Wat is gebed?
In het Spaans bestaan er twee woorden om de bewuste en informele liefdesband tussen de mens en God aan te duiden: plegaria en oración. Het woord plegaria is afgeleid van het Latijnse werkwoord precor, dat ‘smeken’ of ‘iemand om hulp vragen’ betekent. De term oración is afkomstig van het Latijnse zelfstandig naamwoord oratio, dat ‘toespraak’, ‘rede’ of ‘taal’ betekent.
De definities van het gebed weerspiegelen doorgaans deze nuances die we zojuist bij de terminologie hebben aangestipt. Zo beschouwt St. Johannes Damascenus het gebed als “de verheffing van de ziel tot God of het verzoek aan God om wat we nodig hebben” (De fide orthodoxa, III, 24: PG 94, 1098D), terwijl het voor St. Johannes Climakus veeleer gaat om een “vertrouwelijk gesprek en vereniging van de mens met God” (Scala paradisi, trede 28: PG 88, 1129). De Heilige Teresa van het Kind Jezus definieert het gebed op haar beurt als “een impuls van het hart, een eenvoudige blik naar de hemel, een kreet van erkenning en liefde, zowel in de beproeving als in de vreugde” (Autobiografisch manuscript C, 25r).
De inhoud van het gebed kan, zoals elke liefdesdialoog, veelzijdig en gevarieerd zijn. Toch zijn er enkele bijzonder belangrijke aspecten die het vermelden waard zijn:
1) Het smeekgebed
In de hele Heilige Schrift wordt vaak verwezen naar het smeekgebed, ook door Jezus zelf. Hij maakt er niet alleen zelf gebruik van, maar nodigt ook uit tot gebed, waarbij Hij de waarde en het belang benadrukt van een eenvoudig en vertrouwvol gebed. De christelijke traditie heeft die uitnodiging herhaald en op vele manieren in praktijk gebracht: door te bidden om vergeving, voor het eigen heil en dat van anderen, voor de Kerk en het apostolaat, voor de meest uiteenlopende noden, enz.
Het smeekgebed maakt inderdaad deel uit van de universele religieuze ervaring. Het besef — hoe vaag soms ook — van de werkelijkheid van God (of meer algemeen van een hoger wezen) wekt spontaan de neiging op zich tot Hem te richten en Zijn bescherming en hulp af te smeken. Bidden beperkt zich zeker niet tot het smeken, maar het verzoek vormt wel een wezenlijke uitdrukking van het gebed, omdat het de geschapen toestand van de mens en zijn volledige afhankelijkheid van God erkent en tot uitdrukking brengt — een God wiens liefde ons door het geloof ten volle wordt geopenbaard (vgl. Catechismus, 2629-2635).
2) Dankzegging
De erkenning van de ontvangen gaven en, door deze gaven heen, van Gods grootheid en barmhartigheid, spoort ons aan onze geest tot Hem te verheffen, Zijn weldaden te verkondigen en Hem daarvoor te danken. De houding van dankbaarheid doordringt van begin tot eind de Heilige Schrift en de geschiedenis van de spiritualiteit. Beide tonen aan dat, wanneer deze houding diep wortel schiet in de ziel, zij een innerlijk proces op gang brengt waardoor alles wat gebeurt als een gave van God wordt erkend: niet alleen wat volgens onze directe ervaring goed en vreugdevol is, maar ook wat negatief of tegenspoedig kan lijken.
In het besef dat alles onder Gods liefdevolle leiding staat, weet de gelovige dat alles meewerkt ten goede voor hen — voor ieder mens — die het voorwerp van de goddelijke liefde zijn (Vgl. Rm 8,28). «Maak er een gewoonte van, gedurende de dag je hart dikwijls in dankbaarheid tot God te verheffen. - Omdat Hij je dit of dat geeft. - Omdat men je geminacht heeft. - Omdat je niet hebt wat je nodig hebt, of omdat je het wel hebt. - Omdat Hij zijn Moeder, die ook jouw Moeder is, zo mooi maakte. - Omdat Hij de zon geschapen heeft en de maan en dat dier en die plant daar. - Omdat Hij die mens zo welsprekend heeft gemaakt en jou stroef van taal… Dank Hem voor alles, want alles is goed.» (De Weg, 268).
