“Laten we van de geestelijke leiding houden!”

Je hebt in alle oprechtheid je ziel blootgelegd voor je geestelijk leidsman en sprak in Gods tegenwoordigheid, en het was fantastisch te constateren hoe je zelf de juiste antwoorden vond op je pogingen om uitvluchten te zoeken. Laten we van de geestelijke leiding houden! (De Voor, 152)

U kent al te goed de verplichtingen van uw weg als christen die u zonder uitstel en met kalmte naar de heiligheid voeren. U bent ook op bijna alle moeilijkheden voorbereid, omdat u ze al aan het begin van de weg ontwaart. In uw eigen belang dring ik er nu op aan dat u zich laat helpen, laat leiden, door een geestelijk leidsman, aan wie u al uw verlangens naar heiligheid en dagelijkse zorgen die uw innerlijk leven raken, de mislukkingen die u incasseert en al uw overwinningen toevertrouwt.

Weest altijd heel oprecht bij die geestelijke leiding: veroorlooft u zich niets zonder het te zeggen, legt uw ziel geheel bloot, zonder angst en zonder schaamte. Bedenkt, dat als u dit niet doet die vlakke, goed begaanbare weg lastiger wordt en wat in het begin niets voorstelde blijkt uiteindelijk een verstikkende strik te zijn.(...)

Kent u dat verhaal van die zigeuner die ging biechten? Dit is alleen maar een verhaal, een grappige anekdote, want men spreekt nooit over een biecht. Buiten beschouwing gelaten dat ik veel achting heb voor zigeuners. De arme kleine! Hij had een oprecht berouw. ‹Meneer pastoor, ik beken dat ik een stuk touw heb gestolen› —als dat nu alles is?— ‹en daar zat een muilezel aan vast, daaraan zat nog een stuk touw vast, en daaraan nog een muilezel›. Dat ging zo door tot aan de twintigste. Kinderen, met ons gedrag is het precies hetzelfde. Als we het met onszelf op een akkoordje gooien wat betreft het stuk touw, volgt de rest vanzelf; een hele rij van slechte neigingen, zwakheden die schande en schaamte veroorzaken, komt daarna. En hetzelfde gebeurt in onze betrekkingen met anderen: u begint met een kleine belediging en aan het eind draait u elkaar met ijskoude onverschilligheid de rug toe.
(Vrienden van God, 15)