“De God in wie wij geloven, is niet een ver verwijderd Wezen”

Beschouw het mooiste en grootste van deze aarde..., dat wat het verstand en de andere vermogens behaagt..., en dat wat ontspanning en vermaak is voor het lichaam en de zinnen...

En beschouw de wereld en de andere werelden, die 's nachts schitteren: het heelal. - En dát, samen met alle vervulde wensen van het hart..., is niets waard, is nog minder dan niets, vergeleken bij die God van mij, - van jou! Die oneindige schat, allerkostbaarste parel; Hij, vernederd, slaaf geworden, die zichzelf ontledigd heeft door het bestaan van een dienstknecht op zich te nemen in de stal, waar Hij geboren wilde worden. In de werkplaats van Jozef, in het lijden en in de smadelijke dood... en in de dwaasheid van zijn Liefde in de Heilige Eucharistie.
De Weg, 432

Wij willen deze verborgen God eerbiedig aanbidden (vgl. Adoro te devote, hymne van de H. Thomas van Aquino). Het is Jezus Christus die uit de Maagd Maria is geboren; die heeft geleden en op het kruis werd geofferd; uit wiens doorboorde zijde bloed en water vloeiden (vgl. hymne Ave verum).

Dit is het heilig gastmaal waarbij we Christus zelf ontvangen. De herinnering aan zijn lijden wordt hernieuwd, de ziel kan bij Hem verkeren in de intimiteit van haar God en heeft een onderpand van haar toekomstige glorie (vgl. hymne Sacrum convivium). Zo vat de Kerk in een paar strofen de hoogtepunten samen van deze geschiedenis van Gods vurige liefde voor ons.

De God van ons geloof is geen ver wezen dat onverschillig neerkijkt op het lot van de mensen, op hun verlangens, hun strijd, hun zorgen en angsten. Hij is een Vader die in zijn liefde voor zijn kinderen zo ver gaat dat hij het Woord, de tweede Persoon van de allerheiligste Drie-eenheid, naar ons stuurt om hier, mens geworden, voor ons te sterven en ons te verlossen. Het is dezelfde liefhebbende Vader die ons vandaag zachtjes naar Christus trekt door de werking van de heilige Geest die in ons hart woont.

Christus komt langs, 84