“Jij... trots? - Waarop?”

Jij... trots? - Waarop? (De Weg, 600)

Als hoogmoed zich van een ziel meester maakt, moet niemand verbaasd staan te kijken als hij alle andere ondeugden als een sleep paarden met zich meevoert: gierigheid, onmatigheid, afgunst, onrechtvaardigheid. De hoogmoedige doet een nutteloze poging God, die barmhartig is tegenover alle mensen, van zijn troon te stoten. En dan zou hij die vol wrede streken zit er zelf op plaats nemen.

We moeten de Heer vragen ons niet te laten bezwijken voor die verleiding. Hoogmoed is de ergste en belachelijkste van alle zonden. Als hij met zijn veelvoudige hallucinaties iemand in zijn gloeiende klauwen krijgt, ziet het slachtoffer van de aanval schijnwerelden, vult hij zich met leegte. Hij gedraagt zich als de kikker uit de fabel die zich potsierlijk zo opblaast, dat hij er van barst. Hoogmoed is onaangenaam, ook vanuit menselijk standpunt gezien. Wie zich boven alles en iedereen verheven voelt, is voortdurend bezig met zichzelf en minacht de anderen die zich op hun beurt weer vrolijk maken om zijn ijdele dwaasheid.

Vrienden van God, 100