende gebod) beleeft, volgens de woorden van de Heer: «Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.» en «Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen.» (Mat. 5,3.8).
De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of het zinvol is te spreken over innerlijke zonden; of, met andere woorden, waarom een daad van verstand en wil die niet tot een laakbare uiterlijke handeling leidt, toch als negatief wordt bestempeld.
Het antwoord ligt niet onmiddellijk voor de hand, want in de opsommingen van zonden die het Nieuwe Testament ons geeft, komen vooral uiterlijke handelingen voor (overspel, ontucht, moord, afgoderij, toverij, twist, woede, enz.). Toch worden in diezelfde lijsten ook bepaalde innerlijke daden (afgunst, wellust, hebzucht) als zonden genoemd [2].
Jezus zelf legt uit dat alles uit het hart van de mens voortkomt: “Want uit het hart komen boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering.” (Mat. 15,19). En op het specifieke gebied van de kuisheid leert Hij: ‘Al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd.’ (Mat. 5,28). Uit deze teksten vloeit een belangrijke les voor de moraal voort, want zij maken duidelijk dat de bron van de menselijke handelingen, en dus van de goedheid of slechtheid van de persoon, gelegen is in de verlangens van het hart, in wat de persoon “wil” en kiest. Het kwaad van moord, overspel en diefstal ligt niet in de eerste plaats in de fysieke handeling zelf of in de gevolgen ervan (hoe belangrijk die ook zijn), maar in de wil (in het hart) van de moordenaar, de overspelige en de dief, die door voor die bepaalde handeling te kiezen, haar ook wil: hij kiest voor een richting die tegengesteld is aan de naastenliefde, en dus ook aan de liefde voor God.
De wil is altijd gericht op wat hij als een goed beschouwt, maar soms gaat het om een schijnbaar goed, iets wat hier en nu niet in dienst staat van het ware welzijn van de persoon als geheel. De dief verlangt naar iets dat hij als een goed beschouwt, maar het feit dat dat voorwerp aan iemand anders toebehoort, maakt dat de keuze om het zich toe te eigenen niet in dienst kan staan van zijn welzijn als persoon, of, wat op hetzelfde neerkomt, van het doel van zijn leven. In die zin is de uiterlijke daad niet nodig om de wil negatief te bepalen. Wie besluit een voorwerp te stelen, ook al kan hij dat later door een onvoorziene omstandigheid niet uitvoeren, heeft reeds verkeerd gehandeld. Hij heeft een vrijwillige innerlijke daad gesteld die in strijd is met de deugd van rechtvaardigheid.
Het goede en het kwade in de mens komen tot uiting in de wil, en strikt genomen zouden wij die categorieën dus moeten gebruiken om naar verlangens te verwijzen (voor zover zij gewild en aanvaard zijn), en niet naar gedachten. Wanneer wij over het verstand spreken, gebruiken wij andere categorieën, zoals waar en onwaar. Wanneer het negende gebod “onreine gedachten” verbiedt, verwijst het niet naar beelden of naar de gedachte op zich, maar naar de beweging van de wil die het ongeordende genot aanvaardt dat een bepaald beeld (innerlijk of uiterlijk) bij hem teweegbrengt [3].
Innerlijke zonden worden traditioneel onderverdeeld in:
—slechte gedachten: dit zijn voorstellingen van een zondige daad, zonder de intentie die daad daadwerkelijk te verrichten. Het kan een doodzonde worden wanneer het om een ernstige zaak gaat en men er welbehagen in schept of er bewust van geniet;
—slechte begeerte: een innerlijk en algemeen verlangen naar een zondige daad waarin de persoon behagen schept. Dit valt niet samen met de uitdrukkelijke intentie om die daad te verrichten (wat altijd een daadwerkelijke wilsdaad inhoudt), hoewel de daad in niet weinig gevallen wel zou worden uitgevoerd als er geen redenen waren die de persoon ervan weerhouden (zoals de gevolgen van de daad, de moeilijkheid om haar uit te voeren, enz.);
—zondig genot: dit is het opzettelijk genieten van een slechte daad die men zelf of door anderen heeft begaan. Het doet de zonde in zekere zin in de ziel herleven.
