“Dat wij onze ziel weten te openen”

Tota pulchra es Maria, et macula originalis non est in te! -Geheel schoon zijt gij, Maria, niet door de erfzonde bevlekt! - zingt de liturgie uitbundig. In haar is niet de minste zweem van dubbelheid: ik bid onze Moeder dan ook dagelijks dat wij ons hart zullen kunnen openleggen tegenover onze geestelijk leidsman, opdat het licht van de genade op al ons handelen zal schijnen!

- Als wij haar erom bidden, zal Maria voor ons de moed tot oprechtheid verkrijgen, zodat wij dichter bij de Heilige Drieëenheid kunnen komen.
(De Voor, 339)

Heer, laat mij niet alleen. Ziet U niet in wat voor een diepe afgrond dit arme kind van U anders terecht zal komen?
Moeder Maria, ik ben ook een kind van U!
De Smidse, 314

Ga vaak heel even naar de kapel om Jezus te zeggen: ik ben helemaal van U...
Leg alles wat je hebt aan zijn voeten. Al je ellende!
Op die manier zul je, ondanks alles wat je met je meesleept, nooit de vrede verliezen.
De Smidse, 306

Nunc coepi! - nu begin ik! Dat is de uitroep van de verliefde ziel die ieder ogenblik, of zij nu trouw is geweest of in edelmoedigheid tekort is geschoten, haar verlangen hernieuwt om God met een totale overgave te dienen - lief te hebben!
De Voor, 161