3) Aanbidding en lofprijzing
Een wezenlijk onderdeel van het gebed is het erkennen en verkondigen van Gods grootheid, de volheid van Zijn wezen, de oneindigheid van Zijn goedheid en Zijn liefde. Lofprijzing kan voortkomen uit de beschouwing van de schoonheid en grootsheid van het universum, zoals in talrijke bijbelteksten (zie bijvoorbeeld Ps. 19; Jes. 42,15-25; Dan. 3,32-90) en in vele gebeden uit de christelijke traditie. Zij kan ook ontstaan uit het overwegen van de grote en wonderbare werken die God in de heilsgeschiedenis heeft verricht, zoals in het Magnificat (Lc. 1,46-55) of in de grote hymnen van Paulus (zie bijvoorbeeld Ef. 1,3-14). Of in kleine en zelfs onbeduidende gebeurtenissen waarin de liefde van God zich openbaart.
Wat de lofprijzing in het bijzonder kenmerkt, is dat de blik daarbij rechtstreeks op God zelf wordt gericht, op wie Hij is in zijn grenzeloze en oneindige volmaaktheid. «De lofprijzing is de gebedsvorm die het meest rechtstreeks erkent dat God God is. De lofprijzing bezingt Hem omwille van Hemzelf en verheerlijkt Hem, niet alleen om wat Hij doet, maar meer nog omdat HIJ IS» (Catechismus, 2639). Daarom is lofprijzing nauw verbonden met aanbidding: met de erkenning — niet alleen verstandelijk, maar ook existentieel — van de nietigheid van al het geschapene in vergelijking met de Schepper, en dus ook met nederigheid, met het aanvaarden van onze persoonlijke onwaardigheid tegenover Hem die ons tot in het oneindige overstijgt. Zij gaat gepaard met de verwondering dat deze God, voor wie de engelen en heel het universum zich neerbuigen, zich niet alleen heeft verwaardigd zijn blik op de mens te richten, maar zelfs in de mens wil wonen en, meer nog, mens is geworden.
Aanbidding, lofprijzing, smeekbede en dankzegging vatten de fundamentele houdingen samen die aan iedere dialoog tussen de mens en God ten grondslag liggen. Wat de concrete inhoud van het gebed ook moge zijn, wie bidt, doet dat altijd — expliciet of impliciet — door God te aanbidden, te loven, te smeken, aan te roepen of te danken: die God die hij vereert, liefheeft en vertrouwt. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat de concrete inhoud van het gebed zeer uiteenlopend kan zijn. Soms bidt men om passages uit de Heilige Schrift te overwegen, om dieper door te dringen in een geloofswaarheid, om het leven van Christus te herbeleven of om de nabijheid van de heilige Maagd Maria te ervaren. Op andere momenten vertrekt het gebed vanuit het eigen leven: om God deelgenoot te maken van vreugden en zorgen, verwachtingen en moeilijkheden; om steun of troost te vinden; om in Gods tegenwoordigheid het eigen handelen te onderzoeken en tot goede voornemens en beslissingen te komen; of eenvoudigweg om met Hem die ons liefheeft de gebeurtenissen van de dag te bespreken.
Het gebed is een ontmoeting tussen de gelovige en God, op wie hij steunt en door wie hij zich geliefd weet; het kan gaan over alle gebeurtenissen van het leven en over alle gevoelens van het hart. «Je hebt me geschreven: “Bidden is spreken met God. Maar waarover?” - Waarover? Over Hem, over jezelf: je vreugden, je verdriet, je successen en mislukkingen, je edele ambities, je dagelijkse zorgen…, je zwakheden! Je dankbaarheid en je wensen, je Liefde en je eerherstel. Kortom: Hem kennen en jezelf kennen: met Hem omgaan!» (De Weg, 91). Welke weg men ook kiest, het gebed zal altijd een intieme en kinderlijke ontmoeting zijn tussen de mens en God. Het verdiept het besef van Gods nabijheid en helpt de mens om elke dag van zijn leven naar Hem toe te leven.
Uitingen of vormen van gebed
Wat betreft de manieren waarop het gebed zich uitdrukt, maken auteurs vaak verschillende onderscheidingen: mondgebed en mentaal of innerlijk gebed; openbaar gebed en persoonlijk gebed; overwegend verstandelijk of beschouwend gebed en affectief gebed; vastgestelde gebeden en spontaan gebed, enzovoort. Soms proberen auteurs ook een zekere gradatie in de intensiteit van het gebedsleven aan te duiden door onderscheid te maken tussen innerlijk gebed, affectief gebed, het gebed van stilte, contemplatie en het eenheidsgebed...
