“We moeten kinderen zijn die verlangen naar het woord van God”

Onze wil is, met de genade, almachtig voor God. - Als we, bij het zien van al die beledigingen die de Heer aangedaan worden, met vastbesloten wil tegen Jezus zeggen, bijvoorbeeld als we in de tram zitten: “Mijn God, ik zou zoveel akten van liefde en van eerherstel willen bidden, als de wielen van dit rijtuig omwentelingen maken”, dan hebben wij op ditzelfde ogenblik Jezus werkelijk bemind en Hem eerherstel gegeven, zoals onze wens was.

Deze “dwaasheid” past bij het geestelijk kind-zijn; het is de eeuwige dialoog tussen het onschuldige kind en de vader die gek is op zijn kind: Zeg eens hoeveel je van me houdt? - En het kleintje zegt, met de nadruk op elk woord: “héél, héél véél!” (De Weg, 897)

In het innerlijk leven is het dan ook beter voor iedereen te zijn quasi modo geniti infantes, zoals die kleintjes die wel van rubber lijken en zelfs plezier hebben in hun duikelingen, want ze zijn direct weer op de been om verder rond te rennen. Ze weten ook dat ze door hun ouders getroost zullen worden, als het nodig is.

Als we ervoor zorgen ons zo te gedragen als zij, zullen de struikelingen en mislukkingen —die trouwens onvermijdelijk zijn— van ons innerlijk leven ons niet verbitteren. We zullen verdriet hebben, maar niet ontmoedigd worden. En met een glimlach die, als helder water, opwelt vanuit de vreugde om ons kindzijn van die Liefde, die grootheid, die oneindige wijsheid, die barmhartigheid die onze Vader in de Hemel is. Tijdens mijn jaren in dienst van de Heer heb ik geleerd een klein kind van God te zijn. En dit vraag ik ook van u, dat u zult zijn quasi modo geniti infantes, kinderen die verlangen naar het woord van God, het brood van God, het voedsel van God, de sterkte van God om ons voortaan als christelijke mensen te gedragen.

Vrienden van God, 146