“Ik heb vertrouwen in U, ik weet dat U mijn Vader bent”

Jezus bidt in de Olijfhof: Pater mi (Mt. 26, 39), Abba, Pater! (Mc. 14, 36). God is mijn Vader, ook al zendt Hij mij lijden. Hij bemint mij met tederheid, ook al brengt Hij mij wonden toe. Jezus lijdt om de Wil van de Vader te vervullen...

En ik, die ook de allerheiligste Wil van God wil vervullen in het voetspoor van de Meester, zou ik mij willen beklagen als ik het lijden als reisgezel tegenkom?

Het lijden zal voor mij een zeker teken zijn van mijn goddelijk kindschap, omdat Hij mij als zijn goddelijke Zoon behandelt. En dan zal ik, zoals Hij, in mijn eenzaamheid, in mijn Getsemani, kunnen zuchten en huilen. Maar als ik dan, in de erkenning van mijn niets, op de grond lig uitgestrekt, zal tot de Heer slechts één kreet opstijgen uit het diepste van mijn ziel: Pater mi. Abba, Pater... fiat! (De Kruisweg, eerste statie, nr. 1)

Om redenen die hier niet ter zake zijn — maar welke Jezus die ons leidt vanuit het Tabernakel, heel goed kent — heeft mijn leven me ertoe gebracht op bijzondere wijze te weten dat ik kind van God ben. En ik heb de vreugde gesmaakt me aan het hart van mijn Vader te vlijen, ter betering, om me van smetten te bevrijden, om Hem te dienen, om allen te begrijpen en te verontschuldigen, op grond van zijn liefde en mijn vernedering.

Daarom wil ik nu met nadruk wijzen op de noodzaak dat u en ik ons vermannen, dat we ontwaken uit die slaap van de zwakte die ons zo gemakkelijk doet insluimeren. En dan zullen we op een dieper en tegelijk directer manier besef krijgen van wat het betekent kind van God te zijn.

Het voorbeeld van Jezus, heel het leven van Christus in Palestina helpt ons dieper in die waarheid door te dringen. Als wij het getuigenis van mensen aannemen, lezen we in het Epistel, Gods getuigenis is meer waard (1 Joh 5, 9). En waarin bestaat het getuigenis van God? Opnieuw is Sint Jan aan het woord: Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft. Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook¼ Veelgeliefden, nu reeds zijn we kinderen van God (1 Joh 3, 1­2).

In de loop der jaren heb ik getracht mij zonder onderbreking op deze blijde realiteit te verlaten. Mijn gebed is —in alle omstandigheden— altijd hetzelfde geweest, in verschillende toonaarden. Ik heb gezegd: Heer, U hebt mij hier neergezet; U hebt mij dit of dat toevertrouwd en ik heb vertrouwen in U. Ik weet dat U mijn Vader bent en ik heb steeds gezien, dat kleine kinderen altijd een onvoorwaardelijk vertrouwen in hun ouders hebben. Mijn ervaring als priester heeft me bevestigd, dat deze overgave in Gods hand de zielen aanzet zich een sterke, grote en serene vroomheid te verwerven die hen ertoe brengt altijd te werken met een zuivere bedoeling.

Vrienden van God, 143