De Catechismus van de Katholieke Kerk bouwt zijn uiteenzetting op door een onderscheid te maken tussen: het mondgebed, de overweging (meditatie) en het beschouwende (contemplatieve) gebed. «Eén wezenlijke eigenschap hebben zij gemeenschappelijk: de inkeer van het hart. Deze waakzaamheid om het woord van God te bewaren en om in de tegenwoordigheid van God te blijven, maakt deze drie uitdrukkingswijzen tot sterke tijden van het gebedsleven.» (Catechismus, 2699). Uit een analyse van de tekst blijkt overigens dat de Catechismus van de Katholieke Kerk met deze terminologie niet verwijst naar drie niveaus van het gebedsleven, maar veeleer naar twee wegen, namelijk het mondgebed en de meditatie, die beide worden voorgesteld als geschikt om te leiden naar dat hoogtepunt in het gebedsleven dat de contemplatie is. In onze uiteenzetting zullen we ons aan dit schema houden.
1) Het mondgebed
De uitdrukking ‘mondgebed’ verwijst naar een gebed dat met woorden wordt uitgedrukt, hetzij stil gezegd, hetzij hardop uitgesproken. Deze omschrijving is op zichzelf juist, maar raakt niet de kern van de zaak. Enerzijds verwijst elke innerlijke dialoog, ook wanneer die uitsluitend of voornamelijk mentaal lijkt te zijn, naar taal; soms zelfs naar woorden die in de beslotenheid van de eigen kamer hardop worden uitgesproken. Anderzijds is het mondgebed niet louter een kwestie van woorden, maar ook en vooral van verstand en hart. Daarom is het juister te zeggen dat mondgebed een gebed is dat zich bedient van vaststaande formules, zowel langere gebeden als korte aanroepingen of schietgebeden, ontleend aan de Heilige Schrift (het Onze Vader, het Weesgegroet…) of aan de geestelijke traditie van de Kerk (het Veni Sancte Spiritus, het Salve Regina, het Gedenkgebed…).
Dit alles geldt uiteraard onder de voorwaarde dat de uitgesproken woorden of formules werkelijk gebed zijn. Dat veronderstelt dat degene die ze bidt niet alleen met de mond spreekt, maar ook met het verstand en het hart. Om deze reden stelt de heilige Jozefmaria: «Langzaam. - Bedenk wát je zegt, wíe het zegt, en tégen wie. - Want dat haastige praten, zonder tijd te nemen voor overweging, is niets dan lawaai, gerammel van lege blikjes. En met de heilige Teresia zeg ik je, dat ik dát geen bidden noem, hoe ijverig je je lippen ook beweegt.» (De Weg, 85).
Het mondgebed speelt een belangrijke rol in de pedagogie van het gebed, vooral bij het begin van de relatie met God. Door het leren van het kruisteken en van mondgebeden wordt het kind, en vaak ook de volwassene, ingewijd in de concrete beleving van het geloof en daarmee in het gebedsleven. De rol en het belang van het mondgebed beperken zich echter niet tot het begin van de dialoog met God. Het is bestemd om het geestelijk leven gedurende heel zijn ontwikkeling te begeleiden.
2) de overweging (meditatie)
Mediteren betekent de geest richten op een werkelijkheid of een gedachte, met het verlangen deze dieper en vollediger te leren kennen en te begrijpen. Voor een christen houdt meditatie – vaak ook “mentaal gebed” genoemd – in dat men zijn aandacht richt op God, zoals Hij zich in de geschiedenis van Israël en ten volle en definitief in Jezus Christus heeft geopenbaard. Vanuit deze beschouwing van God leert men vervolgens ook het eigen leven zien, beoordelen en in overeenstemming brengen met het mysterie van leven, gemeenschap en liefde dat Hij heeft geopenbaard.
