🎥 Via deze link kun je een kijkje nemen in Het Heilig Huis, dat elke dag van 9.00 tot 18.00 uur (Italiaanse tijd) open is.
Verslag van de bezoeken van de stichter van het Opus Dei aan Loreto
Op 3 januari in de namiddag kwamen de heilige Jozefmaria, don Alvaro del Portillo, Salvador Moret Bondia en Ignacio Sallent Casas aan in Loreto. Ze baden in het Huis van Nazaret, binnen het heiligdom. Toen ze de kerk verlieten, vroeg de heilige Jozefmaria aan don Alvaro:
— «Wat heb je aan Onze-Lieve-Vrouw gezegd?»
— «Wilt u dat ik het u vertel?» En na een bevestigend gebaar van de Vader, antwoordde hij:
— «Wel, ik heb weer hetzelfde gezegd als altijd, maar alsof het de eerste keer was. Ik heb haar gezegd: ik vraag je wat de Vader vraagt».
«Ik vind het heel goed wat je hebt gezegd,» zei de heilige Jozefmaria later tegen hem. «Herhaal dat vaak.».
Jozefmaria Escriváade Balaguer bezocht Loreto voor het eerst op 3 en 4 januari 1948. Maar de reden waarom de stichter van het Opus Dei zich bijzonder veel verschuldigd voelde aan Onze-Lieve-Vrouw van Loreto, houdt verband met een zeer ernstige noodsituatie. De jaren ’50 waren voor de heilige Jozefmaria een periode van veel leed, als gevolg van onbegrip en conflicten. Te midden van deze moeilijkheden besloot hij naar Loreto te gaan om zich onder de bescherming van Onze-Lieve-Vrouw te stellen.

Toewijding aan het Allerzoetste Hart van Maria: 15 augustus 1951
«Op 14 augustus 1951 besluit hij om met de auto naar Loreto te gaan –vertelt Ana Sastre[1]– om daar op de 15de aanwezig te zijn en het Opus Dei aan Onze-Lieve-Vrouw te wijden. De hitte is verstikkend en de dorst zal de hele reis voelbaar blijven. Er was geen snelweg. De weg slingert tussen valleien door, klimt steil omhoog door de Apennijnen en daalt in het laatste deel af tot aan de Adriatische Zee».
«Volgens een eeuwenoude traditie staat het Heilige Huis van Nazareth al sinds 1294 op de heuvel van Loreto, onder het transept van de later gebouwde basiliek. Het is rechthoekig, met muren van ongeveer vier en een halve meter hoog. Eén muur is van moderne makelij, maar de andere, zonder fundering en zwartgeblakerd door de rook van de kaarsen, zijn volgens de overlevering die van het Huis van Nazareth.
De structuur en de geologische samenstelling van de materialen vertonen geen enkele gelijkenis met de kenmerken van de oude architectuur in deze streek: ze komen volledig overeen met de bouwwerken die twintig eeuwen geleden in Palestina werden opgetrokken: blokken zandsteen, waarbij kalk als bindmiddel werd gebruikt.
Het heiligdom ligt op een met laurierbomen begroeide heuvel, vandaar de naam. Ze parkeren op het centrale plein en de Vader stapt snel uit de auto. Vijftien of twintig minuten lang raken ze hem uit het oog tussen de mensen die de basiliek vullen. Eindelijk komt hij weer tevoorschijn, nadat hij Maria heeft gegroet, glimlachend en opgewekt. Het is half acht en ze moeten terug naar Ancona om daar de nacht door te brengen.
De volgende ochtend, nog voor zonsopgang, gaan ze weer naar Loreto. Ondanks het vroege uur zit het heiligdom al vol. De Vader trekt zijn gewaden aan in de sacristie en loopt naar het altaar van het Huis van Nazareth om de Mis te vieren. De kleine ruimte zit propvol en de hitte is verstikkend.»
De heilige Mis en de toewijding van het Opus Dei
Onder de votieflampen wil hij de Heilige Mis met veel eerbied opdragen. Maar hij had niet gerekend op de vurigheid van de mensen op deze feestdag: «Telkens als ik het altaar kuste op de momenten die in de liturgie van de Mis zijn voorzien, deden drie of vier plattelandsvrouwen hetzelfde. Daardoor werd ik afgeleid, maar het heeft me ook getroffen.
Volgens de overlevering hebben Jezus, Maria en Jozef in dat heilige Huis gewoond. Ik las de woorden die op het altaar staan gegraveerd: Hic Verbum caro factum est, hier is het Woord vlees geworden. Hier, op een stukje van onze aarde, in een huis dat door mensenhanden is gemaakt, heeft God gewoond.» (Christus komt langs, 12).

Tijdens de Mis, zonder vaste formule maar met woorden vol geloof, wijdt de Vader het Opus Dei toe aan Onze-Lieve-Vrouw. En daarna herhaalt hij het nogmaals, terwijl hij zachtjes tegen degenen naast hem spreekt, namens het hele Opus Dei:
«Wij wijden U ons bestaan en ons leven toe; al het onze: wat wij beminnen en zijn. Voor U is ons lichaam, ons hart en onze ziel. Wijzelf en ons apostolaat zijn van U. Wij willen dat alles, in ons en rondom ons, U toebehoort en deelt in uw moederlijke zegen. En opdat deze toewijding waarlijk doeltreffend en duurzaam moge zijn, hernieuwen wij vandaag aan uw voeten, Vrouwe, onze overgave aan God in het Opus Dei. (…) Stort in ons een grote liefde voor de Kerk en de Paus, en maak dat wij ons geheel onderwerpen aan zijn onderricht» (RHF 20755, p. 450).
Een smeekbede tot Onze-Lieve-Vrouw
De Vader is zichtbaar vermoeid uit Rome vertrokken. Maar bij zijn terugkeer lijkt hij als herboren. Alsof alle hindernissen op Gods weg zojuist tot stof zijn verpulverd. Enkele weken geleden heeft hij zijn zonen en dochters een schietgebed voorgesteld dat gericht is tot de Moeder van Jezus, opdat zij dit voortdurend zouden herhalen: Cor Mariae dulcissimum, iter para tutum! (Allerzoetste Hart van Maria, bereid ons een veilige weg!)»

De wegen van het Opus Dei zullen altijd worden voorafgegaan door de glimlach en de liefde van de Maagd Maria. Opnieuw heeft de stichter zich laten leiden door het geloof. Hij zet de menselijke middelen in, maar vertrouwt op de beslissende tussenkomst van bovenaf. «God is altijd dezelfde. - Mensen van geloof zijn nodig: dan zullen opnieuw de wonderdaden gebeuren, waarover wij in de Heilige Schrift lezen. Ecce non est abbreviata manus Domini. De arm van God, Zijn macht, is niet verkort!(De Weg, 586)»
Hij bezocht het Heilige Huis nog zes keer: op 7 november 1953, 12 mei 1955, 8 mei 1960, 22 april 1969, 8 mei 1969 en voor het laatst op 22 april 1971. Op 9 december 1973, aan de vooravond van het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Loreto, zei hij: «Alle afbeeldingen, alle namen, alle titels die het christelijke volk aan Onze-Lieve-Vrouw toekent, vind ik prachtig. Maar in Loreto heb ik Onze-Lieve-Vrouw bijzonder veel te danken.»
[1] Ana Sastre, Tiempo de Caminar, Rialp, 1ª. Editie Madrid, 1989, pp. 413-415. (eigen vertaling)