Innerlijke zonden zijn minder ernstig dan de overeenkomstige uiterlijke zonden, aangezien de uiterlijke daad doorgaans blijk geeft van een sterkere wil. Toch zijn zij in feite zeer schadelijk, vooral voor mensen die het contact en de vriendschap met God zoeken, omdat:
—zij gemakkelijker worden begaan, aangezien de wil slechts hoeft in te stemmen; bovendien doen bekoringen zich doorgaans vaker voor;
—er minder aandacht aan wordt besteed, omdat men ze – soms uit onwetendheid, soms uit een zekere toegeeflijkheid tegenover de hartstochten – niet als zonden wil erkennen, ten minste niet als dagelijkse zonden wanneer de instemming onvolledig was.
Innerlijke zonden kunnen het geweten vervormen, bijvoorbeeld wanneer men geregeld of met enige frequentie innerlijke dagelijkse zonden begaat, ook al wil men doodzonden vermijden. Deze vervorming kan leiden tot uitingen van prikkelbaarheid, gebrek aan naastenliefde, een kritische houding, berusting in het feit dat men vaak wordt verleid zonder daar vastberaden tegen te strijden, enz. [4]. In sommige gevallen kan dit er zelfs toe leiden dat men de innerlijke zonden niet meer wil erkennen en ze bedekt met schijnredenen die het geweten steeds meer in verwarring brengen. Daardoor groeit de eigenliefde gemakkelijk, ontstaat er innerlijke onrust, worden nederigheid en oprecht berouw moeilijker en kan men in een toestand van lauwheid terechtkomen.
De strijd tegen innerlijke zonden, die in de mens een morele verfijning en innerlijk evenwicht tot stand brengt, heeft niets te maken met scrupules, die een overdreven ontwikkeling van de innerlijke gevoeligheid inhouden en zelfs tot een werkelijke psychische stoornis kunnen leiden.
De strijd tegen innerlijke zonden maakt deel uit van het christelijke streven om met heel ons hart, met heel ons verstand en met al onze kracht lief te hebben. Daarbij helpen ons:
— de regelmatige ontvangst van de sacramenten, die ons de genade schenken of versterken en ons genezen van onze dagelijkse zwakheid;
— gebed, versterving en werk, in een oprechte zoektocht naar God;
— nederigheid — die ons in staat stelt onze tekortkomingen te erkennen zonder te wanhopen over onze fouten — en vertrouwen in God, in de wetenschap dat Hij altijd bereid is ons te vergeven;
— het beoefenen van oprechtheid tegenover God, tegenover onszelf en in de geestelijke begeleiding, samen met een zorgvuldig gewetensonderzoek.
De zuivering van het hart
Deze twee geboden (9de en 10de), ruim opgevat, hebben betrekking op de innerlijke mechanismen die aan de basis liggen van elke zonde [5]. In positieve zin nodigen zij uit om te handelen met een oprechte intentie en een zuiver hart. Daarom zijn zij van groot belang, aangezien zij zich niet beperken tot de uiterlijke beschouwing van de daden, maar ook oog hebben voor de bron waaruit deze daden voortkomen.
Deze innerlijke drijfveren zijn van fundamenteel belang in het christelijke morele leven, waarin de gaven van de Heilige Geest en de ingestorte deugden worden bepaald door de innerlijke gesteldheid van de persoon. In die zin zijn de morele deugden, als neigingen van de wil en de andere begeervermogens om het goede te doen, van bijzonder belang. Met deze elementen voor ogen kan men een karikaturaal beeld van het morele leven als een loutere strijd om zonden te vermijden achter zich laten, en het grote positieve perspectief ontdekken van het streven naar groei in de deugd (om het hart te zuiveren), dat het menselijk bestaan, en in het bijzonder dat van de christen, kenmerkt.
Deze geboden hebben meer in het bijzonder betrekking op innerlijke zonden tegen de deugden van kuisheid en rechtvaardigheid, die treffend worden samengevat in de Schrifttekst die spreekt over «drie soorten van begeerlijkheid of concupiscentie: de begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid van de ogen en de hovaardij van het leven. (1 Joh 2,16)» (Catechismus, 2514).
Iedere mens ontdekt in zichzelf bepaalde ongeordende neigingen, die in de morele traditie begeerlijkheid (concupiscentia) worden genoemd. De Catechismus legt dit uit door te spreken over «de strijd die het “vlees” voert tegen de “geest”. De begeerlijkheid komt voort uit de ongehoorzaamheid van de eerste zonde» (Catechismus, 2515). Sinds de erfzonde is niemand vrij van begeerlijkheid, met uitzondering van Onze-Lieve-Heer Jezus Christus en de Heilige Maagd Maria.