Meditatie kan spontaan ontstaan tijdens de momenten van stilte die de liturgische vieringen begeleiden of erop volgen, of naar aanleiding van de lezing van een bijbeltekst of een geschrift van een geestelijke auteur. Zij kan ook plaatsvinden op tijden die men er uitdrukkelijk voor reserveert. In ieder geval is duidelijk dat meditatie – vooral in het begin, maar niet uitsluitend dan – inspanning vraagt: het verlangen om God en zijn wil beter te leren kennen, en een daadwerkelijke persoonlijke inzet om het christelijk leven te verdiepen. In die zin kan men zeggen: ‘Meditatie is vooral een zoektocht’ (Catechismus, 2705). Hieraan moet echter worden toegevoegd dat het niet gaat om het zoeken naar iets, maar naar Iemand. Het doel van de christelijke meditatie is niet alleen, noch in de eerste plaats, inzicht te verwerven in Gods handelen en Zijn openbaring. Haar doel is God zelf te ontmoeten en, door deze ontmoeting, steeds meer met Zijn wil overeen te stemmen en zich met Hem te verenigen.
3) Het beschouwend (contemplatief) gebed
De ontwikkeling van de christelijke ervaring, en daarmee ook van het gebed, leidt tot een steeds voortdurender, persoonlijker en inniger contact tussen de gelovige en God. In dat perspectief staat het gebed dat de Catechismus beschouwend gebed of contemplatief gebed noemt. Het is de vrucht van een groei in het geloofsleven, waaruit een levendig besef van Gods liefdevolle nabijheid voortvloeit. Daardoor wordt de omgang met Hem steeds directer, vertrouwder en intiemer, totdat men, voorbij woorden en beschouwende gedachten, daadwerkelijk in een innige gemeenschap met Hem gaat leven.
«Wat is het beschouwende gebed?», vraagt de Catechismus van de Katholieke Kerk aan het begin van het hoofdstuk over het contemplatieve gebed. Vervolgens antwoordt zij hierop met de woorden van de heilige Teresa van Ávila: «Het innerlijk gebed is alleen maar een vertrouwelijke omgang in vriendschap, waarin men zich vaak onder vier ogen onderhoudt met die God door wie men zich bemind weet» (Libro de la vida, 8, 5). De uitdrukking contemplatief gebed, zoals die wordt gebruikt in de Catechismus van de Katholieke Kerk en in talrijke eerdere en latere geschriften, verwijst dus naar wat men het hoogtepunt van de contemplatie zou kunnen noemen: het ogenblik waarop de geest, door de werking van de genade, wordt opgetild tot aan de grens van het goddelijke en daarbij al het andere overstijgt. Maar de term verwijst ook, in ruimere zin, naar een steeds levendiger bewustzijn van Gods aanwezigheid en een groeiend verlangen naar een diepe gemeenschap met Hem. Dat geldt zowel voor de momenten die uitdrukkelijk aan het gebed zijn gewijd als voor het geheel van het christelijk bestaan. Het gebed is immers geroepen de gehele menselijke persoon – verstand, wil en gevoelens – te omvatten, het diepste van het hart te bereiken en de gezindheid ervan te vormen. Zo doordringt het heel het leven van de christen en maakt het hem steeds meer gelijkvormig aan Christus (vgl. Gal. 2,20).
Met de uitdrukking ‘contemplatieven te midden van de wereld’ vatte de heilige Jozefmaria een van de wezenlijke kenmerken van de geest van de Opus Dei samen. Hij benadrukte dat de gewone christen, geroepen om zich te heiligen midden in de wereld, tot de volheid van de contemplatie kan komen zonder zich aan zijn seculiere levensomstandigheden te onttrekken. Volgens de heilige Jozefmaria is de christen juist in en door zijn gewone leven geroepen contemplatief te zijn. Contemplatie blijft niet beperkt tot bepaalde momenten van de dag – zoals de tijden die uitdrukkelijk aan persoonlijk of liturgisch gebed, de deelname aan de heilige Mis, enz. zijn gewijd – maar kan het hele bestaan doordringen, totdat het leven zelf een voortdurend gebed wordt, waar de ziel «voelt en weet, dat God haar met verliefde blik beziet, elk uur van de dag.» (Vrienden van God, 307). Daarom zegt hij: «Ik zou willen dat we (...) eens en voor al overtuigd raken van de noodzaak ons erop te richten contemplatief te zijn in de wereld, gewoon op straat, bij het werk. We moeten een gesprek met God gaande houden, dat in de loop van de dag niet mag verflauwen. Als we loyaal in de voetstappen van de Meester willen treden, is dat de enige weg.» (Vrienden van God, 238).
