Van de centra een thuis maken (I)

Open, lichte en vreugdevolle huizen, dat is wat God wil. Dit is de eerste aflevering van overwegingen over samenleven binnen de centra van het Opus Dei.

‘Mijn dochter, ik zou voor jou toch een onderdak moeten zoeken, waar je gelukkig kunt zijn.’ (Ruth 3,1). Deze liefdevolle woorden richtte Naomi tot haar schoondochter Ruth en weerspiegelen het universele verlangen naar een thuis. Een plek waar we ons geliefd en begrepen voelen en ons weer op kunnen laden. ‘Elk christelijk thuis zou een oase van vrede moeten zijn waar, boven de kleine tegenslagen van het dagelijks leven uit, diepe en oprechte liefde heerst, een diepe vrede, als vrucht van een geloof dat in alle oprechtheid wordt beleefd’,[1] aldus de heilige Jozefmaria.

Het Hebreeuwse woord ‘bayit’, dat huis of constructie betekent, wordt in de Schrift ook wel gebruikt om ‘familie’ aan te duiden. Zo verwijzen bijvoorbeeld het ‘huis van Jakob’ (vgl. Jer 2,4) en het ‘huis van Isaak’ (vgl. Amos 7,16) naar de geslachten en families van deze aartsvaders. Ook in onze tijden heeft ‘huis’ in meerdere talen regelmatig de betekenis van behoren tot een familie. Als van iemand wordt gezegd dat hij of zij van bepaalde huize komt, betekent dat meer dan alleen een fysieke locatie. Het staat voor een stabiele kring van onvoorwaardelijke en goede relaties die de betreffende leden een plaats geven in het persoonlijke en sociale leven. Ze weten dat ze onderdak en onvoorwaardelijke liefde vinden in dat huis of die sociale kring, ze voelen zich geliefd simpelweg omdat ze er deel van uitmaken.

Het zal als een thuis zijn

Bij een familie horen vormt een deel van iemands identiteit. In het Opus Dei weten we dat we deel uitmaken van de grote familie[2] die de Kerk is. Wij allen in het Opus Dei, zo schreef de heilige Jozefmaria, vormen één familie ook al wonen we niet onder hetzelfde dak. Net als de eerste christenen zijn wij één van hart en één van ziel (verg. Handelingen 4,32), niemand van het Werk zou gevoelens van verbittering of onverschilligheid mogen koesteren.[3] We weten dat we tot Gods familie behoren, op weg naar onze uiteindelijke bestemming en thuis, waar al Gods zonen en dochters zullen worden samengebracht.

Hoewel we weinig weten over wat God heeft bereid voor hen die van Hem houden, hint Hij erop dat het zal zijn als een thuis. Tijdens het Laatste Avondmaal zei Jezus: ‘Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben’ (Joh 14,1-3). Laten we ons voorbereiden op een thuis dat ons in dit leven wordt beloofd, door elke dag in liefde en saamhorigheid te leven en zo te werken aan de bouwstenen voor dat toekomstige thuis. Het creëren van een thuis in dit leven is geen optioneel voorproefje van iets dat later zal komen, maar een noodzakelijke voorbereiding om ons hart uiteindelijk volledig te kunnen openen voor onze vereniging met God. Want er bestaat een reële mogelijkheid dat we ons afsluiten voor dit geschenk, dat we de bereidheid om lief te hebben in onszelf vernietigen.[4]

We leren thuis wat onvoorwaardelijke liefde is, en dit kan ons helpen om iets te begrijpen van de onmetelijkheid van Gods liefde. De heilige Jozefmaria benadrukte de onderlinge samenhang tussen menselijke liefde en goddelijke liefde. ‘Heb de Heer hartstochtelijk lief. Houd ontzettend veel van Hem! Ik durf te beweren dat voornemens overbodig zijn als er liefde is. Mijn ouders – denk maar aan je eigen ouders - hoefden zich niet voor te nemen om van mij te houden, en dat ze van me hielden merkte ik dagelijks, tot in de kleinste details! Wij kunnen en moeten God met dit mensenhart beminnen’.[5]

Een belangrijk deel van de evangelisatiemissie die aan het Opus Dei is toevertrouwd, bestaat daarom uit het creëren van een thuis. Voor don Álvaro was deze ‘familiesfeer’ zo essentieel dat al zijn ‘dochters’ en ‘zonen’ deze altijd en in alle omstandigheden zouden moeten uitdragen.[6] Het creëren van een familiesfeer, van een familie van de kinderen van God, brengt een nieuw soort logica in de wereld, een manier van liefhebben die harten voorbereidt op de dag waarop God ‘alles in allen’ zal zijn (cf. 1 Kor 15,28).

Onze huizen, aldus de Vader in een van zijn brieven, moeten licht en vrolijk zijn. Het moeten gastvrije huizen zijn, waar velen welkom zijn, ook mensen die misschien de warmte van een thuis missen.[7] De huizen van surnumerairs en geassocieerden, evenals de centra van het Opus Dei, zouden een hartelijk sfeer moeten uitstralen. Deze tekst, die is opgesplitst in twee delen, wil inzichten geven voor bezinning op de wijze van samenleven in de centra. Veel van wat hier wordt gezegd kan echter worden toegepast op het leven in ieder gezin.