Hoewel de begeerlijkheid op zichzelf geen zonde is, zet zij aan tot zonde en brengt zij zonde voort wanneer zij zich niet onderwerpt aan de door het geloof verlichte rede, met de hulp van de genade. Wanneer men vergeet dat de begeerlijkheid bestaat, is het gemakkelijk te denken dat alle neigingen die men ervaart ‘natuurlijk’ zijn en dat er niets verkeerds aan is zich erdoor te laten meeslepen. Velen beseffen dat dit onjuist is wanneer zij kijken naar wat er bijvoorbeeld gebeurt met de neiging tot geweld, die men erkent als iets negatiefs dat vermeden moet worden. Op het gebied van de kuisheid is het echter niet altijd even gemakkelijk te erkennen dat ‘natuurlijke’ prikkels vaak ongeordend zijn. Het negende gebod helpt ons te begrijpen dat dit inderdaad zo is en dat de wellust de natuur heeft verduisterd, zodat wat als natuurlijk wordt ervaren, vaak een gevolg is van de zonde; daarom is het noodzakelijk dit te beheersen. Hetzelfde geldt voor het mateloze verlangen naar rijkdom, of hebzucht, waarnaar het tiende gebod verwijst.
Het is belangrijk zich bewust te zijn van de ontwrichting die de erfzonde en onze persoonlijke zonden in ons teweegbrengen, aangezien dit besef:
—ons aanspoort tot gebed: alleen God vergeeft ons de erfzonde, die aan de basis ligt van de begeerlijkheid; en alleen met Zijn hulp zullen wij deze ongeordende neiging kunnen overwinnen; Gods genade geneest onze natuur van de wonden van de zonde (en verheft haar bovendien tot de bovennatuurlijke orde);
—ons leert alles wat geschapen is lief te hebben, omdat alles wat God geschapen heeft goed is; het zijn onze ongeordende verlangens die ertoe leiden dat van de geschapen goederen misbruik wordt gemaakt.
De strijd voor zuiverheid en vrijheid van hart
Zuiverheid van hart betekent een heilige wijze van voelen te hebben. Met Gods hulp en door eigen inspanning wordt men steeds ‘zuiverder van hart’: zuiverheid in de gedachten en in de verlangens. Deze zuiverheid van hart is een metafoor voor de grotere vrijheid van het hart om lief te hebben.
Wat het negende gebod betreft, bereikt de christen deze zuiverheid door Gods genade en via de deugd en de gave van kuisheid, zuiverheid van intentie, zuiverheid van blik en gebed [6].
De zuiverheid van de blik houdt niet alleen in dat men het aanschouwen van duidelijk ongepaste beelden afwijst, maar vereist ook een zuivering van het gebruik van de zintuigen, waardoor men de wereld en de medemens met een bovennatuurlijke visie gaat bezien. Het gaat om een positieve strijd die de mens in staat stelt de ware schoonheid van de gehele schepping te ontdekken, en in het bijzonder de schoonheid van hen die naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen zijn [7].
«Kuisheid veronderstelt schaamte. Kuisheid maakt een integrerend deel uit van de matigheid. De schaamte beschermt de intimiteit van de persoon. Zij betekent een weigering om te ontsluieren wat bedekt moet blijven. De schaamte is afgestemd op de kuisheid, waarvan zij de fijngevoeligheid bewijst. De schaamte leidt de blikken en gebaren op een wijze die overeenstemt met de waardigheid van de personen en hun onderlinge relatie.» (Catechismus, 2521).
Wat materiële bezittingen betreft, stimuleert de huidige samenleving consumentisme en persoonlijke zelfbevestiging zo sterk dat dit zelfs de stabiliteit van het gezin in gevaar brengt. Veel mensen beseffen pas te laat dat zij hun leven hebben toegespitst op hun carrière, op het vergaren van geld en status, en dat zij andere, belangrijkere aspecten van hun bestaan hebben verwaarloosd: hun relatie met God en hun gezin.
Het overdreven belang dat tegenwoordig aan materieel welzijn wordt gehecht, boven vele andere waarden, is geen teken van menselijke vooruitgang; het betekent een vernedering en een verarming van de mens, wiens waardigheid juist ligt in het feit dat hij een geestelijk wezen is, geroepen tot het eeuwige leven als kind van God (Cf. Lc 12,19-20).