Voorwaarden en kenmerken van het gebed
Het gebed vereist, zoals elke volledig persoonlijke daad, aandacht en intentie, een levend bewustzijn van Gods aanwezigheid en een daadwerkelijke en oprechte dialoog met Hem. Een voorwaarde hiervoor is de ingetogenheid. Met ingetogenheid wordt de inspanning bedoeld waarmee de wil, gebruikmakend van haar vermogen om de verschillende krachten van de menselijke natuur te ordenen, de neiging tot verstrooidheid tracht te beheersen en zo innerlijke rust en sereniteit bevordert. Deze houding is essentieel tijdens de momenten die uitdrukkelijk aan het gebed zijn gewijd, wanneer men andere bezigheden opzijzet en afleidingen probeert te vermijden. Zij mag echter niet beperkt blijven tot die ogenblikken alleen. Ingetogenheid behoort uit te groeien tot een blijvende innerlijke houding, gekenmerkt door een geloof en een liefde die het hart vervullen en ertoe leiden alle handelingen in relatie tot God te beleven, hetzij uitdrukkelijk, hetzij impliciet.
Een andere voorwaarde voor het gebed is vertrouwen. Zonder vertrouwen in God en in zijn liefde is er geen werkelijk gebed, althans geen oprecht gebed dat bestand is tegen beproevingen en moeilijkheden. Het gaat daarbij niet alleen om het vertrouwen dat een bepaald verzoek zal worden verhoord, maar vooral om de zekerheid die voortkomt uit het besef dat er Iemand is die ons liefheeft en ons begrijpt en aan wie we ons hart daarom zonder voorbehoud kunnen openen (Vgl. Catechismus, 2734-2741).
Soms is het gebed een dialoog die spontaan uit het diepst van de ziel voortvloeit, soms zelfs vergezeld van vreugde en geestelijke troost. Op andere momenten – wellicht zelfs vaker – vraagt het om vastberadenheid en volhardende inzet. Dan kan ontmoediging opkomen en de gedachte ontstaan dat de tijd die aan de omgang met God wordt besteed, zinloos is (vgl. Catechismus, 2728). Juist dan blijkt het belang van een andere wezenlijke eigenschap van het gebed: volharding. Het doel van het gebed is immers niet het verkrijgen van voordelen, noch het zoeken naar bevrediging, genot of troost, maar de gemeenschap met God. Daarom is volharding in het gebed noodzakelijk en waardevol. Met of zonder inspiratie, met of zonder vreugde, blijft het gebed een levende ontmoeting met God (vgl. Catechismus, 2742-2745; 2746-2751).
Een specifiek en fundamenteel kenmerk van het christelijk gebed is zijn trinitaire karakter. Het is de vrucht van de werking van de Heilige Geest, die door geloof, hoop en liefde in de ziel te verwekken en te versterken de mens doet groeien in aanwezigheid van God. Zo leert hij zich tegelijk thuis te voelen op aarde, waar hij leeft en werkt, en in de hemel, die door de genade reeds in zijn hart aanwezig is. De christen die uit het geloof leeft, weet zich uitgenodigd tot omgang met de engelen en de heiligen, met de heilige Maagd Maria en vooral met Christus, de mensgeworden Zoon van God, in wiens heilige mensheid de goddelijkheid van zijn persoon zichtbaar wordt. Langs deze weg leert hij ook steeds dieper God de Vader kennen en zijn oneindige liefde erkennen, om vervolgens binnen te treden in een steeds vertrouwelijkere omgang met Hem.
Het christelijk gebed is daarom bij uitstek een kinderlijk gebed. Het is het gebed van een kind dat zich in vreugde en verdriet, tijdens het werk en in de rust, met eenvoud en oprechtheid tot zijn Vader wendt. Het legt de zorgen en gevoelens van zijn hart in Gods handen, in de zekerheid dat het bij Hem begrip en geborgenheid vindt. Sterker nog: een liefde die aan alles betekenis geeft.