In het nu en in alle vrijheid, omdat God het wil

Er zijn veel manieren om een thuis te creëren, maar deze hebben allemaal een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Eerst en vooral zijn een thuis en een gezin geen statische realiteit, maar meer een te bewandelen weg en een voortdurend proces waaraan gewerkt moet worden. Het eerdergenoemde Hebreeuwse woord ‘bayit’ is afgeleid van ‘banah’, wat ‘bouwen’ betekent. Een huis moet worden gebouwd, en aan een thuis moet worden gewerkt. Een thuis wordt niet alleen gevormd door de externe omstandigheden en beperkingen van de verschillende gezinsleden, maar ook door de zorg en aandacht die ze voor elkaar hebben. Met andere woorden, slechts een deel van wat een gezin voedt kan in een voorraadkast worden opgeslagen. Hoewel goede herinneringen, vooral uit onze kindertijd toen we nog thuis bij onze ouders woonden, ons positief kunnen vormen,[8] kunnen families niet leven van herinneringen alleen.

Als gezinnen zichzelf niet blijven ontwikkelen en niet elke dag willen groeien in de onderlinge relaties tussen de verschillende gezinsleden, kunnen ze een schijn van goede verstandhouding ophouden maar in feite een optelsom van geïsoleerde individuen worden. Dingen die in het verleden iets betekenden, worden dan alleen in stand gehouden door een vage eerbied voor de familie. De ervaring leert ons dat dit langzame proces van uit elkaar groeien vaak komt door een steeds sterker wordende individualistische houding in relaties, waardoor we de waarde van delen uit het oog verliezen. Een gezin kan zichzelf zo niet meer vernieuwen en vervalt in een herhaling van verplicht bij elkaar komen, waardoor het samenzijn niet meer wordt beleefd en de geest niet meer voedt. Het gezinsleven kan dan een officieel, voorspelbaar en uiteindelijk belastend karakter krijgen.

Aan een gezond en harmonieus gezin moet iedere dag worden gewerkt. Een goede harmonie betekent niet de afwezigheid van problemen. Net zoals we nooit volmaakt heilig zullen zijn in dit leven, zal geen enkel gezin in de wereld, behalve het heilig huisgezin in Nazareth, waarvan we een ‘klein deeltje’ zouden willen uitmaken, volmaakt harmonieus zijn totdat we in de hemel zijn. De voortdurende kwetsbaarheden waarmee gezinnen te maken krijgen, zijn een stimulans om er elke dag aan te werken om het gezinsleven levendig te houden. Deze inspanning kan worden gezien als ons antwoord op wat Jezus over zichzelf zei: ‘de Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten’ (Mt 8,20). Ieder gezin is geroepen om een plaats van rust te zijn, maar de gezinsleden moeten waakzaam blijven om het levendig te houden.

Dit dynamische karakter van het gezinsleven brengt ons tot een tweede kenmerk: de verschillende gezinsleden bouwen in vrijheid aan een goed gezinsleven. Een gezin wordt niet gedefinieerd als een groep individuen die samenleven op eenzelfde plek, maar als een familie waarvan de leden bezield door eenzelfde liefde in gemeenschap leven. Elk gezinslid is geroepen elke dag met zijn of haar unieke, persoonlijke en onvervangbare bijdrage te blijven ‘bouwen’ aan het gezin. Zo wordt een sfeer van naastenliefde gecreëerd waarin ieder de genegenheid van de ander versterkt en we samen die enorme liefde ervaren die de Heer ons heeft beloofd (vgl. Mt 19,29).[9] In een gezin is sprake van een gezamenlijke vrije wil, omdat er een gedeelde wil is om het gezinsleven levendig te houden, en van een gezamenlijke keuze, omdat er overeenstemming is over de voorwaarden van wat wordt opgebouwd. Vaak is het zelfs nodig om expliciet te maken waaraan gewerkt moet worden of waar geen aandacht meer aan besteed hoeft te worden.

Het derde en belangrijkste kenmerk is dat we een thuis creëren en een gezin stichten omdat God dat wil. In het Opus Dei ligt de basis van dit proces van een thuis creëren in een uitnodiging van God en onze vrije, persoonlijke beslissing om daarop in te gaan. Werken aan een thuis maakt deel uit van de missie die God ons heeft toevertrouwd. Werk is zeker een scharnier van onze heiliging, maar het heeft een diepere en meer omvattende betekenis. Het vormt het fundament van ons geestelijke leven en ons doordrongen raken van onze goddelijke verwantschap. Als kinderen van God maken we deel uit van een familie. We behoren tot Gods huis en Gods familie en als we ernaar streven om elkaar lief te hebben, te begrijpen, te vergeven en te dienen, zullen we ook concreet, in de gemeenschap van de heiligen, bijdragen aan de eenheid van alle gelovigen en van de hele mensheid.[10]