«Het tiende gebod eist dat men de afgunst uit het hart van de mens bant.» (Catechismus, 2538). «De afgunst is een hoofdondeugd. Zij duidt de droefheid aan die men ervaart bij het zien van andermans goed» (Catechismus, 2539). Uit afgunst kunnen vele andere zonden voortvloeien: haat, roddel, laster, ongehoorzaamheid, enz. Afgunst houdt een afwijzing van de naastenliefde in. Om ertegen te strijden moeten wij de deugd van welwillendheid beoefenen, die ons ertoe brengt anderen het goede toe te wensen als uitdrukking van de liefde die wij voor hen koesteren. Ook de deugd van nederigheid helpt ons in deze strijd, want wij mogen niet vergeten dat afgunst vaak voortkomt uit hoogmoed (Vgl. Catechismus, 2540).
Om met heel ons hart en met al onze kracht te kunnen liefhebben, is een innerlijke orde nodig die door de genade en de deugden wordt geschonken en die niet beperkt blijft tot louter zelfbeheersing – waarmee hooguit de ernstigste zonden worden vermeden –, maar die juist die vredige harmonie tot stand brengt die de heiligen kenmerkt.
Basisbibliografie
— Catechismus van de Katholieke Kerk, 2514-2557.
Aanbevolen lectuur
— Heilige Jozefmaria, homilie ‘Want zij zullen God zien’ in ‘Vrienden van God’, 175-189; Homilie ‘Onthechting’ in ‘Vrienden van God’, 110-126.
[1] Franciscus, Audiëntie, 28-11-2018.
[2] Cf. Ga 5,19-21; Rm 1,29-31; Col 3,5. Nadat hij heeft opgeroepen zich te onthouden van ontucht, schrijft de heilige Paulus: «In de eerste plaats wil God dat gij u heiligt door u te onthouden van ontucht. Ieder van u moet met zijn vrouw leven in heilige tucht en eerbaarheid, zonder zich door hartstocht te laten meeslepen zoals de heidenen, die God niet kennen. (...) God heeft ons niet geroepen tot onkuisheid maar tot heiliging.» (1 Ts 4,3-7). Hij benadrukt het belang van de gevoelens, die de bron van onze daden vormen, en wijst op de noodzaak om deze te zuiveren om een christelijk leven te kunnen leiden.
[3] Op deze manier wordt het verschil tussen ‘voelen’ en ‘toestaan’ – met betrekking tot een bepaalde hartstocht of gevoelsbeweging – gemakkelijk duidelijk. Pas wanneer men dit met de wil toestaat, kan er sprake zijn van zonde (als de materie zondig was).
[4] «Je dobbert rond in de bekoringen, brengt jezelf in gevaar, speelt met je blikken en met je fantasie, kletst over ... flauwekul. – En dan schrik je als je wordt overvallen door twijfels, scrupules, toestanden van verwarring, verdrietigheid en ontmoediging. Je moet toegeven dat je weinig consequent bent.» (Heilige Jozefmaria, De Voor, 132).
[5] «Het tiende gebod handelt over de intenties van het hart; samen met het negende gebod geeft het in het kort alle voorschriften van de wet weer.» (Catechismus, 2534).
[6] «Met Gods genade kan hij dit bereiken: door de deugd en de gave van kuisheid, want de kuisheid stelt in staat met een onverdeeld en zuiver hart te beminnen; door de zuiverheid van intentie die het ware doel van de mens beoogt: in alle eenvoud tracht de gelovige in alles de wil van God te ontdekken en te volbrengen;
door de zuiverheid van de blik, uitwendig en inwendig; door de beheersing van zijn gevoelens en zijn verbeelding; door te weigeren toe te geven aan enige vorm van welbehagen in onkuise gedachten, die hem ertoe brengen de wegen van Gods geboden te verlaten: "want door de aanblik wordt de begeerte van de dwaas opgewekt" (Wijsh. 15, 5); door het gebed. (Catechismus, 2520).
[7] «De ogen! Door hen heen komt heel wat verdorvenheid de ziel binnen. - Hoevelen moeten niet ervaren wat David overkomen is ! … - Als jullie je blik bewaken, heb je de bewaking van je hart verzekerd.» (Heilige Jozefmaria, De Weg, 183). «Mijn God, ik ervaar aantrekkingskracht en schoonheid in alles wat ik zie, maar ik zal mijn blik steeds bewaken omwille van de Liefde.» (Heilige Jozefmaria, De Smidse, 415).
