“Je kunt je kind van God noemen”

Wees Jezus heel dankbaar, want door Hem en met Hem en in Hem, kun je je kind van God noemen. (De Smidse, 265)

Als wij ons uitverkoren kinderen van onze Vader in de hemel voelen, wat wij inderdaad zijn, waarom zouden wij dan niet altijd blij zijn? Denk daar eens over na.
(De Smidse, 266)

Wat aantrekkelijk is onze roeping als christenen, als kinderen van God! Ze brengt ons hier op aarde de blijdschap en de vrede die de wereld ons niet kan geven.
(De Smidse, 269)

Ut in gratiarum semper actione maneamus! Mogen wij altijd in dankzegging volharden! Dank, mijn God, dank voor alles: voor hetgeen mij tegenvalt, voor hetgeen ik niet begrijp, voor datgene wat mij doet lijden.
De hamerslagen zijn noodzakelijk om de overtollige resten marmer weg te slaan. Zo houwt God in de zielen het beeld van zijn Zoon uit. Dank Heer voor deze attenties!
(De Kruisweg, Statie VI, nr. 4)

Wanneer wij christenen ons mismoedig voelen, dan komt dat, omdat wij aan dit leven niet zijn hele goddelijke betekenis geven. Daar waar de hand de prikken van de doorn voelt, ontdekken de ogen een bos stralende geurende rozen.
(De Kruisweg, Statie VI, nr. 5)