“Het is nodig dat je een mens van innerlijk leven bent”

Het is nodig, dat je een “mens van God “ bent, een mens van innerlijk leven, een mens van gebed en offer. - Jouw apostolaat moet zijn als het overvloeien van je leven “van binnen”. (De Weg, 961)

Innerlijk leven. Heiligheid in alledaagse taken, heiligheid in kleine dingen, heiligheid in de beroepsarbeid, in de inspanningen van elke dag¼; heiligheid om de anderen te heiligen. Op een dag droomde een bekende van mij —ik zal hem nooit goed genoeg kennen— dat hij in een vliegtuig op zeer grote hoogte vloog. Hij was niet in het vliegtuig, in de cockpit, maar hij zat op de vleugels. Arme ongeluksvogel, wat heeft hij geleden en wat was hij bang! Op een bepaalde manier heeft Onze Heer hem laten inzien, dat zielen zonder innerlijk leven, of zielen die dit verwaarlozen, op deze manier zich voortbewegen, weifelend en bang, voortdurend met het risico te pletter te vallen, in lijden en onzekerheid.

En ik denk werkelijk, dat er een groot gevaar tot dwalen dreigt voor degenen die zich in de actie storten —in het activisme!— en het gebed, de versterving en de andere middelen laten schieten die noodzakelijk zijn om een goed gefundeerde vroomheid te bereiken, dat wil zeggen de veelvuldige toevlucht tot de sacramenten, meditatie, gewetensonderzoek, geestelijke lezing, trouwe en veelvuldige omgang met de Heilige Maagd en de Engelbewaarders. Bovendien levert het allemaal, met een onvervangbare doeltreffendheid, onder meer een bijdrage om de dag van de christen zo aangenaam te maken, want uit de rijkdom van zijn innerlijk leven stromen de zoetheid en het geluk van God, zoals de honing stroomt uit de raat.

Ieder van ons moet proberen in zijn eigen binnenste, in zijn uiterlijk gedrag, in zijn omgang met anderen, in zijn werk, zonder onderbreking in aanwezigheid van God te zijn, door een gesprek —een tweegesprek— dat aan de buitenkant niet te merken is. Of nog beter, door een tweegesprek dat zich gewoonlijk zonder het geluid van woorden uit, maar dat niettemin merkbaar is door de vasthoudendheid en de liefdevolle ijver die wij aan de dag zullen leggen om al onze taken —de belangrijkste zowel als de onbeduidendste— goed te vervullen.

Vrienden van God, 18-19