Het gezinsleven is daarom geen bijkomstigheid, maar een van de fundamentele plekken waar iedereen geroepen is om Christus te zijn voor zijn broeders en zusters. Hoe wij omgaan met de mensen die God heeft uitgekozen om ons huis mee te delen, kan licht werpen op ons antwoord op de roepstem van God. De heilige Jozefmaria waarschuwde ons in niet mis te verstane bewoordingen voor het risico van heiligheid zonder oprechte openheid naar anderen. Het kan ook ons overkomen dat, ondanks onze strijd op verschillende fronten, we toch soms moeten toegeven: ‘je bent geen goede zoon, geen goede broer, geen goede kameraad, geen goede vriend, geen goede collega. En omdat je op een verkeerde manier houdt van “jouw eigen soort van heiligheid” ben je afgunstig. Je “offert jezelf op” in vele kleine dingen die een persoonlijke betekenis voor je hebben, daarom zit je vast aan je ik, aan je eigen persoon, en leef je uiteindelijk niet voor God, noch voor anderen, alleen maar voor jezelf’.[11]

Deze woorden lijken op die aan de engel van de kerk in Efeze: ‘Ik ken uw daden, uw inspanning en uw standvastigheid. Ik weet dat gij slechte mensen niet kunt verdragen. Hen die zich apostelen noemen en het niet zijn, hebt gij op de proef gesteld en leugenaars bevonden. Ook hebt gij standvastigheid; gij hebt om Mijnentwil zware lasten gedragen, zonder te bezwijken. Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt opgegeven’ (Openb. 2,2-4). Ook de Vader heeft ons uitgenodigd om hierover na te denken. Als we soms merken dat het gezinsleven vermoeiend is, zouden we oprecht moeten zoeken naar de oorzaak van deze vermoeidheid om deze te verhelpen: overwegen of het alleen te wijten is aan een tekort aan materiële middelen, of aan natuurlijke inspanning die de zorg voor anderen met zich mee kan brengen; of dat het mogelijk ook te wijten is aan een verflauwen van genegenheid.[12]

Het gezinsleven is dan ook niet iets dat alleen beleefd moet worden op uitzonderlijke momenten wanneer we meer tijd hebben, tijdens vakanties of wanneer er minder werkdruk is. Intensief werken kan juist de voorwaarden scheppen voor een gezond gezinsleven. In dit verband schreef onze Vader dat kinderen van God, in het Werk, zouden moeten leren om goede instrumenten te zijn, waardoor zij in staat worden gesteld om actief deel te nemen aan de nobele strijd met hun naasten en om hun weg te vinden in het leven, te midden van onvermijdelijke professionele botsingen, die helpen om trots, naïviteit en onervarenheid te overwinnen.[13] Zo kan de harde realiteit van het beroepsleven, getemperd door gebed en verzacht door een sterke vriendschap met anderen, voor ieder een bron zijn om op een natuurlijke manier een persoonlijke bijdrage te kunnen leveren aan het gezinsleven.

Juist een fijngevoelige en sterke vriendschap leidt vaak tot een beslissing om onszelf te geven. Ja, onze genegenheid voor elkaar kan de eerste vragen in harten van mensen wakker maken. ‘Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart’, zei Jezus tegen zijn apostelen (Joh 13,35). Al van de eerste generaties christenen waren anderen onder de indruk van hoe zij elkaar liefhadden, ondanks de moeilijkheden en interne conflicten waarmee ze te maken hadden.[14] Onze evangeliserende kracht zou hier dus van doordrongen moeten raken, het gaat niet om een strategie of een pastoraal plan maar om een authentieke trouw aan het evangelie.


[1] Heilige Jozefmaria, Christus komt langs, nr. 22.

[2] Vgl. Paus Franciscus, Toespraak, 6-5-2019.

[3] Vgl. heilige Jozefmaria, Brief 11, nr. 23.

[4] Vgl. Paus Benedictus XVI, encycliek Spe Salvi, nr. 45.

[5] Heilige Jozefmaria, De Smidse, nr. 503. Zie ook Christus komt langs, nrs. 142 en 166.

[6] Vgl. zalige. Alvaro del Portillo, Brief, 1-12-1985, in Family Letters I, no. 204 (AGP, library, P17).

[7] Vgl. Mgr. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 16-2-2023, nr. 16.

[8] Vgl. Fjodor Dostojevski, The Brothers Karamazov (De gebroeders Karamazov), Bantam Books, translated by Andrew R. MacAndrew, pg. 934.

[9] Vgl. Mgr. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 16-2-2023, nr. 6.

[10] Vgl. Mgr. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 16-2-2023, nr. 16.

[11] Heilige Jozefmaria, De Voor, nr. 739.

[12] Vgl. Mgr. Fernando Ocáriz, Pastorale brief, 16-2-2023, nr. 15.

[13] Vgl. Heilige Jozefmaria, Brief 27, nr. 73.

[14] Vgl. Tertullianus, Apologeticum, nr. 39 (PL 1).

Carlos Ayxelá