De noodzaak van het christelijk gebed
In het licht van hetgeen we hebben gezien, is het duidelijk dat het gebed geen optie is voor het geestelijk leven, maar „het is een levensnoodzakelijkheid”, zoals de Catechismus van de Katholieke Kerk (nr. 2744) stelt: «Het is een levensnoodzakelijkheid om te bidden: als wij ons niet laten leiden door de Geest, komen wij weer te vallen onder de slavernij van de zonde (Vgl. Ga 5,16-25). Hoe kan de Heilige Geest "ons leven" zijn, als ons hart ver verwijderd is van Hem? Niets weegt op tegen het gebed; want wat onmogelijk is, maakt het mogelijk, wat moeilijk is, gemakkelijk. De man die met gepaste bereidwilligheid bidt, kan met geen mogelijkheid zondigen. (Heilige Johannes Chrisostomos, Sermones de Ana, 4, 5: PG 54, 666). Wie bidt, zal zeker gered worden; wie niet bidt, zal zeker verloren gaan. (Heilige Alfonso María de Ligorio, Del gran mezzo della preghiera)».
Om deze reden gebruikt de Catechismus van de Katholieke Kerk de uitdrukking ‘De universele oproep tot gebed’ als ondertitel van het eerste hoofdstuk van het vierde deel van de Catechismus, dat aan het gebed is gewijd: De Openbaring van het gebed. De universele oproep tot gebed. Hoewel deze formulering minder bekend is, houdt zij nauw verband met een andere, meer vertrouwde uitdrukking: ‘De algemene roeping tot heiligheid in de Kerk’, de titel van hoofdstuk V van de dogmatische constitutie Lumen gentium van het Tweede Vaticaans Concilie. Het lijkt er dan ook op dat de Catechismus van de Katholieke Kerk, door te verwijzen naar de leer van het laatste oecumenische concilie, op deze manier de noodzaak van het gebed voor het bereiken van de christelijke heiligheid heeft willen benadrukken.
Juist daarom hebben de heiligen steeds benadrukt dat gebed noodzakelijk is om een geestelijk leven te leiden en daarin vooruitgang te boeken. Zo schreef de heilige Teresa van Ávila: “Onlangs vertelde een groot geleerde mij dat zielen die niet bidden, te vergelijken zijn met een verlamd of kreupel lichaam, dat weliswaar handen en voeten heeft, maar daar geen controle over heeft.”[1] De heilige Franciscus van Sales zei op zijn beurt in een preek: “Alleen de dieren bidden niet, en daarom lijken degenen die niet bidden op hen.”[2] En de heilige Jozefmaria zegt op zijn beurt: «Heilig worden zonder gebed?… – Ik geloof niet in dat soort heiligheid.» (De Weg, 107).
Basisbibliografie
— Catechismus van de Katholieke Kerk, 2558-2758.
Aanbevolen lectuur
— Congregatie voor de Geloofsleer, De christelijke meditatie. Brief «Orationis Formas». Introductie en commentaren, 15-X-1989.
— Catechese van paus Benedictus XVI over het gebed. Dit zijn de teksten van de catechese die paus Benedictus XVI tijdens de algemene audiënties op woensdag heeft gehouden, van mei 2011 tot oktober 2012.
— Catechese van paus Franciscus over het Onze Vader. Dit zijn de teksten van de catechese die paus Franciscus tijdens de algemene audiënties op woensdag heeft gegeven, van december 2018 tot mei 2019.
— Catechese van paus Franciscus over het gebed. Dit zijn de teksten van de catechese die paus Franciscus heeft gegeven tijdens de algemene audiënties op woensdag, van mei 2020 tot juni 2021.
— Heilige Jozefmaria, homilies Christus die door zijn nederigheid overwint; de Eucharistie, mysterie van geloof en liefde; De Hemelvaart van de Heer; De Grote Onbekende en Door Maria naar Jezus, in Christus komt langs, 12-21, 83-94, 117-126, 127-138 y 139-149; Homilies De Omgang met God; Gebedsleven en Op weg naar heiligheid in Vrienden van God, 142-153, 238-257, 294-316.
[1] S. Teresa de Jesús, Moradas del castillo interior. Primeras moradas, 1, 6, en Obras completas, «B. A. C., 212», Madrid 19868, p. 474.
[2] S. Francisco de Sales, Œuvres de Saint François de Sales, Evêque et Prince de Genève et Docteur de l’Eglise. Edition complète, Annecy 1892-1964, vol. 9, p. 62. De vertaling is van ons.
